Het Arminiaanse geraamte

of

de Arminiaan ontzenuwd en ontleed

door William Huntington, s.s.

 

Algemene Liefde ondervraagd

Beproeft de geesten of ze uit God zijn. 1 Joh. 4: 1.

Ik heb u onder mijn volk gesteld tot enen wachttoren, tot ene vesting; opdat gij hun weg zoudt weten en beproeven. Jer. 6: 27. Meester Algemene Liefde! ik heb enen lastbrief van de Koning der koningen om u te ondervragen en te beproeven, en genade ontvangen hebbende om in dit ambt gesteld te worden, hoop ik getrouw bevonden te worden, en slechts bij de wetten van het hemelse rijk te blijven. Ik bezweer u daarom, mij te zeggen van waar gij komt, en wat uw beroep is. Van welk land en van welk volk bent gij?

Antwoord: - mijn Vader is God, en ik geef onderwijs overeenkomstig zijn wet, gij zult uw naasten liefhebben als uzelf.

Indien God uw vader ware, zo zoudt gij Zijn vrijmacht erkennen, en gij zoudt Jakob liefhebben, maar in plaats daarvan haat gij Jakob, en strijdt voor Ezau, wie het zwaard, dat in de hemel dronken geworden is, over het hoofd hangt. Jes. 34: 5.

Als God uw vader ware zoudt gij hen beminnen die Hem liefhebben: Een ieder die lief heeft dengenen, die geboren heeft, die heeft ook lief dengenen die uit Hem geboren is. 1 Joh. 5: 1. Maar in plaats hiervan, hebt gij getwist tegen het getuigenis van al degenen die spraken zoals zij door de Heilige Geest geleid werden. Ja zelfs bent gij in oorlog met allen, die brandende en schijnende lichten in het land der levenden zijn. Gij hebt de lieden van de kansel geleerd het stervende getuigenis te beliegen van dien onversaagde en onbewegelijke kampvechter voor de waarheid, mijnheer Toplady: een mens die vast stond, en stierf in het zalige genot van God en in de meest volkomen verzekering van een overwinnend geloof, wiens geestelijkheid gij, met al uw sofistische draaiingen, wendingen, en valse constructies, die gij tegen hem gebezigd hebt, niet kunt ontkennen, want de onoverwinnelijke waarheid was zijn schild en beukelaar, Psalm 91: 1.

En ofschoon gij er velen geleerd hebt, om hem te beschuldigen dat hij bitter en gestreng was, zo waren echter de Geest en de kracht van Elia op hem. Hij streed voor God, droeg zijn zwaard niet tevergeefs, behield dapper het veld, weerstond alle dwalingen, was meer dan overwinnaar door uitverkiezende liefde, stierf in de strijd tegen het vlees, en onder de zaligste invloeden van de Koning, de Heere der legerscharen, geweldig in het strijden. En gij hebt uw leerlingen onderwezen om tegen hem op te staan met bedrieglijke woorden? Voorwaar, als hij leefde dan zou hij uw daden gedenken.

Voorts ben ik onderricht dat gij uw leerlingen onderwezen hebt, om de Christens Reis door John Bunjan te veranderen. Eilieve, wat vermeet gij u om zulk een kostelijk werkstuk aan te randen en u te bemoeien met het vak van ketellappers? Gij hebt vals en onedel metaal in deze

gouden schei gemengd, Exod. 39: 26. Voorwaar, als hij leefde, hij zou duizend gaten in uw klinkende schel stoten om het verzamelen van al dat schuim in zijn goud, hetwelk de Almachtige door zovele vuren zuiverde. Wat zegt gij van deze dingen? Hoort gij niet hoeveel beschuldigingen men tegen u inbrengt? Gij zegt, ik heb dat boek veranderd, maar het was uit liefde tot mijn naasten opdat alle mensen het zouden kunnen verstaan. Maar hoe kwam gij er toe, om tegen God te strijden? Hij zegt, dat Hij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen heeft, en ze de kinderkens heeft geopenbaard, Matth. 11: 25. En welk recht hebt gij om de heerlijkheid van Zijn verborgen parels te verdonkeren, en ze dan voor de zwijnen te werpen? Matth. 7: 6.

God heeft Zijn getuigenis onder de discipelen gebonden, en Zijn gehele verborgenheid in een verzegeld boek gelaten, Jes. 29: 11. En gij hebt gepoogd het brede zegel des groten Konings te openen, hetwelk de zedigheid en welbewuste onbekwaamheid der engelen weigerde te ondernemen? Openb. 5: 2. Zelfs toen in de hemel de vraag gedaan werd, was er een half uur stilte, Openb. 8: 1. Maar gij, alle wijsheid opgekocht hebbende, hebt uw leerling tot enen tweede paus gemaakt, een ander onfeilbaar hoofd opgericht, en de schatten des Almachtigen geplunderd, door menselijke geleerdheid, toverkunst, en valse samenstelling te onderwijzen, en weg te redeneren, wat niemand kan bevatten door de stekeblinde rede. En dus schijnt gij een andere sleuteldrager, die handen des gewelds hebt geslagen aan des Zaligmakers gordel, die alleen de sleutels heeft van de hel en de dood.

Deze dingen hebt gij gedaan, ja zelfs hebt gij zielen geleerd om de volmaakte gehoorzaamheid van Christus te verfoeien en te verzaken; welke, eenvoudig geloofd zijnde, velen rechtvaardig maken zal, Rom. 5: 19. Maar gij hebt uw leerlingen onderwezen om de gehoorzaamheid van Christus, die velen zal rechtvaardigen, toegerekende onzin te noemen; en dat zij zouden betrouwen op vleselijke gehoorzaamheid, die God een spinnenweb noemt, Jes. 59: 5. Het Evangelie openbaart geen andere rechtvaardigheid, om zondaars voor God te rechtvaardigen, dan alleen de gehoorzaamheid van Christus. Deze rechtvaardigheid zullen de hemelen verkondigen, niet de aarde, Rom. 1: 16, 17. Zij is Gods gerechtigheid, niet die des mensen, Jes. 54: 17. Maar gij hebt de mensen geleerd, om ene eeuwige gerechtigheid te weigeren, die alleen goddelozen kan rechtvaardigen (Dan. 9: 24), en op ene rechtvaardigheid leren betrouwen, waarvan God zegt dat zij hen nooit enig nut zal doen, Jes. 57: 12.

