De zuchters in Jeruzalem getekend

J. Barueth 

 

 

Johannes Barueth (1708-1782)

 

 

De leere der waarheid vervat in den Heidelbergschen Catechismus, regtzinnig . . . verklaard, tegen de dwaalleer verdedigd en ter beoefening van ware godsaligheid aangedrongen I-II. Uit syn eigen Latynsch handschrift vertaald, met eene historische voorreden over de bestryders en voorstanders van onsen Nederlandschen catechismus. Te Dordrecht, by Abraham Blusse en Zoon, 1777 B2-60/61 

 

J. Barueth

 

 

De zuchters in Jeruzalem getekend

Predikatie over Ezechiël 9:4, gepredikt de 20e november, 1746, des avonds in de grote kerk

 

Opnieuw uitgegeven door boekhandel De Pelgrim, www.depelgrim.nl

 

 

 

 

 

 

De zuchters in Jeruzalem getekend

 

Ezechiël  9:4

En de Heere zeide tot hem: Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over alle gruwelen, die in het midden derzelven gedaan worden.

 

 

 

In den toorn gedenk des ontfermens, zulk een gans tedere en Godzalige zielszucht en hartenwens horen we de profeet Hábakuk,  in het voorhof  van de tempel, een plechtig gebed  hemelwaarts opzenden tot den heiligen God, Die wel alle dagen toornt, maar ook Zijn ontfermende ingewanden, in het midden des toorns rommelen laat over Zijn Ruchama, de ontfermden des Heeren. Zo leest ik in de rol des profeten, in het boek van Hábakuk, 3e hoofdstuk, het laatste lid van het 2e vers.

 

Voorzeker! Niet zonder grond, mocht Hábakuk in de aanvang des gebeds, de hoge God met deze twee ontzaggelijke deugden benoemen, Zijn toorn aan de ene zijde, Zijn ontferming aan de andere zijde; welke twee hoedanigheden in God niet tegen elkaar strijden, maar hand aan hand gepaard gaan. Hij bezoekt de misdaad der vaderen aan de kinderen, in derde en vierde lid degenen die Hem haten, maar Hij doet barmhartigheid aan duizenden degenen die Hem liefhebben, volgens de drangreden, waarmee het tweede wetwoord  wordt aangedrongen. (Exodus 20:5 en 6)

 

In den toorn gedenkt God des ontfermens, wanneer Hij een zondig volk de ondergang bedreigt hebbende in geval van onbekeerdheid; en de straf geheel doet achterblijven, op uiterlijke of innerlijke vernedering en boetvaardigheid. God zag de werken der Nineviten, dat zij zich bekeerden van hun boze weg; en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hen te zullen doen, en Hij deed het niet. (Jona 3:10)

 

In den toorn gedenkt Hij des ontfermens, wanneer  Hij een mens of een geheel volk een tijd lang gestraft hebbende, de straf begint te matigen en te verzachten en eindelijk geheel doet ophouden. Daarop zien zovele beden der Godzaligen in het Woord, O Heere straf mij niet in Uw toorn, kastijd mij niet in Uw grimmigheid. (Psalm 6:2,3 en 8) Kastijd mij Heere, doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet teniet maakt, (Jeremia 10:24) Zal dan de Heere in eeuwigheid verstoten? En voortaan niet meer goedgunstig zijn? Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht? Heef God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheid door toorn toegesloten? (Psalm 77:8 –10)

 

In den toorn gedenkt Hij des ontfermens, wanneer Hij Zijn toorn uit de hemel opbarende, over een geheel zondig land en volk, hetwelk Hij bezoekt met vreselijke plagen en oordelen, Zich over Zijn kinderen nochtans ontfermd, die in zulk zondig land en onder zulk een zondig volk wonen.

 

Gebeurt het, dat een geheel land met de roede Gods aan alle kanten gegeseld  wordt en dat de slagen gelijkelijk vallen op alle leden van het volk; het harte Gods evenwel is niet op één gelijke wijze gesteld omtrent goddeloze  en Godzaligen, die er onder zulk een volk mogen wezen. Gelijk Gods oordelen en plagen omtrent de goddeloze, slagen zijn van een toornig God en Wreker, Die zeer grimmig is, zo zijn ze omtrent de Godzaligen kastijdingen van een genadig Vader, Vaderlijke tuchtigingen, die voortvloeien uit Zijn liefdeshart. Ziet God de goddeloze aan, Hij dondert en bliksemt met Zijn blakende toorn; Aanschouwt Hij de Godzaligen, Zijn ingewanden beginnen te rommelen, Zijn hart wordt in Hem omgekeerd, al Zijn berouw wordt te samen ontstoken. (Jeremia 31:20 en Hosea 11:18)

 

Doch anderszins houdt de Heere ook wel die weg met Zijn gunstgenoten, dat Hij hen door Zijn bijzondere voorzienigheid, in het midden van algemene volksplagen bewaart en hen daaruit verlost en uitred, ten einde de rechtvaardigen met de goddeloze niet omkomen. Ik zal ze verschonen, zei de Heere, (Maleachi 3 : 18) gelijk een man zijn zoon verschoont, die hem dient, dan zult gijlieden wederom zien (het onderscheid) tussen den rechtvaardige en den goddeloze; tussen dien, die God dient, en dien die Hem niet dient. Deze ontferming Gods over de vromen, in het midden Zijns toorns over de goddeloze, heeft men al vanouds gezien in een gelovige Noach, die de Heere met zijn huisgezin heeft uitgered uit de algemene watervloed. Men heeft ze in een Lot gezien, in zijn uittocht uit het goddeloze Sodom. Men heeft ze in anderen gezien.

 

En om kort te gaan, toehoorders! De tekst in zijn samenhang zijnde beschouwd, zal ons niet duister doen zien, dat de Heere in Zijn toorn gedachtig is des ontfermens.

 

Want met de aanvang van ons teksthoofdstuk vertoont de Heere, in een luisterrijk gezicht, aan Ezechiël de profeet, zes mannen, elk met Zijn verpletterend wapen in zijn hand, vers 1 en 2, tot zulk een einde namelijk om de wrake Gods over Jeruzalem, welker zonden ten hemel gestegen  waren, uit te voeren, zoals blijkt uit vers 5 en 6. Gaat door, door de stad, achter hem en slaat; U lieden oog verschone niet en spare niet. Doodt ouden, en jongelingen en maagden, en kinderen, en vrouwen tot verdervens toe.

