Schriftverklaringen

door Dr. H. F. KOHLBRÜGGE

In leven predikant bij de Nederlands-Gereformeerde Gemeente te Elberfeld

BEWIJZEN VOOR DE WAARHEID VAN GODS WOORD

Welke bewijzen bezitten wij dat het boek, het welk wij onder de naam Bijbel, Heilige Schrift enz. als Woord van God kennen, ook waarachtig het Woord van God is?

Wij hebben daarvoor de volgende zowel innerlijke als uiterlijke bewijzen.

Ten eerste. Het gevoel van de waarheid van het Woord van God, dat wij, wanneer wij daarin lezen, in ons hart ondervinden, het welk zich onwillekeurig bij ons opdringt, als de oneindige liefde, de grote wijsheid van de Heere, Zijn gerechtigheid en genade zich aan ons openbaren. Wij gevoelen wel, dat dit niet door het verstand van een zondig mens voortgebracht is, wij voelen, dat het waarlijk het Woord van God is.

Hoe diep en onnaspeurlijk zijn toch de raadsbesluiten van de Heere, hoe volkomen zijn al Zijn inzettingen en geboden! Welk een oneindige wijsheid ligt er b.v. in de wetgeving op Sinaï, in die wet, welke als een voorbeeld, dat aan alle eisen beantwoordt enig daar staat, het welk door hen, die niets van het Woord van God geloven, als zodanig moet erkend worden. De mens met zijn zwak verstand kan de oneindige liefde, de grote wijsheid en de onnavolgbare eenvoud, welke wij in de Bijbel vinden, niet eens vatten, hoe zou dan die Heilige Schrift uit zijn hart voortgekomen zijn!

Ten tweede is de vervulling van alle beloften die de Heere de mensen reeds in de vroegste tijden gegeven heeft, en deels dadelijk, deels eerst lange tijd daarna vervuld werden, een zichtbaar bewijs voor de waarheid van de Heilige Schrift.

Zo vinden wij de ganse geschiedenis van onze Heere Jezus Christus reeds in het Oude Testament als een belofte. Adam was de eerste, aan wie de Heere in Zijn Zoon een Verlosser beloofde (Gen. 3), toen hem de weg ten leven, door zijn ongehoorzaamheid ten enenmale ontoegankelijk was geworden. Deze profetie werd later aan Abraham, Izak en Jacob herhaald, daarna vinden wij haar aan David gegeven (2 Sam.7); en later aan Koning Achaz door de profeet Jesaja (Jes. 7:14). En zo vinden wij die verkondiging in alle boeken van Mozes en van de profeten overal terug, en in de Psalmen en Profeten wordt er in het bijzonder op gewezen.

Buitendien vinden wij echter in de boeken van Mozes, van Samuël, van de Koningen en Kronieken vele voorzeggingen, waarvan wij de vervulling reeds in het Oude Testament lezen, zoals die van de beloften die de Heere Abraham, Izak en Jacob gaf ten opzichte van hun geslacht, dat hun zaad zou worden als het zand aan de oever van de zee. En dat God hun zaad na hen in het beloofde land zou brengen, hetwelk werkelijk, zoals wij in het boek Jozua lezen, aan het hele volk Israëls vervuld geworden is, terwijl Hebr. 11:9 en 10 ons te kennen geven, welk land zowel voor Abraham als voor al degenen, die na hem in het geloof sterven, daarmee bedoeld wordt.

In het eerste boek van Samuël vinden wij vooreerst de vervulling van de voorzegging die door Eli aan Hanna, de huisvrouw van Elkana (hfdst. 1:17) gegeven was, en de profetie van de Heere, verkondigd door de mond van Samuël aangaande Eli en zijn zonen en later over Saul en David. In het tweede lezen wij de profetie van de profeet Nathan: "dat het zwaard niet wijken zou van het huis van David tot in eeuwigheid", waarvan wij de volkomen vervulling vinden in de latere geschiedenis van de nakomelingen van David.

In het eerste boek van de Koningen lezen wij in het 1e hfdst. vers 12 en 13 dat de Heere het koninkrijk uit de hand van Salomo zal scheuren, en hem slechts één stam om Davids wil overlaten zou, zoals God Salomo wegens zijn afgoderij gedreigd had, en waarvan wij de voltrekking reeds in het 12e hoofdstuk vinden, waardoor tevens de voorspelling van Ahia aan Jerobeam vervuld werd. Het 13e hoofdstuk bevat de merkwaardige woorden van de man Gods tegen het altaar te Bethel, die de koning Josia vervuld heeft (2 Kon. 23:16). In het 14e hoofdstuk vinden wij de voorzegde dood van Jerobeams zoon. De vervulling van de bedreiging, die wij in hfdst. 21:24 over de dood van Isebel en over het huis van Achab lezen, vinden wij in 2 Kon. 9:36 en 37. De voorzegging van de dood van Ahazia, 2 Kon. 1:1, 6 en 17. In het 20ste hoofdstuk en in het voorgaande de voorzeggingen die God aan Hiskia, en in het 22ste hoofdstuk die de Heere aan Josia heeft doen toekomen. In het laatste hoofdstuk van het tweede boek der Koningen en Kronieken wordt ons de verwoesting van Jeruzalem, de wegvoering in de Babylonische ballingschap en de wederopbouw van de tempel door Cyrus verhaald, van welke drie gebeurtenissen in de profetieën zo dikwijls sprake is.