En gij zegt dat uw naam Algemene liefde is, dat God uw vader is, en dat gij ene vrucht van de Heilige Geest bent. Hierin liegt gij tegen God de Vader, God de Zoon, en God de Heilige Geest; want als God uw vader ware, zoudt gij, als Liefde, alle dingen geloven die in de bijbel staan; want de liefde gelooft alle dingen, 1 Kor. 13: 7. Als God uw vader was zoudt gij doen als degenen die de wet Gods liefhebben naar de inwendige mens, en de stem Gods daarin gehoorzamen, want God gebiedt aan zijn predikers om het beste kleed aan te brengen voor elke terugkeerenden verloren zoon (Luk. 15: 22); hun hongerige zielen te spijzigen met het brood van de hemel en met het gemeste kalf, hun voeten te schoeien met die vrede, die Christus bereid heeft; hen een ring te geven, als een ontwijfelbaar teken van deze onvernietigbare huwelijksvereniging met de Zoon van God; aan hun zielen te verklaren dat zij gevonden zijn en dat zij voor eeuwig leven; hen te strelen met ene zalige voorsmaak van de muziek van de hemel (Luk. 15: 24); hen een geestelijke kus te geven om hun vrees uit te drijven; om hun twijfelen aan Zijn gunst te vernietigen; en om hen aan te moedigen tot ene heilige vrijmoedigheid, waardoor zij dan met die kus tot de Zoon gaan, om Hem te ontmoeten: kust de zoon opdat Hij niet toorne. Welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen, Psalm 2: 12.

Maar gij, mijnheer Liefde dringt uw leraars niet om dit te doen als dienstknechten (Matth. 20: 27), want gij plaatst hen op de stoel van Mozes, en onderwijst hen om zelf wetten te maken. Zij worden tuchtmeesters, zij zetten de lieden aan het werk zonder klederen, schoenen, levensmiddelen noch gereedschappen. Gij zegt dat het beste kleed onzin is, dat de ring der eeuwige liefde in een ogenblik kan verloren worden, dat zij die dezelve bezitten een finale scheidbrief kunnen ontvangen; en dat zij, die gestreeld worden met hemelse muziek en die huppelen in de grote zaal der Evangelische vrijheid, Antinomianen zijn. Gij leert blinde gidsen strijdigheden prediken, en doden aan het verrichten van onmogelijkheden zetten. Tot de doden zegt gij: op, aan het werk; tot de melaatsen: reinigt u, tot de bedrukte ziel, wees volmaakt in het vlees. en tot hen die blind van trotsheid zijn, dat zij het volkomen verkregen hebben, en dus begenadigd zijn. Zo leert gij de mensen de rechtvaardigen te verdoemen door te zeggen dat zij Antinomianen zijn; en de goddelozen te rechtvaardigen, door de trotse en onkundige huichelaar te zeggen dat hij volmaakt is; terwijl hij inderdaad door zijn geestelijke boosheid en hardigheid van het hart in de tweede duisternis is, die een zeker onderpand is van de derde en onder de tweede vloek, die van ongevoeligheid. Ongevoelig te zijn is tegen de wet en het Evangelie beide verhard te zijn. Maar deze hebt gij het liefst en rechtvaardigt hen, zeggende dat zij rechtvaardig zijn in het vlees, zelfs gelijk God volmaakt is, God vlees en bloed makende gelijk zij zijn: die tot de goddeloze zegt: Gij bent rechtvaardig; dien zullen de volken vervloeken, de natiën zullen hem gram zijn, Spreuk. 24: 24.

Mijnheer Algemene Liefde gij bent een leugenaar, een misleider, een bedrieger en een dief; een leugenaar door God uw Vader te noemen, daar gij een opstandeling bent tegen Zijn wetten; een misleider omdat gij, onder de naam van Liefde een rover bent; gij loopt met de sleutel der kennis weg; gij verbergt de vaste spijze der eeuwige uitverkiezing, die de zwakke knieën moet versterken; gij hebt het beste kleed gestolen en verborgen en de armen zonder enig deksel in de koude gelaten, Job 24: 7. Gij bent een bedrieger, omdat gij zegt dat uw naam Algemene Liefde is, terwijl gij slechts een Ismaëliet bent. Elk godvrezend mens is tegen u, en uw hand is tegen al de kinderen van de vrije vrouw. Gij haat elke erfgenaam der belofte en strijdt voortdurend voor hen, die God verworpen heeft.

Indien uw Liefde uit God was; dan zoudt gij zielen leiden tot de berg Zion, en tot het hemelse Jeruzalem, tot de gemeente der eerstgeborenen die in de hemelen opgeschreven zijn en tot de geesten der volmaakt rechtvaardigen. Heb. 12: 22. Maar, in plaats van dit, strijdt gij voor verworpelingen, hetwelk bewijst dat uw genoden zijn in de diepte der hel. Spreuk. 9: 18. Algemene Liefde, wat zegt gij op al deze dingen?

Antwoord. Ik getuig tegen de toegerekende gerechtigheid van de zondaar, alleen omdat ik bevreesd ben, dat zij hun eigen zullen verliezen. En, wat de verkiezing betreft, ik leerde ze die verwerpen, vrezende dat zij lui zouden worden, en, door hen dit voor te houden, krijgt God meer werk van hen.

O gij listige schijnheilige! ik zie door uw masker heen; gij bent ene van die vossen die de wijnstokken verwoesten. Gij strijdt tegen toegerekende gerechtigheid, die alleen kan behouden, om te vertrouwen op ene die niet verlossen kan. Zo leert gij boosheden bedrijven; de springader des levenden waters verlaten, en ene gebroken bak uit houwen, die geen water kan bevatten, Jer. 2: 13, een bruiloftskleed te verwerpen, Matt. 22: 11, en in een wegwerpelijk kleed te staan. Jes. 64: 6. Voorwaar, als uw liefde uit God was, dan zoudt gij doen gelijk Christus gebiedt: Simon, hebt gij Mij lief? Zo weidt Mijn schapen, Joh. 21: 16. Ja gij zoudt hun spijze niet achterhouden, opdat er ene grotere taak volvoerd zou worden, maar gij zoudt doen gelijk Christus deed; Hij gaf hen eerst vaste spijze: verblijdt u dat uw namen zijn opgeschreven in de hemelen, Luk. 10:20. Dan vult hij hun buik ook: kinderkens, hebt gij ook enige toespijs? Zij antwoorden neen. Komt, zei Hij, dan eten, Joh. 21: 12. Dan heft Hij Zijn handen op en zegent hen en zegt dat Hij met hen is al de dagen, Matth. 28: 20.