 

Desniettegenstaande wordt aan de profeet ook vertoond een man, in het midden van die zes mannen, zijnde met linnen bekleedt, en hebbende een schrijvers inktkoker aan zijn lendenen, vers 2. Deze krijgt een last in onze tekst, om te tekenen allen die over Jeruzalems zuchten en uitriepen. En dat tot zulk einde, opdat die zes mannen niet genaken zouden aan iemand, op welken het teken gevonden werd, zoals blijkt uit vers 6. Ziet daar! In den toorn gedenkt God des ontfermers.

 

Wij zullen dan zien in dit avonduur naar de inhoud onzer tekstwoorden, Gods bijzondere voorzienigheid onder algemene oordelen, en gunstige bewaring van dat geringe overblijfsel naar de verkiezing, zuchtende en uitroepende over Jeruzalems gruwelen in de dagen van onze profeet. Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden der zelve gedaan worden.

 

Woorden, die in deze dagen van gruwelen, zullen kunnen dienen tot waarschuwing en op wakkering der kinderen Gods, om geen gemeenschap te hebben met de algemene volksgruwelen, maar er over te zuchten en uit te roepen.

 

De Heere verlene de spreker de betamelijke vrijmoedigheid en de hoorder de vereiste  aandacht en opmerkelijkheid! Amen.

 

In de woorden van de tekst komt ons voor:

1.       De Bevelgever met de Bevelhebber. De  Heere zeide tot hem. 

2.       De inhoud van het bevel;

 

hetgeen we verdelen in:

A.      De last om door te gaan door het midden der stad door het midden van Jeruzalem.

B.      Het oogmerk is: De lieden zuchtende en uitroepende over Jeruzalems gruwelen te tekenen op de voorhoofden.

 

Wij zullen ons wat het eerste betreft, de Heere zeide tot hem, niet inlaten in een breedvoerig onderzoek. Wie uit de drie getuigen in den hemel, men hier door de naam van Jehova of Heere te verstaan heeft, en Wie Hij zei, tot Wien deze Heere spreekt.

 

Sommige verstaan voor deze Heere, of God in het algemeen, of den Vader in het bijzonder. En dan verstaan zij voor Degenen, aan Wien deze Heere last geeft, de Zone Gods, Vorst Messias, Die dan de Man wezen zal, met linnen bekleedt, hebbende een schrijvers inktkoker aan Zijn lendenen. vers 2 en 3.

 

Ons aangaande, het komt ons het voegzaamste voor, dat men alhier door den Jehova, de bevelgevende Heere , versta de tweede Persoon, de Zone Gods, in het voorgaande derde vers de Heerlijkheid des Gods Israëls (onder welke Naam Hij in de bladeren des Ouden Testaments meermalen voorkom) welke heerlijkheid Zich ophief van de Cherub, (dat is van tussen de vleugelen der Cherubim, boven de Verbondsark in het Heilige der Heiligen, daar de Zone Gods woonde in de Schechina, de wolk der heerlijkheid) en van de Cherub kwam deze Heerlijkheid tot de dorpel van het huis. Daar riep ze en gaf bevel aan de Man, met linnen bekleedt, hebbende een schrijvers inktkoker aan Zijn lendenen. Door welke man wij dan het allernaast te verstaan hebben God de Heilige Geest temeer, omdat het des Geestes bijzondere werk, naar de huishouding der genade is, Gods kinderen op te schrijven, die te merken en te tekenen, die te bewaren en te verzegelen tot de dag der verlossing.

 

Die hier dan last geeft, is de Zone Gods en Die ze ontvangt, is de Heilige Geest. Waar omtrent wij niets bijzonders hebben aan te merken, dan alleen in wat betrekking de Zoon en de Heilige Geest ons hier voorkomen. Zij komen ons beide voor als wakende over Hun eigendom, over hun uitverkorenen, die zuchtende waren over de gruwelen van Jeruzalem. Ja als Zich ontfermende over hen, in het midden des over de goddeloze. En geen wonder! Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, Ik zal uwer niet vergeten, zegt de Heere, Ik heb u in beide Mijn handpalmen gegraveerd, en uw muren zijn steeds voor Mij. (Jesaja 49:15 en 16) Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, onfermt Zich de Heere over degenen, die Hem vrezen. (Psalm 103:13) En in een ander van zijn harpzangen, Rondom Jeruzalem zijn bergen, alzo is de Heere rondom Zijn volk, van nu aan tot in eeuwigheid. (Psalm 125 : 2)

 

Ziet zulk een ontfermende Jehova beveelt hier iets aan Zijn Geest, (de Geest van Christus en de Geest des Zoons, Romeinen 8 :9 en Galaten 4 : 6) zijnde die Man met linnen bekleed, hebbende een schrijvers inktkoker aan Zijn lendenen. en wat toch is de inhoud van het bevel?

 

Zij bestaat hierin vooraf, in het algemeen: “Ga door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem. Gelijk Athene bij de Grieken en Rome bij de Romeinen, zo wordt Jeruzalem bij de Joden wel bij uitnemendheid genaamd, De Stad. Hier echter wordt het nader verklaard, wat stad men te verstaan heeft. Het is de stad Jeruzalem, de oogappel van het Joodse land, de hoofdstad van Judea, de zetel van staat en kerk. Een stad, te dezer dage opgevuld met een talrijke menigte van inwoners, onder welke, ten merendeels goddeloze, echter nog enige, hoewel weinige, Godzalige zuchters gevonden werden. Hetgeen de reden is, dat de Heere belast, door te gaan door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem. Niet dat de Man, met linnen bekleed, de stad slechts maar zal doorgaan, of terloops hier en daar een straat inslaan; nee, maar Hij moest door gaan door het midden der stad. Hetgeen zeggen wil de nauwkeurigheid, met welke Hij dit doen moest. Hij moest er geen plaats in overslaan; nee, maar alle straten en wijken, alle hoeken en stegen door kruisen, wijl er toch overal, zo onder groten als kleinen, onder de aanzienlijken en geringe, rijken en armen, nog enige, schoon weinige, vromen en Godzaligen gevonden werden. Ga door dan, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem. Doch tot wat einde? zal iemand vragen? Het is: “Tekent een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden derzelver gedaan worden”.

 

De personen, welker voorhoofden, als teken ten vertoge van Goddelijke verschoning, moesten getekend worden, worden van den Heere beschreven als lieden, die zuchten en uitroepen over al de gruwelen, die in het midden van Jeruzalem gedaan worden.