Ten derde geeft ons de nadere beschouwing van de aard en de wijze, hoe God Zijn Woord aan ons openbaar gemaakt heeft, een vast geloof aan de waarheid van de Heilige Schrift. God heeft hier, zoals altijd, de zwakste instrumenten tot de uitvoering van Zijn wil gebruikt, om Zijn heerlijkheid met des de groter glans te doen uitkomen. Immers de Profeten en Apostelen zijn niet zodanigen geweest, die bij de verspreiding van hun leer eigenbelang of een nader menselijk doel voor ogen hadden, of ook maar een geordend, voor hun geest helder stelsel volgden, maar zij spraken door de Geest gedreven zoals de Heere het hun in de mond gaf. (De enig juiste weg!)

Om tot een eigen uitwerking van een leer te komen waren zij:

1. te weinig beschaafd zoals Mattheus, Markus en Petrus.

2. te weinig genegen; immers Mozes en Jeremia onder andere weigerden aanvankelijk de roeping van de Heere te volgen.

3. zouden zij stellig een andere weg gekozen hebben, indien eigenbelang hen had gedreven, want immers gedurende hun gehele leven hadden zij met vervolging, angst en nood te strijden; ook waren zij waarlijk geen geestdrijvers, die met fanatische ijver hun leer door alles heen, zonder te letten op de vastgestelde verordeningen van God, verdedigden, maar zij bleven in de stand, waarin zij door God geplaatst waren, en verlieten die niet eerder tot God hen, door de verandering van de omstandigheden van het maatschappelijk leven, daarheen bracht, waar Hij ze hebben wilde, en ze zo, als was het ook tegen eigen beter weten in, als het ware dwong Zijn wil te volbrengen, zoals Hij dan ook daarvoor steeds middelen gebruikt, die de gewone loop van de omstandigheden niet te buiten gaan.

De mens was slechts het werktuig, dat geheel en al geleid werd door de hand van de Meester niet wetende waar het heenging, of waar het op uitliep. Want Gods wegen zijn immers niet onze wegen en onze gedachten niet Zijn gedachten. Zo verstonden ook de Apostelen in het geheel niet wat Jezus hun zei, en steeds waren zij verbaasd, wanneer Zijn voorspellingen vervuld werden.

Het verschil van mening van de Apostelen, na het heengaan van hun Meester, over de besnijdenis en het vasthouden aan joodse gebruiken en inzettingen, bewijzen ons dat velen van hen ook toen nog niet de gehele omvang van de

leer, die zij verbreidden, begrepen, en zich over deze zolang bestaande gebruiken niet konden heen zetten; zo konden de meesten het vrije, doortastende optreden van de Apostel Paulus in het begin niet goedkeuren; en zo lezen wij (Hand. 21), hoe zij hem trachtten te bewegen op de joodse, door Mozes gegeven inzettingen meer acht te geven, en hoe Paulus aanstonds aan deze vermaning gehoor gaf, omdat zulks niet tegen zijn geweten streed; verder lezen wij hoe Petrus eerst door het gezicht, waarin de Heere hem toonde, "dat voor Hem geen aanzien des persoons bestaat," zich er toe laat brengen aan de wens van Cornelius gehoor te geven, terwijl hij vóór dit gezicht niet geloofde, dat God ook een heiden bekeren zou, waaruit ons immers duidelijk wordt hoe weinig hij van het wezen van de vrije genade van God verstond.

Zo hingen dan de discipelen slechts aan het Woord van de Heere en zochten met een oprecht hart in Zijn wegen te wandelen, ofschoon het einde van deze weg voor hun verstand donker was. Een ieder sprak en schreef niet anders dan de Heere hem ingaf, zonder van te voren daaromtrent met de overige Apostelen overeengekomen te zijn.

Hieruit kan men dan ook verklaren de tegenstrijdigheden, die wij met betrekking op de tijd en op andere kleine bijkomende omstandigheden in de vier Evangeliën vinden, daar een ieder volgens zijn karakter schrijft. Zo heeft Mattheus hoofdzakelijk getracht duidelijk te maken hoe Jezus Christus de bij Mozes en de Profeten beloofde en van David afstammende Messias en Koning is. Zo herkennen wij aan de korte, krachtige en aaneengeschakelde mededeling van Markus duidelijk de krijgsman, die orde en gehoorzaamheid handhaaft; terwijl Lucas, als arts, bijzonder de genezing van de zielen door onze Verlosser uitdrukt; en Johannes de heerlijkheid van het Woord, toen het in het vlees was, bewijst.

Ten vierde is voor ons een bewijs voor de waarheid van de Heilige Schrift, dat zij, niettegenstaande alle inspanningen van mensen om haar omver te stoten, zich nochtans door zoveel eeuwen heen staande gehouden heeft; en dat de invloed van deze leer, door arme vissers en handwerkslieden verbreid, zich, zonder menselijk toedoen, aan gehele volken en natiën heeft doen gelden.

Ten vijfde is eindelijk het meest klaarblijkelijk bewijs voor de waarheid van het Woord de eigen ondervinding. Zo men zich werkelijk aan het Woord van God houdt en God vertrouwt, dan zal een iegelijk ondervinden dat het Woord geen leugen is, maar dat men zich stellig en zeker op alle stukken en uitspraken verlaten kan. Alle beloften, die de gelovige gegeven zijn, zullen ook aan hem vervuld worden. 1 Petr.1:24,25: "Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid van de mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen; maar het Woord van de Heere blijft tot in eeuwigheid, en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is." Vergelijk ook Joh. 7:17.