Op de dag van het Pinksterfeest vervulde Hij hen met de Heilige Geest, Hand. 2: 4. Toen gingen zij uit en arbeidden, en de Heere werkte met hen, bevestigende het woord door tekenen, Mark. 16: 20. Christus is een Priester naar de ordening van Melchizedek. Hij zegent hen eerst, ontmoet hen met brood en wijn, en ontvangt dan Zijn eigen vruchten. Maar gij hebt hem gemaakt tot enen priester naar de wet van het vleselijk gebod in plaats van naar de kracht des onvergankelijke levens, Hebr. 7: 16. En door deze middelen hebt gij zielen geleerd de offeranden Gods te verfoeien; ja, gij hebt zulke dwaasheid van menselijke leringen geleerd, dat gij de weg van velen verkeerd hebt, totdat hun harten zich tegen de Heere vergramd hebben, Spreuk. 19: 3. Als uw naam en aard Liefde was, dan zoudt gij de hongerigen spijzigen en de naakten kleden; en niet de vaste spijze op jezuïtische wijze wegsluiten in ene kast, opdat het volk des te harder zou werken. Wie kan werken en doodhongeren? Wij zeggen gewoonlijk, dat lieden die hard werken goede voedzame spijze behoeven; maar gij zendt ze in de woestijn met ene kruik water op hun rug, en daar mogen zij werken en dwalen, totdat zij genoodzaakt worden boogschutters te worden. En zo komt het, dat anderen er schoner en vetter (door het geloof etende) uitzien dan kinderen van hun soort, terwijl zij niet tevreden zijnde met de draf, dikwijls hun boog in het verborgen spannen en schieten op de oprechten van hart. Gij hebt niet slechts zielen geleerd. JEHOVAH ONZE GERECHTIGHEID die onze RECHTVAARDIGE GOD en HEILAND is, en RECHTVAARDIGER van degenen die geloven, Rom. 4: 5, te verwerpen, maar gij hebt zielen leren wantrouwen aan de arm des Heeren, door de volkomen volharding van Gods uitverkorenen te ontkennen; in de Heere hebben wij gerechtigheden ter rechtvaardiging en sterkte, om voort te reizen en te overwinnen, Jes. 45: 24.

Wij worden geboden om voort te gaan in de kracht van de Heere God; en om Zijn gerechtigheden te vermelden, de Zijne alleen, Psalm 71: 16. God heeft beloofd ons te sterken en te ondersteunen, Jes. 41: 10, en om te zeggen dat wij sterk in Hem zijn, wanneer wij niets dan zwakheid in onszelf hebben, Joël 3:10, Niemand zal ons uit Zijn hand rukken, Joh. 10: 28. Ofschoon de gelovigen vallen, zij zullen niet weggeworpen worden want de Heere ondersteunt ze met Zijn hand, Ps. 37: 24. Maar gij hebt hen zwaar gedrukt, opdat zij zouden vallen, door zielen te. vertellen dat zij vandaag konden staan en morgen in de hel neerstorten. Zeker moet dit hun vertrouwen op de Almacht Gods verzwakken. En dit bewijst dat gij een oproerprediker bent, door het ongeloof aan te moedigen; want die niet gelooft zal verdoemd worden, Mark. 16: 16.

Zo predikt gij tegen de vrijmacht van ons uitverkoren Hoofd en fundament, Christus Jezus, door wankelbare verkiezing; gij predikt de eeuwige gerechtigheid Gods omver, door haar toerekening te ontkennen; en gij predikt de Alomtegenwoordigheid Gods weg, door onze volharding daarin te ontkennen; en dan roept gij uit: ziet! hier is de Christus, in deze geheimzinnige kamer der verbeelding! Maar wij geloven het niet, want gij spreekt vals in de naam des Heeren, Jer. 27: 15. Dan noemt gij uw naam Liefde, wanneer inderdaad uw naam en aard niets anders zijn dan dieverij. Gij hebt God tegengestaan en Zijn kinderen van haar brood beroofd: dit is ene tweeledige heiligschennis. Wanneer zult gij dit bedrijf van grijpen, stelen, liegen en kwaadspreken vaarwel zeggen? O, Gij wandelende pestilenties kruipende in de duisternis, wanneer zult gij uw harige mantel afleggen en ophouden te bedriegen? Zach. 13: 4. Wat zal u geschieden, o gij bedrieglijke tong, Job. 13: 7. Uit uw eigen mond heb ik u geoordeeld, gij boze dienstknecht. Gij erkende dat gij de vaste spijze in de kast opsloot, opdat zondaars des temeer zouden werken. Voorzeker is een heiligschennende Jezuïet tweemaal erger dan een bedelmonnik! Gij bent te trots om te bedelen, maar niet te eerlijk om te stelen. Uw ellendige naam Liefde, is slechts partijdig; gij acht duivelen, oproerlingen, schijnheiligen en redeloze beesten, maar hebt niet meer ontferming met de eerlijke heiligen Gods, dan Zijn onbarmhartige heiligheid de Paus van Rome, toen hij door de wetten van Zijn bloedige inquisitie hen als Ketters genoemd en gedoopt heeft.

Indien iemand in uw vergaderingen komt, die de satanische streek van het verwringen der schriften en twisten tegen Gods wezenlijke leerstukken geleerd heeft, en die een hater der verkiezing is, met een somber gelaat en een Nazareens hoofd, die trots roemt over zijn eigen volmaaktheid, ofschoon Hij God openlijk in het aangezicht beliegt, prijst gij hem (1 Joh. 1: 8). Nochtans is zodanig de mens die bij Moab zal wonen, en Moab wordt hem ene schuilplaats van vrije genade, die gezegd wordt een verwoester te zijn. Maar als God ene ziel in vrijheid stelt, dan wordt hij door u uitgeworpen als ene afschuwelijke rank, opdat gij de anderen niet aansteekt. Als Liefde het zout uitwerpt, dan heeft zij slechts de naam, maar verliest de kracht; en hoe moet haar familie er mee gezouten worden, als gij zegt dat zij niet deugt voor uw land noch voor uw mesthoop?