 

Het onderwerp van hun gezucht en uitroep wordt genaamd; Alle die gruwelen, die in het midden der stad Jeruzalem gedaan worden. Gruwelen zijn in de Heilige Bladeren zonden bij uitnemendheid, waar een zonderlinge boosheid in gevonden wordt. De boosheden, die zij in al hun gruwelen gedaan hebben lees ik in Ezechiël 6:9. Het grondwoord drukt eigenlijk uit, zonden, daar men een walg, een verfoeiing, een gruwel van heeft. Afschuwelijke, verfoeilijke zonden. Zodanige zonden, gruwelzonden zouden wij zeggen, waren er onder de joden van verscheidene soort. De profeet meldt van alle die gruwelen. Men kan er dan hier door verstaan, allerlei verfoeilijke en grove ongerechtigheden; neem wrede bloedstortingen, neem onnatuurlijke onreinheden, neem dronkenschappen, neem dieverijen, en dergelijke. Geen zonden van de heidenen zo grof, geen gruwel zo groot of zij waren ook onder Israël.

 

In het bijzonder evenwel moet men hier door alle deze gruwelen verstaan, allerlei soort van schandelijke afgoderij, daar de Joden ten hoogste aan schuldig stonden. Men ziet maar eens terloops in het voorgaande 8e hoofdstuk. Daar wordt de profeet van kamer tot kamer gebracht en telkens wordt er gezegd; “Gij zult nog groter gruwelen zien, dan deze”. Eerst wordt hij gebracht tot de deur van het voorhof, alwaar hem vertoond worden alle beeltenissen  van viervoetige dieren, en alle drekgoden van het huis Israëls, en zeventig mannen, staande voor dezelve met rookvaten in hun hand. En de Heere zeide tot hem: “Gij zult nog groter gruwelen zien”. Daarna wordt hij gebracht tot de deur van het huis des Heeren, en ziet daar zaten vrouwen, bewenende de Thammus. En wederom zeide Heere, “Gij zult nog al groter gruwelen zien”, en hij bracht hem tot het binnenste voorhof van het huis des Heeren, en ziet daar! Omtrent vijfentwintig mannen, hebbende hun achterste leden naar den tempel, en hun aangezichten naar het oosten, buigende zich neder voor de zon. Ziet daar! Op zulk een verfoeilijke en schandelijke afgodendienst, hebben we hier wel inzonderheid te denken. En dat mag de Heere wel met recht noemen gruwelen, schandelijke, verfoeilijke zonden. Daar toch de afgoderij niet anders dan den Heere een walg, een verfoeiing, een gruwel wezen kan. Haar afkeringen, dat is: haar afgoden, zijn machtig velen geworden, zei de Heere eens van Israël. (Jeremia 6-10) Hoe zou Ik over zulks u vergeven? Uw kinderen verlaten Mij, en zweren bij die, die geen god zijn. Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? Spreekt de Heere; of zou Mijn ziel Zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is? Beklimt haar muren en verderf ze!

 

Hoewel nu alle die gruwelen (allerlei grove zonden in het algemeen, alle afgoderij in het bijzonder) het gehele Joodse land overstromen, zo was er evenwel bijzonder de stad Jeruzalem vol van, in de dagen van onze profeet. Hij zegt, dat ze gedaan werden in het midden ervan.

 

Gelijk grote steden wel de dartelste en zondigste, boven andere kleinere steden plegen te wezen, zo was het ook met die grote en volkrijke  stad Jeruzalem gelegen. Daarin werden gruwelen gedaan, gruwelen, zoveel te groeter, zoveel te schandelijker, zoveel te verfoeilijker, omdat deze stad met velerlei voorrechten van de Heere begiftigd was, boven alle andere steden van Kanaän. De tegenwoordigheid van het Heiligdom, de dagelijkse godsdienstoefening, de ontelbare menigte van priesters en levieten, het onderwijs van de Wet was in overvloed in het midden van dit Jeruzalem. En dat had  haar zeker moeten doen wezen een Heilige stad, gelijk ze anders wel genoemd werd. Maar nee! Zij was integendeel vol gruwelen. Zij had, staat er, (Jeremia 16:61) hun gruwelen vermenigvuldigd. Hetgeen zover ging, dat wij er de  Heere over horen klagen, (Jeremia 5:5 en 6) Dit is Jeruzalem, zegt Hij, dewelke Ik in het midden der heidenen gezet heb, en de landen rondom haar heen. Doch zij heeft Mijn rechten veranderd in goddeloosheid, meer dan de heidenen. En hoor eens, wat Jesaja de profeet over deze gruwelijke stad uitriep: “Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! zij was vol rechts, gerechtigheid herbergde daarin, maar nu doodslagers”. (Jesaja 1:21)

 

Doch dit is nog zonderling opmerkelijk, dat er staat, dat deze gruwelen gedaan werden in het midden van de stad. Het wil zeggen, dat Jeruzalems inwoners hun gruwelen openbaar deden. Niet ergens verborgen in de afgelegenste plaatsen en hoeken van de stad. Openlijk, zonder schaamte, voor het oog van de gehele wereld, zonder ontzag voor God en mensen. Zodat ze hun zonden vrij uit spraken als Sodom, zij verborgde ze niet. (Jesaja 3:9) En dat niet alleen, maar het wil ook zeggen, dat zij gruwelen deden in het algemeen. Niet slechts onder het geringe volk, in deze of gene afgelegen hoek van de stad; nee maar ook onder de groten in het midden van de stad. Jeruzalems vorsten waren afvalligen en metgezellen der dieven, een ieder van hen had de geschenken lief, en zij jaagden de vergelding na, de wezen deden zij geen recht en de twistzaak der weduwen kwam voor hen niet. (Jesaja 1:23) Ja beiden, groten en kleinen, beide jonge en ouden, zo vorsten, zo profeten, zo priesters zo de gewone man, zij stonden alle aan deze gruwelen schuldig, zodat op hen terecht de taal paste: (Jesaja 1:5) Het ganse hoofd is krank en het ganse hart is mat, of liever die van de psalmdichter. De gemene lieden onder hen zijn ijdelheid, en de grote lieden zijn leugen, te samen in de weegschaal opgewogen, zijn zij lichter dan ijdelheid. (Psalm 62:10)

 

Dit alles evenwel niettegenstaande, die stad mag zo vol gruwelijke mensen zijn geweest of de Heere had er nog de Zijnen in. Daar was nog een overblijfsel naar de verkiezing der genade. De profeet noemde ze; “lieden, die  over alle die gruwelen zuchten en uitriepen”. In de grondtekst staat: mensen, uit kracht van het grondwoord”, zwakke, ellendige mensen, arme en verachte mensen. En terecht, daar toch de gelovige zuchters bij de weer de wereld als zodanige gerekend worden, als aller uitvaagsel en afschrapsel. De wereld houd ze maar voor dwazen en naargeestige mensen. Temeer, daar zij ook merendeels naar de wereld armen en ellendige, niet vele wijzen, niet vele machtigen, niet vele edelen zijn zegt Paulus. (1 Korinthe 1:26) En Jakobus zal zeggen, God heeft de armen dezer wereld uitverkoren, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des Koninkrijks te zijn. (Jakobus 2:5) Het is doorgaans maar een arm en ellendig volk, dat op de Naam des Heeren betrouwt. (Zefanja 3:2) Deze arme, en ellendige en geringe lieden zuchten en riepen over al die gruwelen. Beide welke woorden uitdrukken hun afkeer, die zij toonden met hart en mond van de gruwelen van de inwoners van Jeruzalem in de dagen van onze profeet.

 

Zij zuchtten erover, zij hadden er een smartelijke droefheid over in hun harten, zij hadden er een dodelijke haat tegen in het hart. En zij vreesden voor de nakende oordelen Gods. Even op die wijze als we van lot lezen, toen hij in Sodom woonde, dat hij zeer vermoeid was van de ontuchtige wandel der gruwelijke mensen, en dat hij dag op dag zijn rechtvaardige ziel kwelde, door het zien en horen van allerlei ongerechtige werken. (2 Petrus 2:7-8)

 

Doch hier bleef het niet bij. Die afkeer van Jeruzalems gruwelen bleef niet slechts binnen in het hart. Maar zij toonden het ook naar buiten met mond en daden. Zij riepen uit over al die gruwelen. Zij kermden erover (gelijk in het grondwoord ook   tot de goddeloze binnen Jeruzalem, door vrijmoedige bestraffingen, door heilzame waarschuwingen, door ernstige bedreigingen van Goddelijke oordelen. Zo zal Noach, de prediker der gerechtigheid, hebben gedaan aan die gruwelijke inwoners der eerste wereld. Zo zal Lot aan de Sodomieten hebben gedaan. Zo zal Jona hebben gedaan, wanneer hij de Ninevieten ter bekering predikte.

 

Ja, zij riepen er over uit tot de Heere, door die gruwelen al klagende aan Hem voor te dragen, door afsmeking van eigen bewaring onder die stroom van gruwelen. Ja, door Hem te bidden, dat Hij die gruwelen eens stuiten en beletten wilde. In zulk een gestalte komt ons David voor in zijn gebed van de twaalfde Psalm het tweede vers, Behoud o Heere! Want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwe zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.

 

Daar nu deze gelovige lieden zo zuchten over Jeruzalems gruwelen, en uitriepen om bewaring tegen dezelve en tegen de plagen, daarop volgende. Geen wonder dat hunlieden verschoning en bewaring beloofd wordt. De Heere zegt: “Tekent een teken op hun voorhoofden”. Zo wij al de zintwistingen der geleerden over dit teken wilden ophalen, veel tijd zou ons te kort schieten. Wij zeggen maar in het kort, dat het grondwoord Thau, met teken vertaald, bij de hebreeën en andere Oosterse volken, ook de naam is van de laatste letter van hun alfabet. Waarom velen onder de joden en christen het vertaalden, tekent een Thau,of de letter T. Op hun voorhoofden. Hierover hebben de uitleggers verschillende aanmerkingen, die het ons niet lust op te halen; te meer, daar dit geen stof opleverd voor de preekstoel en alleen maar door geleerden en taalkundigen recht begrepen kan worden. Waarom wij er hier van afstappen en maar kort opmerken, dat het grondwoord wel juist vertaald is door onze overzetters met “een teken”. Tekent een teken op hun voorhoofden.

 

De Heere belast dan te tekenen een teken aan de voorhoofden van de lieden, die zuchten en uitroepen over al de gruwelen, die in Jeruzalem gedaan werden. Ongetwijfeld dat er in dit bevel gezinspeeld wordt op enige gewoonte, die van ouds gebruikelijk was. Hetzij op die gewoonte, dat de herders hun schapen plegen te merken om ze daar aan te herkennen en van de schapen van andere herders te onderscheiden. Hetzij op die gewoonte, dat slaven en lijfeigenen aan het voorhoofd getekend werden met het merk van hun heren. Hetzij dat er gezien wordt op de gouden plaat aan het voorhoofd van de hogepriester, waarop met grote letters gegraveerd stond: “De Heiligheid des Heeren”. (Exodus 28:36) Hetzij alhier het oog is op de gedenkzegels van de Joden, (Deuteronomium 6:8 en 9), waar Mozes tot Israël zegt: “De woorden, die ik u heden gebied, zult gij tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen, en gij zult ze op de posten van uw huis, en van uw poortrn schrijven. Hetzij (en hetgeen ons het waarschijnlijkste voorkomt) dat er gezien wordt op hetgeen weleer in Egypte geschiede, daar de bovendorpels van de huizen van de Israëlieten getekend werden met het bloed van het paaslam, opdat de slaande Engel dezelve mocht verschonen en voorbij gaan, (Exodus 12:22 en 23, vergeleken met Hebreeën 11:28)

 

Althans de Heere belast hier deze zuchtende lieden ook te tekenen, tot een merk hunner verschoning en behoudenis, om niet om te komen in het algemene verderf van Jeruzalem. Niet dat hun huizen getekend moesten worden, want daar waren geen vromen bij huizen vol. Nee maar hun personen. Het was er hier één en daar één. Hier één uit de stad daar twee uit een geslacht, zoals ik leest in Jeremia 3:14. Ook moest niet getekend worden de bovendorpel, maar het voorhoofd. Dat echter niet eigenlijk of naar de letter moet worden opgevat. Nee, maar gelijk dit alles in een gezicht geschiedde, zo moet het ook oneigenlijk verstaan worden. Dit bevel dan, van deze lieden te tekenen aan hun voorhoofden, is zoveel als een openbare verklaring van den Heere, dat Hij namelijk deze zuchters in heel Jeruzalem alleen erkende voor de Zijnen, voor Zijn eigendom, gelijk men zaken of personen pleegt te tekenen als bewijs van eigendom. Zij zullen, zegt de Heere der Heirscharen, te dien dagen, die Ik maken zal, Mijn eiegndom zijn. (Maleachi 3:17)

 