De oude Thomas Brown, een wever te Gainsborough in het graafschap Lincoln, zat, onder ene vereniging van algemene liefhebbers, twintig jaren in boeien van schuld, met zijn oren gestreeld door een aanvoerder, die hem lang geboeid had met deze ijdele herhaling: komt, mijn waardsten! laat ons ons opmaken en bezig zijn; hetwelk het zingen was van een lied der minnen voor een bezwaard hart. Maar God, ten laatste medelijden hebbende met zijn langdurige ballingschap, paste deze waarheid met kracht en vertroosting op hem toe: Ik zal de blinden leiden door de weg dien zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden die zij niet geweten hebben, Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten, Jes. 42:16. De arme man de zoetigheid der belofte smakende, ging naar de vergadering, toonde de belofte aan de aanvoerder, en vertelde hem de blijdschap, waarmee zij kwam. De aanvoerder, die bijna volmaakt in zijn eigen ogen was (de paus gelijk), rukte de bijbel uit zijn handen, vroeg hem bits of hij een Antinomiaan geworden was, en zei hem, zijn eigen zaligheid uit te werken met vrezen en beven, wanneer God in hem beide het willen en volbrengen gewerkt had. Weinige dagen daarna ging de voorganger weer naar hem toe, en hem in de bijbel vindende lezen, nam hij die weg, hetwelk de arme zich zeer bedroefde. Eindelijk kwam hij mij horen, en God verloste hem; van die tijd af is hij altijd verworpen geweest van die volmaakte vereniging van algemene liefhebbers, omdat hij door de Geest volmaakt is geworden gelijk Zijn hemelse Vader volmaakt is, Matth. 5: 48.

Als Algemene Liefde de algemene verlossing vasthoudt, en dat Christus voor allen stierf, waarom dan niet eveneens voor hen die wedergeboren zijn uit de Heilige Geest, als voor Kaïn en Ezau? En als de Bijbel de leerstelling der verwerping niet bevat, noch de aarde zulke inwoners, wat zal er dan van Thomas Brown worden? Algemene Liefde heeft hem uitgeworpen, afgesneden en verworpen. Het schijnt alsof deze soort van liefde Gods recht van verkiezen en verwerpen vernietigd heeft, alleen om haar eigen vrijmacht op te richten. Maar hoe een gebouw van hooi, strooi, en stoppelen moet staan, opgericht op de puinhopen van Gods vrijmachtig recht, dat weet ik niet. Als Gods eer in het stof vertreden wordt, dan heeft Algemene Liefde weinig reden, om te verwachten dat Hij de hare zal verhogen: die Mij eren zal Ik eren, maar die Mij versmaden zullen licht geacht worden. 1 Sam. 2: 30.

Zo wordt de arm des Heeren, waarvan hier gesproken wordt om zondaars te leiden op paden die zij niet geweten hebben, verworpen en vrije wil en menselijke kracht opgericht. Voorwaar, dit is de wet Gods krachteloos maken, en het evangelie vernietigen, door deze oude manier van de dille, de munt en het komijn te vertienen, en barmhartigheid en geloof te verzaken, die betracht moeten worden. Matt. 23: 23. Een mens te haten en te verlaten, omdat de genade Gods hem opgericht heeft, is ene vreemde manier van liefde te betonen. Evenwel was dit de wijze, waarop Saul zijn liefde tot David deed blijken. De Heere zond een boze geest in Saul, maar Hij stond Zijn knecht David bij; daarom moest David het hof ontvluchten of met de spies gedood worden. Saul werd voortdurend Davids wederpartijder, omdat God zijn vriend was. Als ene reine liefde tot de beste der mensen, om Christus' beeltenis in hen, het kenmerk van een ware heilige is, wat zullen wij dan van deze liefde zeggen? Evenwel was Saul niet zonder liefde; hij verhoogde Doëg de Edomiet, omdat hij zeventig priesters Gods gedood had; en verhief hem van zijn vorig ambt als deurwachter tot dat van heer over het huisgezin. Deze betrekking was de bloedprijs. 1 Sam. 21: 7 en 1 Sam. 22: 18. Algemene Liefde toont verder haar medelijden in Saul. Daar kwamen de Zifieten, en zeiden tot Saul: heeft David, de Calvinist, zich niet bij ons verborgen? Nu dan, o Koning! kom spoedig af naar al de begeerte van Uw ziel, en schoon hij niets kwaads gedaan heeft, nochtans komt het ons toe, hem over te geven in de hand van de koning. Dit bewoog de ingewanden der algemene. liefde van Saul en hij zei: gezegend zijt gijlieden de Heere, dat gij u over mij ontfermd hebt. Gij gezegende verraders, en gij, Doëg de moordenaar, bent mijn beste vrienden! Maar wat David betreft, hij is een van de uitverkorenen, de Geest Gods is in hem, de zalving op hem, genade is hem verzekerd, en de eed Gods beveiligt hem; daarom haat ik hem. Nochtans is de vrijmachtige Heere God van Israël met hem, en heeft hem verkoren; en door het geloof is hij rechtvaardiger dan ik ben. En God heeft hem het koninkrijk gegeven door een zout- of genade verbond, en hem boven mij en mijn gehele huis uitverkoren. Daarom zijn deze vrijmachtige Heere en zijn uitverkorene vaten, de vreselijkste pijnigers die ik heb.

En nu zal Saul ergens anders zijn toevlucht nemen; Zoek mij een vrouw die een waarzeggende geest heeft. 1 Sam. 28: 7. Want alhoewel hij God en Samuël tot zijn vijanden gemaakt had om de verwerping van het woord der waarheid, toch wil hij ergens een vriend hebben, al was het de duivel zelf; en daar hij zeer voor uitwendige dingen was, wil hij Samuels mantel hebben als hij hem zelf niet kon krijgen. 1 Sam. 28: 14. Doe mij Samuël opkomen.

Vroeger had Saul, in zijn ijver voor God, de tovenaars uit het land uitgeroeid; maar toen hij de vrijmacht van zijn Formeerder zag in de verkiezing van David, ging hij naar een van die toveressen met een gebed in de mond: voorzeg mij toch, door de waarzeggende geest, 1 Sam. 28: 8, maar bevond, gelijk Haman door Zeres bij zijn vrouw, dat hij voor deze ware Israëliet moest vallen, gelijk Haman deed voor Mordechai; en in zijn eigen kuil storten, door zijn eigen raad. Evenwel daar hij een vriend was geweest van de familie van de satan, en een beminnaar van Doëg en de verraderlijk Zifieten, begint satans dochter hem te troosten: Zo hoor toch gij nu ook naar de stem van Uw dienstmaagd, en laat mij een beet brood voor u zetten, en eet. Maar hij weigerde, in spotachtige zedigheid, echter overhaalde zij hem. O hoe ellendig is de toestand van een vleselijke belijder, als God zijn vijand wordt!