En dit niet alleen, maar dit tekenen op de voorhoofden moet ook worden opgevat als een bevel des Heeren aan Zijn Geest,(zijnde die man met linnen bekleedt), om deze zuchters, als iets door Hem getekend en gemerkt, als Zijns en des Vaders en des Zoons eigendom, te beveiligen, en ze te verschonen van het zwaard  en het verderf, dat eenmaal over Jeruzalem, vanwege haar gruwelen, komen zou. Die bewaring en beveiliging is immers het einde van dit tekenen op de voorhoofden, gelijk de Heere zelf het ons duidelijk verklaart in het volgende 6e vers van dit hoofdstuk. Doodt ouden, jongelingen en maagden en kinderen en vrouwen, tot verdervens toe, zegt Hij. Maar genaakt aan niemand op dewelke het teken is. Dergelijk een bevel, strekkende tot hetzelde einde van bewaring en beveiliging lezen we ook in Openbaringen 7:3. Beschadigd de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden. Het schijnt, dat hierop ook gezinspeeld wordt bij de profeet Joël 2:32. Want als hij van de nakende ondergang van Jeruzalemhad geprofeteerd, voegt hij erbij: “En het zal geschieden, dat al wie de Naam des Heeren zal aanroepen (of die zich naar de Naam des Heeren noemen zal, als zijn eigendom en dienstknechten) zal behouden worden. En daarom, als de Heere gezegd had, (Maleachi 3:17) Zij zullen te dien dagen Mijn eigendom zijn, zo laat Hij erop volgen: Ik zal ze verschonen, gelijk als een man zijn zoon verschoont, die hem dient, en dan volgt in vers 18 “Dan zult gij werderom zien het onderscheid tussen de rechtvaardigen en de goddelozen, tussen dien, die God dient, en dien die Hem niet dient.

 

 

 

Toepassing

 

 

 

Ziet daar aandachtigen, Gods bijzondere voorzienigheid onder algemene oordelen, een gunstige bewaring van dat geringe overblijfsel naar de verkiezing, zuchtende over Jeruzalems gruwelen, in de dagen van onze profeet. Een voorzienigheid en een bewaring, die de Heere als nog oefent over zijn kinderen, die zich niet besmetten met de algemene gruwelen van hun vervallen tijden. Gelukkige gelovigen! Die onder zulk een bewaring zijn, getekend zijnde met het teken des Lams op hun voorhoofden. De Heere is uw bewaarder, de Heere is uw schaduw aan uw rechterhand, mogen we u wel toejuichen. (Psalm 121:5)

 

O, wat moest dat elk niet gaande maken, om tot die gelukkigen te horen, die als Jezus eigendom, met het merk van Zijn Geest verzegeld zijn tot de dag der verlossing!

 

Wat moest dat u in het bijzonder, kinderen van God, niet aansporen, om toch te zuchten en uit te roepen, over al die gruwelen, die ook gedaan worden in het midden ons Christendom. Was dat ooit nodig, het is in onze dagen nodig. Wij beleven thans dagen van zonden, niet slechts van algemene zonden, maar van grote en grove zonden die wel gruwelen mogen genaamd worden. Gruwelen, niet van éne, maar van allerlei soort. Weet iemand wel een enige zonden op te noemen, die ooit onder de heidenen werd gepleegd, die ook in ons Nederland niet beoefend wordt in de hoogste maten? Mogen we wel niet klagen in onze dagen? Nederland heeft haar gruwelen vermenigvuldigd, meer dan het oosten, (Jesaja 2:6) Gelijk een kouw vol is van gevogelte, alzo zijn de huizen van Nederland vol van bedrog. (Jeremia 5:27) Ach! dat we die klaagstem, welke onze Ezechiël in zijn dagen over Jeruzalem ophief, ook in onze dagen over ons Neêrlands Jeruzalem niet te behoefden op te heffen, (uit het 5e hoofdstuk, vers 5 en 6) Alzo zegt de Heere: “Dit is Jeruzalem, dewelke Ik in het midden der heidenen gezet heb; en de landen rondom haar heen. Doch zij heeft Mijnrechten veranderd in goddeloosheid, meer dan de heidenen, en Mijn inzettingen, meer dan de landen, die rondom haar zijn. Maar volgd daar nu op die verschrikkelijke bedreiging (vers 8 en 9) Daarom zegt de Heere, Heere; ziet Ik wil aan u, Ja Ik , want Ik zal gerichten in het midden van u oefenen, voor de ogen van de heidenen. En Ik zal onder u doen hetgeen Ik niet gedaan heb en desgelijks Ik voortaan niet doen zal, om aller uwer gruwelen wil. Wat kunnen wij dan anders denken? Mijne vrienden! Dan dat onze gruwelen zeer moeten zijn vermenigvuldigd, omdat God sedert weinige jaren tot op nu toe, Zijn oordelen en plagen ook aan ons vermenigvuldigd heeft. Of zal de Rechter der ganse aarde geen recht doen? God heeft ons toe gezonden, plaag op plaag , breuk op breuk, dan vreselijke watervloeden, dan het gewormte aan onze zeedijken, dreigende het land te maken tot zoute grond, dan dure tijd en hongersnood, dan muizen, die al het gewas opaten, dan die dodelijke pestilentie onder het vee, die nog steeds gaande is. Alzo hebben we al vele van die tien plagen van Egypte gemaakt. Maar Farao’s hart bleef verstokt en het hart van Neêrlands volk niet minder. God heeft ons dan toegezonden het alverslindende zwaard, eaardoor zoveel heldenbloed als water is vergoten. Hij heeft getoond, dat Hij tegen ons vertoornd is, in al onze veldslagen. Geen één is er tot ons voordeel uitgevallen. In de slag van Fontenay bij Doornik, scheen de overwinning tot driemaal toe aan onze zijde te zullen overhellen, maar God blies er in. Hij heeft getoond, dat Hij tegen ons is, door de vijand de gehele barriëre en voormuur te laten beklimmen en wegnemen (waarvoor onze Overheden in de biddagbrief van dit zo voor beducht waren) Zou daarin niet wel liggen de stemme Gods? Beklim haar muren en verderf ze! En ziet, daar is de bloem van onze krijgslieden uit Brussel in het voorjaar en uit de andere ingenomen forten deze zomer, naar de gevangenis in Frankrijk gebracht. Gelijk als in Ezechiëls tijd de kinderen Israëls naar de gevangenis van Babel waren gevoerd.

 

Maar ziet men onder al deze oordelen wel enige verslagenheid, vernedering of boetvaardigheid? O neen! Geslagen wordende voelt men geen pijn. Zoekt niet de één de ander nog wijs te maken: “De koning van Babel is ons zeer genegen, hij zal in het land niet komen, wij zullen vrede hebben en geen kwaad zien”. Daar ’s lands overheden een geheel ander taal aan slaan en in de biddagbrief zeggen, dat de oorlogsvlam wel op onze eigen bodem zou kunnen overslaan. Ik vrees, ik vrees, dat, dat oordeel ons onverwacht en eerder als wij denken, zal overvallen als een wervelwind.

 

Gelijk te tijde van Ezechiël vele gruwelen werden gepleegd in het midden van Jeruzalem, en wel vooral een gruwelijke afgodendienst. Wie twijfelt of er zijn ook gruwelen in het midden van ons, die de oorzaak zijn van al deze rampen? Maar zult u zeggen, wel waar geschieden die gruwelen, of in deze stad, of in den lande? Wij zijn immers geen afgoden-dienaars, gelijk Israël was? Wij bedrijven ook geen gruwelen, meer dan enig ander volk. Of zo men de gruwelijkheid van Neêrlands volk al toestaat, elk ziet zich voorbij. Elk weet enige gruwelen, waaraan deze of die schuldig staan, die dan met name worden genoemd. Men weet zeer wel te zien de splinter in eens anders oog, en vergeet te zien de balk in zijn eigen oog. (Mattheus 7:2 en 3) maar waar komt men met David tot erkentenis van zijn eigen zonden? Ik, ik heb gezondigd, en ik, ik  heb onrecht gehandeld; maar wat hebben deze schapen gedaan? ( 2 Samuël 24:17) Elk zegt, de mens is zondig, maar wie zegd ik ben zondig? Elk zegt, de zonden vermenigvuldigen in het land. Maar wie zegt en vooral wie geloofd het dat de zonden vermenigvuldigen in en door mijn persoon? Wie onderzoekt, wie kent, wie betreurt, wie haat, wie roeit zijn eiegen troetelzonden, die hij liefkoost, waartoe zijn natuur het meest overhelt?

 

Want toch elk mens heeft nog zijn boezemzonde, die het meest met datgene, dat men zijn temparament noemt overeenstemt. Ei! vraagt uzelf eens af , is dat niet zo zelden u bede? Proef mij Heere, en doorzoek mij, toets mijn nieren en mijn hart. (Psalm 26:2) Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart, beproef mij en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op den eeuwige weg. ( Psalm 129:23 en 24) Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van mijn verborgen afdwalingen. (Psalm 19:13)

 

Evenwel, mijn toehoorders! het mag niet verzwegen worden, dat er enige bijzondere gruwelen in Nederland zijn, waarover de Heere toornt in onze dagen. Die gruwelen nu te verbijzonderen en op te tellen, wat is dat gevaarlijk geworden in deze gruwelijke dagen? Men zou zulke leeraars die dat durven te doen, wel van de aarde uitroeien, en dat is wel de eerste en allergrootste gruwel. Wordt men eens aan zijn eer aan getast, hoe spoedig heeft de leraar het dan verbruid? Dan is hij een stout en gevaarlijk man. Dan bedient men zich van dat belachelijke, maar tevens bestraffende middel, om bij zo’n leraar niet meer naar de ker te gaan. Als Paulus eens onder ons kwam preken in onze dagen, zou hij dan deze, evenals de Galatiërs niet vragen, Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende? (Galaten 4:16) Immers de leraars zijn er toe geroepen en worden er toe gezonden. Zo ze het niet doen, worden ze in Gods Woord genaamd, stomme honden die niet bassen kunnen. (Jesaja 56:10) Want al predikte een leraar honderd jaar van zonden, van ongerechtigheden en van gruwelen, en die worden niet verbijzonderd en opgenoemd, door wie en waar ze geschieden, het ia allemaal ter vergeefs gepredikt. Het is aan een dovemans oor geklopt, of het ene oor in en het andere oor uit. Niemand zal het zich aantrekken. Ik roep dan uit met Ezechiël, daar worden gruwelen gedaan in het midden van de stad.

 

Niet, mijn dierbare toehoorders, dat ik juist deze stad, zo in het bijzonder of alleen bedoel. Wel verre! Integendeel, als ik deze stad vergelijk met andere steden uit dit land moet ik bekennen dat wij noch lang de slechte niet zijn. De ondervinding leert ook zelfs in dit avonduur, dat in deze stad een uiterlijk godsdienstig volk woont, dat nog een horend oor voor de waarheid heeft en een hart voor de leraars, die ijverig, ernstig en gemoedelijk preken, en er op toeleggen om zondaars aan zichzelf te ontdekken. Ook gaat er van ons nog een naam uit, dat er in deze stad een volk woont, dat de Heere vreest.

 

Nee maar onder de stad begrijp ik het hele land. Daar worden gruwelen gedaan in het midden van het land. Gruwelen in het openbaar, gruwelen in het algemeen. Het is wel zo, daar geschied in de kerken van ons uiterlijk gereformeerd Christendom wel geen openbare afgoderij, zoals in het oude Israël geschiede in de tijd van Ezechiël. Maar hebt u van middag niet uit de Catechimus horen preken, dat de Paapse Mis een vervloekte afgoderij is? En hoe wijd en zijd heeft die afgoderij haar palen door ons land uitgezet? Ik zal niet mijn woorden gebruiken, maar die van een groot en beroemd Godgeleerde. (De hoogleraar Hermannus Witsius, in zijn boek, dat in deze beklagenswaardige dagen van diep vervallen kerkwezen, waard is om gelezen te worden, genaamd “Twist des Heeren met Zijn wijngaard, hoofdstuk 22), die in zijn boek hierover aldus klaagt. “Hoe tiert de afgoderij van het Pausdom, in verscheidene opzichten de afgoderij van de heidenen te boven gaande, in al onze steden en dorpen? Wat zijn haar niet een altaren en gesneden gruwelbeelden opgericht? Hoe stoutmoedig heft ze het hooft op en steekt de borst vooruit? Met een onverdragelijke fierheid soms de dienst van de enige en ware God verdraaiende. Wij belijden voor waarheid te houden, hetgeen wij als kinderen geleerd hebben uit de catechismus, dat de Mis in de grond een verloochening is van de enige offerande van Jezus Christus, en een vervloekte afgoderij. En er is nauwelijks noch een stad in ons vaderland, waar die gruwelijke Mis niet dagelijks of minstens wekelijks gedaan wordt. Wij hebben wel is ‘t  waar, strenge plakkaten tegen deze afgoderij geschreven, maar waar blijft de uitvoering ervan? Waar vindt men een Gideon en Jerubaäl, dien het ernst is, om tegen de Baäl te twisten, en zijn bos en hage om te hakken? Dan voegt er die zelfde Godgeleerde nog bij “Het schijnt integendeel alsof die plakaten maar gegeven waren om de gierigheid van de officieren te verzadigen, onder contributie waarvan, gelijk de historieschrijver Aitzema spreekt, de Roomsgezinden hun godsdienst doen.

 

Maar al geschied er geen grove afgoderij, er is geen gebrek aan subtieler afgoderij in het midden van ons. Het is alles afgoderij (gelijk onze catechismus leert) wat men in plaats van God, benevens God voor zijn God eert en dient.