Saul was een man, die zijn eigen gerechtigheid zeer graag voor de mensen zag verheerlijken. Hij verzocht Samuël, hem voor Israël te eren, ofschoon God hem verworpen had; zijn koninklijk ik was zo verlekkerd dat het op niets kon leven dan op mensen lof; hij kon zich niet verzadigen in Christus, die in elk offer geopenbaard werd dat hij zag opofferen: maar alhoewel hij niet kon eten van het gemeste kalf der schrift, toch kon hij eten van dat hetwelk door de toveres te Endor toebereid was. 1 Sam. 28: 25. Algemene Liefde was toen partijdig van aard zowel als nu; als zij de arme oude Thomas Brown haat, zo heeft zij toch huichelaren lief. Dit blijkt in Saul; hij zal het leven van David vervolgen door al de duizenden van Juda, maar als hij de toveres te Endor vindt, zweert hij bij de Heere, de God der legerscharen, dat hij haar niet zal doden, 1 Sam. 28: 10, schoon God zegt: de toveres zult gij niet laten leven. Exod. 22: 18. Dit medelijdend beginsel had tevoren zijn medelijden betoond in de behoudenis van Agag. 1 Sam. 15: 19. Maar Samuël, de ijverige voorspreker voor God, bezat deze liefde niet en hieuw hem aan stukken voor de Heere of in Zijn tegenwoordigheid, als ene zaak die Hem behaagde, omdat zijn zwaard vrouwen kinderloos gemaakt had. 1 Sam. 15: 33.

Ik kreeg eens enige gedichten in handen, die geschreven waren door een volmaakt mens, althans van iemand die zich op die hoogte waande en een grote voorvechter voor de liefde, of algemene liefde is; in dat dichtstuk werden alle evangeliedienaars, die de gehele raad Gods verkondigen, kinderen des duivels genoemd, met deze woorden:

Hoort het hels monster! hoe gaat het te keer!
Voor u stierf de Christus en voor niemand meer.
Zijn kinderen luisteren naar al dit schallen,
En jubelen: Christus stierf geenszins voor allen!

Gezanten des vredes worden hier kinderen des duivels genoemd, en, omdat Christus zei dat Hij niet voor de wereld bad, noch voor de bokken stierf, en aan sommige lieden zei dat zij niet van Zijn schapen waren, worden wij, die dit vasthouden, luisteraars naar de satan genoemd, en het prediken van deze waarheden noemt men een juichen voor de duivel. Dit is ene vreemde taal voor een volmaakt mens; en als zijn liefde algemeen is, dan heeft hij ene zeer zonderlinge manier van dit aan de evangeliedienaars te tonen; want ofschoon hij niet toe wil staan, dat God zondaars verwerpt, toch zal hij hen verwerpen, die de waarheid prediken. Dit schijnt ene vernieuwing van de oude leer, die licht duisternis noemt en duisternis licht; zonde heiligheid, en heiligheid zonde. Jes. 5: 20.

Deze wondervolle liefde is zo teer over de val des mensen, dat zij hem niet kan toestaan geheel verdorven te zijn, maar dringt er op aan, dat de mens nog kracht heeft om goed te doen, om tot Christus te komen en het talent te verbeteren dat hij met zich in de wereld gebracht heeft. En het wordt verklaard dat de uitnodiging van Christus tot zondaars, om tot Hem te komen, in zich sluit dat zij daartoe de kracht hebben: ware het anders dan zou Christus hen met een vruchteloos roepen bespotten. Ik lees dat Hij Lazarus riep, en dat Lazarus dood was en reeds riekte, maar toen het Woord van de koning uitging was er kracht. Pred. 8: 4. De kracht was in de roeping, niet in Lazarus. En ik geloof dat de zondaar naar de ziel even dood is als Lazarus zulks lichamelijk was; en dat hij veel erger riekt, want Lazarus stonk slechts vier dagen: maar hij die zegt ik ben heiliger dan anderen, is een rook in Gods neusgaten, en een vuur de gehele dag brandende. Jes. 65: 5.

Ik weet dat Christus zegt: niemand kan tot Mij komen tenzij de Vader hem trekke, Joh. 6: 44. Evenwel zeggen sommigen, dat hij kracht heeft, of Hij spot met ene vruchteloze roeping. Christus zegt: zonder Mij kunt gij niets doen. Als wij nu zeggen, dat een mens kracht bezit, en uit liefde tot de gevallen natuur, roemen in de oprechtheid van zijn wil, in de waardigheid van zijn natuur, en in zijn onverduisterde rede, zoals sommigen dit doen, en de mens aansporen om deze leugens te geloven, waar is dan hun liefde? Ik kan niet zien dat zo iemand enige liefde heeft, noch voor Christus, noch tot de zondaar, noch tot zichzelf. Hij heeft ze niet tot Christus, omdat hij Zijn woord tegenspreekt. Hij heeft ze niet tot de zondaar, omdat, alhoewel hij hem geleerd heeft op zichzelf te vertrouwen, hij nochtans zijn ziel niet redden kan noch zeggen: is er niet een leugen in mijn rechterhand? Jes. 44: 20. Evenmin heeft hij enige liefde tot zichzelf, want zijn vals getuigenis maakt hem tot zulk een die God haat: Zes dingen haat de Heere, ja zeven zijn Zijn ziel een gruwel; een vals getuige die leugen blaast; en die tussen de broederen krakelen inwerpt, Spreuk. 6: 16, 19.

Deze wijze van algemene liefde te tonen is zeer vreemd, omdat het slechts het vlees verheft en de hoogmoed voedt; en hij, die predikt om gevallen mensen te verheffen, kan nooit God verheerlijken, of zielen verlossen; en daarom is zijn voorgewende liefde niets waard; want een waarachtige getuige redt de zielen, Spreuk. 14: 25, maar een valse getuige bedriegt zijn naaste, zowel als zichzelf. een, vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugens blaast zal niet ontkomen, Spreuk. 19:5. Ik kan niet vatten dat het ene liefdedaad is om vrije kracht onder de mensen op te richten, of liever om hen daarin te versterken: zij is opgericht geweest sedert Eva begeerde God gelijk te zijn, Gen. 3:5. Welk nut heeft de vrije wil voor zielen gedaan, dat de liefde zoveel ten behoeve van haar te zeggen heeft. Wel, zij heeft Christus verworpen: "wien wilt gij dat ik u overleveren zal?" Vrije wil zegt: Barabbas. Wat zal ik dan doen met Christus? Vrije wil heeft Hem uit nijd overgeleverd, en begeerde dat een moordenaar zou worden los gelaten in Zijn plaats, Hand. 3: 14. En het is vrije wil tot op deze dag die de scepter der genade verwerpt! "Wij willen niet dat deze Koning over ons zij" was altijd, en zal altijd haar taal zijn.