 

Ging men eens door , door het midden van het land en al de steden en dorpen daarvan, hoeveel duizend kroegen en drinkhuizen zou men open vinden oip dezelfde tijd, wanneer op des Heeren dag de Godsdienst wordt gehouden. Ging men eens door het midden van land en stad, wat een openbare ontheiliging zou men horen van Gods Naam door vloeken en zweren, zelfs van de kleinste kinderen?

 

Ging men eens door, door het midden van land en stad, hoeveel openbare hoerhuizen zou men vinden, meer dan Godshuizen? Ging men eens door, door het midden land en stad, hoeveel dartele inwoners zal men vinden, die de verdorven zeden van afgodische volken navolgen? Hebben de afgodische Fransen ons tot nog toe niet met hun wapenen overwonnen, zij hebben ons al geheel met hun zeden overwonnen. Wie zou in onze dagen Holland in Holland meer zoeken? Als onze eenvoudige voorvaderen hun hoofden uit het graf eens uitstaken, zij zouden zich verbeelden midden in Frankrijk te wezen. Alles moet toch naar de Franse zwier en mode wezen. Franse haarvlechten, franse tooisels. Frans gewaad voor mannen en vrouwen. Hetgeen de franse kleermakers te Parijs dromen, moet binnenkort in Nederland worden nagevolgd. Ja, al wat maar Hollands is wordt voor plomp en boers gerekend. Maar die op de wijze van de Fransen best liegen en bedriegen, best strijken en buigen kan, dat is een man die zijn wereld verstaat. Ik moet hier nog verhalen de woorden van de grote en bekende Joan van Honert, in zijn onlangs uitgekomen boek, genaamd “De kerk in Nederland beschouwd en tot en tot bekering vermaand. (Welk boek ik u allen aanprijs als waardig, ja nodig, om als een huisboek in ieder huisgezin gelezen te worden) Aldus klaagt hij: “Wat worden er elke dag vele kostelijke en onbetaalbare uren onnuttig door mannen en vrouwen, gehuwden en ongehuwde verkwist, enkel en alleen opdat mannen als vrouwen en vrouwen als mannen gekruld en gekapt te voorschijn mogen komen. Zich wonderlijk vermakende in natuur ontsierende versierselen, die als waren ze op zich zelf fraai, echter dit met het bedriegelijk en verfoeilijke blanketsel gemeen hebben, dat ze belachelijk zijn, omdat elk weet dat ze niet natuurlijk maar gedwongen zijn........... hiertoe moet men jonge vrouwen en jonge dochters......bij hun kaptafels of toiletten toevertrouwen  aan dartele jongens, weelderige knechten en stinkende, maar echter (want Franse stank verveelt niet) bij geluk Franse en doorgaans Roomse haarvlechters, af aan stoute, snapachtige en dikwijls eerloze vrouwlieden, die verleidsters van de jeugd en koppelaressen van vuile lusten, schandelijke hoererij, verdoemelijk overspel en beklaagenswaardige huwelijken”. Zie daar opmerkelijke en helaas! Maar al te waarachtige woorden. Ach! dat er velen schaamrood door geworden waren!

 

En van wie nu worden Neêrlands gruwelen, waarvan ik maar de voornaamste heb opgegeven (want het getal ervan is meer dan het zand der zee) al gepleegd? Wij weten niemand uit te zonderen. Zij worden gepleegd van groot en klein, van arm en rijk, onder allerlei soort van mensen. Wij beleven dagen als voor de zondvloed, toen alle vlees zijn weg verdorven had op de aarde. En wat Noach al predikte en waarschuwde, bestrafte en bedreigde, zwoegde en zweette dag en nacht, het was op een steenrots geploegd. Hij werd bespot en verguisd (gelijk de boetpredikers dezer dagen nog hetzelfde lot ondergaan moeten) totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam. Zo de Geest in deze dagen deze stad eens doorging, als in Ezechiëls tijd, al de straten en stegen, al de markten en wijken, evenals God eens verklaarde Jeruzalem met lantaarns te zullen doorzoeken, (Zefanja 1:2) is het niet te vermoeden, dat Hij in het midden der stad onder vele grote vinden zou overmatige brasmaaltijden en trotse hovaardijen. En in de achterstraten der stad, onder vele kleinen, schandelijke hoererijen en ontuchtigheden, waarvan de onechte kinderen, die van daar menigmaal ons ten doop worden aangeboden, onweersprekelijke bewijzen zijn. Zo Abraham of een der patriarchen door deze stad en het ganse land eens heen toog, zijn oren zouden tuiten van al het vloeken en zweren, zijn hoofd zou omlopen van al die pracht en ijdelheid, zijn oog zou walgen van al die wulpsheid en onkuisheid, zijn haren zouden te berge rijzen van al die dronkenschap en dartelheid, die in Nederland worden gepleegd, en hij zou zeggen: “Ik zie, dat er geen vreze Gods in dit land is”. (Genesis 20:11) Zo er eens een tweede Calvijn verrees die de Magistraat der stad en het volk zo ernstig en ijverig aansprak, hoe zouden velen wonderlijk ophoren? Deze man Gods, door de raad van Geneve uitgebannen en daarna wederom van Straatsburg te Geneve ingeroepen, sprak in zijn eerste rede de raad der stad aldus aan: “Wilt gij mij weer in uw stad hebben, sluit er de zonden buiten. Hebt gij mij ter goeder trouw uit mijn ballingschap teruggeroepen, zo ban ook de gruwelen uit uw stad. Ik kan toch niet binnen uw veste tegelijk met dezleve wonen...... Ban uit uw stad de kroegen, de hoerhuizen, het dobbelen, de overblijfselen van het oude bijgeloof, rechte oneer voor uw stad en schandvlekken voor de gereformeerde naam...... Of jaag mij uit uw stad en zend mij weer in ballingschap, of maak strenge wetten omtrent de kerk, richt een heiliger discipline op en verban die pesten der zonden en stoot ze uit, ver buiten uw wallen en jurisdictie”. Ziet het er in onze dagen met steden en dorpen beter uit? Zit niet al wat boosheid heten mag in Nederland op de troon? En schijnt niet al wat deugdelijk, goed en eerlijk is, in ballingschap verdreven te wezen? Moeten we van het ganse land niet uitroepen: “Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! zij was vol rechts, gerechtigheid herbergde daarin, maar nu doodslagers”. (Jesaja 1:21)

 

Ik vraag nu, waar zijn de zuchters en uitroepers over al deze gruwelen? O! die zijn er zeer weinige, zelfs ook onder de vromen en Godzaligen. Een jonksken zou ze opschrijven. Indien de vrome Lot in het midden van ons woonde, hij zou er over zuchten, en dag op dag zijn rechtvaardige ziel kwellen, door het zien en horen van allerlei ongerechtige werken. (2 Petrus 2:8) Wat ons aangaat, wij mogen niet zwijgen, of de stenen zouden spreken. Wij hebben in last als gezanten Gods van de Hemelkoning tot u gezonden: “Roept uit de keel en houd niet in, verheft uw stem als een Bazuin en verkondigd Mijn volk hun overtredingen en de huize Jacobs hun zonden. (Jesaja 58:1). Gijlieden weet allen hoe wij van het eerste uur af aan met geen pluimstrijkende woorden onder u verkeerd hebben. Daarin hopen we door de genade Gods te volharden. Wij herinneren ook gestadig de last van God aan onze Ezechiël gegeven, een last die ook ons is rakende: “Mensenkind Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls, zo zult gij het woord uit Mijn mond horen en hen van Mijnentwege waarschuwen. Als Ik tot de goddeloze zeg: gij zult de dood sterven en gij waarschuwt hem niet…… Die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Doch als gij de goddeloze waarschuwt,………… en hij sterft in zijn ongerechtigheid, zo hebt gij uw ziel bevrijd”. (Ezechiël 3:17)

 

Zijn er niet, die in plaats van te zuchten en uit te roepen over de gruwelen des lands, van vreugde opspringen in het bedrijf der gruwelen? Godzalige zuchters en uitroepers worden voor dwazen gehouden en wel op de mond geslagen. ’t Is evenwel denkelijk, dat er nog al enige zuchters en uitroepers in het midden van ons zullen zijn. Die zijn het zout der aarde, het enige behoud van land en kerk in deze droeve dagen. Zo de Heere niet een weinig overblijfsels gelaten had, allang waren we Sodom en Gomorra gelijk geworden. (Jesaja 1 ) Waar zal men die nu zoeken? Zo de Geest Gods in onze dagen, als in Ezechiëls tijd, de stad eens doorging om te tekenen, Hij zou er zeker niet vele, maar weinige vinden, één uit een stad en twee uit een geslacht. (Jeremia 3:14 ) Evenals in de schudding eens olijfbooms 2 of  3 beziën in de top des oppersten twijgs, 4 of 5 aan zijn vruchtbare takken, (Jesaja 17:6). Ook zou de Geest die wel het meest vinden onder de armen en minst aanzienlijken der stad. Daar is nog in het midden onzer overgebleven een arm en ellendig volk, dat op de Naam des Heeren betrouwd, (Zefanja 2:12). Ik wil het getal niet bepalen, God kent degenen, die de Zijnen zijn. Maar ’t is zeker, dat Jezus, gelijk Hij in armoede geboren werd, Zich het meest onthoudt in de hutten onder armen en geringen. Zo is ten alle tijden geweest. Rijkdom en aanzien naar de wereld zijn twee hinderpalen ter bekering. Waarom Jezus zei, dat lichter een kemel of kabeltouw gaan door het oog van de naald, dan een rijke in het koninkrijk Gods. (Mattheus 19:24) Het is een groot wonder, wanneer een leraar in de kerk of een aanzienlijk uit het volk wordt bekeerd. Ten tijde van Jezus lees ik van een Joseph van Arimathea in het raadhuis en van een Nicodemus in de kerk als Jezus Zijn twee aanhangers. Maar daar was een gehele schare van armen en geringe, die Hem overal volgden. Zo was het in Paulus tijd, niet vele wijzen, niet vele machtigen, niet vele edelen. (1 Korinthe 1:26) En zo zal het ogenschijnlijk blijven tot aan het eide der Wereld. Kom dan aan! gij Godzalig zuchters en uitroepers, hetzij gij rijken, ’t zij gij armen zijt, gij  zijt Jezus ‘  ledematen en behoort tot dat kleine kuddeken, dat kleine hoopje der getekenden dat de Naam des lams op hun voorhoofden draagt. Is het uw plicht te zuchten en uit te roepen over al de gruwelen des lands, o wat schiet gij niet menigmaal in deze uw plicht te kort. Hoe gelijkvormig wordt men niet menigmaal aan de zondige gewoonten der wereldlingen. Hoe weinig indruk heeft men soms van de zonden en gruwelen der grwuelijke mensen. Hoe zeldzaam is men aan Lot gelijk, die in Sodom zijn ziel dag en nacht kwelde over de ontuchtige wandel der gruwelijke mensen, (2 Petrus 2:7) Komt gij tegen de gruwelijke zondaars bij alle gepaste gelegenheden wel uit door waarschuwingen, door bedreigingen van Gods oordelen? Want gij moet niet alleen zuchters van binnen, maar uitroepers van buiten wezen. Hebt geen gemeenschap, zo vermaand Paulus, met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer, (Efeze 5:11). Draagt gij de zonden en gruwelen des lands wel gedurig voor in gebeden? Dat Hij die gruwelen en gruwelijke zondaars stuiten wil, dat Hij Zijn oordelen daarover niet uitvoere, maar Hij ze liever geve een nieuw hart en een nieuwe Geest. Immers zo gij uzelf niet behoorlijk gedraagt, zo stemt ge met uw stilzwijgen de gruwelen toe. Gij krijgt er mede deel aan. En wanneer er dan een algemeen verderf kwam over het land, gij zoudt als niet getekende aan het voorhoofd, wanneer de engel des verderfs doortrok, naar het lichaam klaaglijk omkomen. En dat is het waarop des Heeren bedreiging ziet; “IK zal van u uitroeien de rechtvaardige en de goddeloze”. (Ezechiël 21:3) Zijt ge bevreesd en beschroomd dat als gij de gruwelen bestraft, de wereld u zal benadelen, u smaden en uitkrijten voor bedillers, naar geesten, geveinsden ( gelijk deze smaadnamen de goddeloze doorgaans op de tong liggen) vreest niet, zijt niet verslagen. Het is Gods zaak die gij voorstaat. Zo God met u is, niemand zal tegen u zijn. Gij moet Jezus gelijk zoeken te worden, in lijden, in hoon, in smaad, in verachting. (Mattheus 5:11) Kwam er dan een algemeen verderf over het land. Gij zoudt in de dag des kwaads een gerust geweten hebben over de kwijting van uw plicht. God zou u bewaren als het zwart Zijns oogappels. Gij zoudt uit verderf gered worden, als een Noach uit de zondvloed, als een Lot uit de brand van Sodom, als een Paulus uit de schipbreuk. En ten kwaadste genomen, al kwaamt gij om gij zoudt een reine ziel ten buit uitdragen uit het Sodom dezer wereld in het hemels Zoar daar boven, daar geen zuchtingen ooit zullen gehoord worden, maar een eeuwige blijdschap op hun hoofden zijn zal en daar alle tranen van uw ogen zullen worden afgewist.

 

AMEN!