Het eeuwige leven is in Christus, maar de vrije wil wil het niet aannemen: gij wilt niet tot Mij komen, opdat gij het leven hebben. Ik ken er geen die schoner beloften doen dan vrije wil, noch slechter vervullen: zoon, ga heen, werk heden in mijn wijngaard; dat is genoeg voor een vrije wil drijver, hij behoeft geen beloften noch hulp. "Ik ga, heer" zei hij Matth. 21: 30, maar ons wordt bericht dat hij niet ging. Israël van de oude dag zei tot Jozua: alles wat de Heere zegt zullen wij doen; maar Jozua zegt: gij kunt niet. Joz. 24: 19. En zo bevonden zij het ook. Want zij offerden hun kinderen aan de duivelen, en het land was door bloedschulden ontheiligd. Ps. 106: 38.

Wordt deze vrije wil door Algemene Liefde opgericht? Zo schijnt het. Dan komt mijn ziel niet in haar verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met haar vergadering: want in haar toorn tegen de waarheid heeft zij er velen doodgeslagen en in haar vrije wil tracht zij de muur van vrije verlossing te ondergraven; vervloekt zij zulk een toorn, want hij is heftig; en zulk een toornigheid tegen de zielen, want zij is hard: Ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israël. Gen. 49: 6, 7.

Ik geloof dat een vrije wil drijver de grootste vijand is van ene levende ziel, en dat hij de zwaarste straf verdient, omdat hij op zijn wil, macht en diepe kennis roemt en zegt: zijn wij ook blind? Het is een belediging hem te zeggen dat hij blind is; nochtans laat hij zichzelf omkomen, met al deze edele voorraad van onverbeterlijkheid. De Schrift meldt ons dat zij die tot de maaltijd genodigd waren, zich zochten te verontschuldigen, en op hun woord gehouden werden, en van het feest werden uitgesloten. Geen enkele ziel komt er in voor dat er dwang ondervonden wordt: Ga, dwing zij om in te komen. Dan komen zij; breng die ook; en het huis was vol van de genoden. Nu, wij moeten ze overlaten aan de barmhartigheid van Hem die gezegd heeft: die des Heeren wil weet, en die niet doet, zal met dubbele slagen geslagen worden.

Algemene Liefde schijnt iemand te zijn, die God niet lief heeft noch de zielen der mensen acht. Eilieve, welk recht hebt gij om arme zielen, die hun behoefte naar Christus gevoelen, naar de Kerk te zenden - ik bedoel naar zulk ene zijner afdelingen die niets dan blinde leidslieden onder hen hebben? Christus zegt: zij zullen u uit de synagoge werpen, maar gij jaagt hen er in. Zo drijft gij die zielen rechtstreeks in de mond der Goddelijke bestraffing; waarom zoekt gij de levenden onder de doden? Christus is geen blinde gids; Hij zegt: gaat uit het midden van hen; scheidt u af. Maar gij leert de mensen zeggen, houdt u onder hen, blijft verenigd. Dit is ene duidelijke tegenspreking tegen Gods woord. Evenwel zal die mens nooit de mond Gods zijn, [dan] "die het kostelijke van het snode uittrekt". Jer. 15: 19.

Blijkt daarin uw liefde tot zielen om hen naar blinde leidslieden heen te zenden? En als zij daar komen, bidden zij om verlost te worden van blindheid des gemoeds. Gij leert de lieden de verkiezing ontkennen, en toch zendt gij hen naar de gemeente om God te bidden, dat Hij zijn uitverkoren volk verheugt. Eerst leert gij zielen de leerstelsel der gevestigde kerk ontkennen en dan zendt gij hen naar de kerk om ze te belijden. Zij worden geleerd God te weerspreken en dan gezonden om Hem te bespotten. Waarlijk die liefde kan van weinig nut voor mijn ziel zijn, die mij leert om God te weerspreken en enen groten mond tegen Hem op te zetten. O liefde! gij bezigt de tong des bedrogs, gij graaft enen put voor uw vrienden. Job 6: 27.

Het gehele werk der voorgewende liefde schijnt niets anders te zijn dan het met elkaar verzoenen van Christus en de satan, de waarheid en de dwaling, heiligen en zondaars, maar de stoel der schadelijkheden zal geen gemeenschap hebben met God, noch zij die moeite verdichten bij inzetting, Psalm 94: 20. welke gemeenschap heeft de gelovige met de ongelovige? Ik weet het niet, Paulus, gij moet Algemene Liefde deze vraag doen, het is alles haar werk. Als iemand in mijn huis ene menigte tovenaars, waarzeggers, heidenen, dieven en moordenaars wilde inbrengen en ze met mij en mijn huisgezin verenigen, zou ik zulks geen zeer liefelijke daad vinden; en zij die Christus en de satan verenigen, zullen niets dan wraak van Hem ondervinden voor hun moeite - wat heeft het kaf met het koren te doen?

Waarlijk, de familie van onze Heere, die Hij in de eeuwigheid ontving, en van uit de mensen verloste, moeten zo niet met heidenen onder elkaar gehutseld worden. Maar dit alles is de edele uitwerking van de vrije wil, het vrije denken, en de voorgewende liefde. Pope zegt: Schoon God de natuur in het noodlot vastklonk, nochtans liet Hij de menselijke wil vrij. En hij heeft met God en zijn heiligen gehandeld zoals al de vrije wil drijvers doen, namelijk de hemel, de aarde, en de hel dooreen geschud. Maar Gods kloof is gevestigd, en geen vrije wil drijver zal ooit de zeilen van menselijke verdienste uitspreiden, noch de mastboom vrije wil kunnen stijf houden, noch de riemen van menselijke uitnemendheid bezigt, om die onpeilbare kloof over te komen. Jes. 33: 23. En bovendien, tussen ons en ulieden is ene grote kloof gevestigd, zodat degene, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, nog ook die daar zijn van daar tot ons overkomen. Luk. 16: 26.

Algemene liefde werkt wonderlijk op die geleerde vereniging der deïsten. Zij openbaren dezelfde vijandschap tegen de vrijmachtige God des heelals, en Zijn geopenbaard woord, even als de Arminianen en roomsgezinden doen; maar zij zijn zo teer jegens opstandelingen en redeloze dieren als iemand op aarde. Ik geloof dat de leer van Pythagoras uit deze wortel ontsproot, namelijk de dierlijke driften der ongeheiligde natuur; en wij hebben er in onze dagen velen die dwalingen voorstellen tot het verderven van vele zielen en echter zo teer jegens redeloze dieren en insecten zijn, dat zij ene vlieg zouden kussen en er van huiveren om een worm te bezeren.

Niet lang geleden was ik in gezelschap met een heer, die Christus belijdt, ik moest de avond met hem doorbrengen en de nacht bij hem logeren. Ik bevond dat zijn hoofd wonderlijk goed was opgevuld met de leerstelsels van het duizendjarig rijk, of de duizend jaren van Christus persoonlijke heerschappij op aarde. Ik gaf hem te verstaan, dat ik geloofde, dat de hemelen Christus moesten ontvangen tot de tijden der wederoprichting van alle dingen (Hand. 3: 21); en dat Hij niet gezien zou worden, totdat Hij opgestaan was van enen genadetroon, de deur der barmhartigheid had gesloten en op enen troon des gerichts verscheen. Hij had evenwel wonderlijke begrippen van de toekomstige duizendjarige regering: heden zult gij Zijn stem horen. Echter een hart door genade opgericht is beter dan een hoofd opgevuld met denkbeelden van een toekomstig duizendjarig rijk. Evenwel bracht hij dienaangaande vreemde dingen tot mijn oren, doch ik moet belijden dat ik een godsdienst bemin die nabij huis is - ik bedoel in mijn hart, opdat ik die mag genieten in mijn pelgrimsreis door deze ellendige wereld.

Na enige uren gezeten te hebben terwijl mijn hoofd werd opgevuld met deze dingen - (slechts mijn hoofd, zeg ik, want het ging niet dieper) moest het tweede onderhoud plaats hebben met Algemene Liefde. Zodra hij te voorschijn kwam, verwachtte ik iets nieuws en vreemds, want hij is zeer bevrucht met zijn vernuftige uitvindingen. Hier werd mij gezegd dat dit duizendjarig rijk alles moest oprichten: redeloze dieren, vissen, kruipende dieren, en insecten; allen moesten zij te voorschijn komen gelijk zij geschapen waren: en hij had ook enige hoop op hun zaligheid, de duivelen zelfs niet uitgesloten! En, om zijn inbeelding te ondersteunen, haalde hij deze Schriftuurtekst aan: En alle schepsel, dat in de hemel is, en op de aarde, en die in de zee zijn, en alles wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem die op de Troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid. Openb. 5: 13.

Ik zat en redetwistte met hem tot één uur in de nacht, maar tot geen doel; hij was te zeker bevestigd om bewogen te worden door zulke zwakke bewijsvoeringen als de mijne. Ik liet hem daarom aan zin lot over en ben sedert dien tijd omzichtig geweest, om nooit meer ene ervan te horen. Dit overtuigde mij dat Algemene Liefde een bewoner is van een vleselijk hart, maar slechts een bezoeker bij Gods uitverkorenen. Ik ken een dame die er wonderlijk door bestuurd wordt. Zij is gelijk Saulus vanouds, een Farizeeër van de strengste sekte en liefdadig jegens alle soorten, behalve jegens die kruipende stervelingen die dwepers genoemd worden. Zij kan niet dulden dat hun naam genoemd wordt; maar zij is zeer teer jegens elk arm meisje der stad, wie de onreine ziekte buiten de maatschappij gesloten heeft; echter zou een arme, eerlijke, gehuwde vrouw, die rijk in het geloof, maar arm in de zak is, kwalijk varen als zij naar haar toe ging in de naam van Jezus.

De herbergier waarvan wij in Lukas lezen schijnt een van dat soort geweest te zijn; de herberg was vol, er was plaats voor allen, behalve voor Jozef en Maria; zij waren van een ander geslacht, daarom moesten zij in de stal huisvesten, schoon de gezegende maagd in barensnood verkeerde.

Ik heb gehoord dat een predikant van de kerk van Engeland eens op de dertiende januari heen ging, om Koning Karel uit het vagevuur te prediken; in welke redevoering hij de Gereformeerden met zeer hatelijke kleuren, maar de Koning in zeer beminnelijke trekken schetste. Waar hij zijn tekst uit nam weet ik niet; maar wij weten allen dat de bijbel niets zegt tegen een eerlijk beeld van God, noch iets ten behoeve van de oorzaak van slachtoffers. Evenwel was deze redevoering niet zonder uitwerking: ene bejaarde vrouw, die zeer aandachtig zat te luisteren naar hetgeen de Bijbel, of liever de priester, te zeggen had, waren de ingewanden der liefde zo bewogen met medelijden voor de Koning, dat haar wangen bevochtigd waren met tranen; en toch zo verbitterd tegen de Gereformeerden dat zij verklaarde tegen enen ouden christen, die naast haar zat, dat als er een Gereformeerde zo kort bij haar was geweest als hij, zij een mes in zijn hart gestoken zou hebben.

Het was goed voor de man, die mij zulks meedeelde, dat zij onkundig was dat hij een van dat soort was. Deze liefde stroomt altijd in tweeërlei wegen; zij stroomt op in opstand, maar af in medelijden. Ik geloof dat Herodes er niet van ontbloot was, want hij was zeer teer jegens zijns broeders vrouw - hij kon haar liever naar zijn eigen bed nemen, dan haar in het donker naar huis zenden; en hij was ene grote beloner van vleselijke lusten, want hij bood zijn halve koninkrijk aan, om een dansende voet te belonen; maar in de zaak van Johannes, de Calvinist, was hij wat gestreng, gelijk het gewoonlijk plaats heeft bij zulk soort van voorgewende liefhebbers.

Het is in onze dagen gewoonte schoothonden te zien in de rijtuigen van kinderloze vrouwen, die er beter zouden uitzien als zij met kreupele kinderen opgevuld waren. Ik heb reden om te vermoeden, dat Achab vele van die harige passagiers in zijn rijtuig had, die Elia, het zout der aarde en de wagen van het volk, naar Jisreël deden vluchten; en zeer waarschijnlijk was het bloed van de koning een avondmaal voor zijn eigen honden. Men vertelt mij dat velen bij de toneelvoorstellingen geheel verslagen zitten bij het treurtoneel van Hector, die rond de muren van Troije gesleurd wordt, en ook bij het toneel van het dodelijk einde der schone Eleonore; maar zij kunnen lezen van al de angsten eens lijdenden Zaligmakers, die om onze smarten verwond was, en onze droefheden en onze zonden droeg en de toorn die ons toekwam. Ja deze tedere zielen, die zo medelijdend zijn jegens Kaïn, Ezau, Achab, Judas, koning Karel I., de schone Eleonore, Hector, en de honden, kunnen horen van eens Zaligmakers angstkreten, verzoekingen, vervolgingen en bloedzweet, en echter niet meer tekens van wroeging tonen dan enen vuursteen! Voorwaar het gewelf van de hemel, het verduisteren der zon, het beven der aarde, splijtende rotsen, het verscheuren van het voorhangsel, de belijdenis des verraders en de opstanding van vele doden, staan geboekstaafd om de redeloze driften van zulke Godhatende huichelaars voor eeuwig te brandmerken.

Mijnheer Liefde, gij schijnt een vijand beide van God en mensen te zijn; en ik geloof dat wij u bij een onpartijdig onderzoek zullen bevinden een dienstknecht van de satan te wezen. Wij weten dat deze aan onze eerste ouders vertelde, dat zij als goden zouden zijn, kennende het goed en het kwaad, als zij Gods lichte juk van gehoorzaamheid wilden afwerpen en een leugen geloven: en Algemene Liefde doet zijn best om zijn woorden te bevestigen. Sommigen hebben, onder het masker van voorgewende liefde, ene gehele menigte afvalligen onder de verloste kudde van Christus bijeen gebracht, en anderen buiten gesloten en verworpen, wier namen in de hemelen geschreven zijn: dit is naar de goddelijke vrijmacht staan.

Anderen worden onderwezen, om op hun eigen gerechtigheid te vertrouwen, welke God een wegwerpelijk kleed noemt (Jes. 64: 6); en de gerechtigheid te verwerpen die God aangebracht heeft Jes. 66: 13, is ene gerechtigheid van de zondaar (Rom. 10: 3) op te richten op de door hen verachte gerechtigheid van de verlosser, die velen zal rechtvaardigen, Rom. 5: 9. En wat is dit anders dan strijden tegen de Heere, tegen Hem die de onmededeelbare naam van Jehovah onze Gerechtigheid moet dragen? Jer. 33:6. Enen zondaar te zeggen dat hij volmaakt in het vlees is, is hem te leren het dagelijks vertrouwen op vrijmachtige genade te verwerpen, en het is, in uitwerksel, hem te leiden tot het nabootsen van het zelfbestaan zijns Makers. Sommigen worden geleerd vele van de wezenlijke waarheden des Bijbels te verwerpen, en strijdig met de zin van anderen te geloven, dit is staan naar oneindige wijsheid, in het pogen om wijs te zijn boven hetgeen geschreven is.

De mens, die de vrijmacht des Almachtigen ontkent, Zijn volstrekt raadsbesluit afschuwelijk noemt, teneinde zijn vrije wil te handhaven die Gods daden van onderscheiden genade vernedert om vrije wil en kracht te verheffen, handelt slechter dan al de duizenden van Babel, en offert zulke verontwaardiging aan de God van de hemel, als ooit Nebucadnezar aangeboden werd, voor al de besluiten die hij afkondigde. En wat is dit anders dan handen van geweld aan de Scepter van Christus slaan, dan staan naar Zijn troon, en Zijn vorstelijk recht aanranden? En hij die zich beroemt op zijn wil of macht, om waarlijk iets goeds te doen, zonder dat God beide het willen en het volbrengen in hem werkt naar Zijn welbehagen, zulk een heeft vergeten door wie hij bestaat, en staat naar het alvermogen Zijns Formeerders (Job 40: 9), die zegt: zonder mij kunt gij niets doen. En hij die de getuigenissen Gods overschreeuwt en zich verhovaardigt als onfeilbaar in het beoordelen der onkundigen, heeft vergeten dat alle mensen leugenaars zijn (Rom. 3: 4); en zegt werkelijk dit: ik ben de waarheid. En de mens, die door de grofste dwaling tegen de Heere zich indringt in de genegenheden der zondaren, en hen de ontkenning van de bijzondere verlossing van Christus predikt, wordt voor zulk ene ziel enen afgod die in de heilige plaats van Christus opgericht wordt (waar er geen behoort te staan), die verwekt de Heere tot toorn (Ezech. 8: 3), en betoont zich kort af een God te zijn, zeggende: Gij zult mij lief hebben met uw gehele hart.

Wij weten, dat God ons gebiedt hen te verlaten die de gedaante der godzaligheid hebben, maar deszelfs kracht verloochenen (2 Tim. 3: 5); en de levende niet te zoeken onder de doden, noch ons in te beelden dat wij druiven van doornen, of vijgen van distelen kunnen lezen. Daarom heeft de mens, die ons gebiedt ons met draf te voeden, liever dan hen te horen, die de gehele raad Gods verkondigen en aan de vorm liever te blijven hangen, dan ons te houden aan die predikers, die de kracht Gods verkondigen en niet zichzelf (2 Kor. 4: 7), die heeft, zeg ik, het juk der gehoorzaamheid afgeworpen, is verhoogd in het gestoelte der spotters en heeft de plaats des eeuwige Wetgevers ingenomen.

Sommigen beroemen zich op hun bekwaamheid om de wet te houden, om op te staan, het stof af te schudden en zich een nieuw hart te scheppen, enz. En hij die dit doen kan is een Schepper. Evenwel, al de goden, die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde en van onder de hemel. Jer. 10: 11. De prediker die ene leer voorstelt strijdig met de duidelijke Schrift, vernietigd de raad zijns Formeerders, tracht hem als enen leerling aan zijn voeten te brengen, en poogt hem kennis te leren. Job. 21: 22. Die mens zal nooit een wezenlijke liefhebber van zielen zijn, die de gehele raad Gods niet verkondigt. Hij bewijst zondaars de grootste liefde die hen hun gevaar aantoont en tevens de enige toevlucht, die God hen in Zijn woord heeft voorgesteld.

Enig gebod der wet te verzwakken, of de gestrengheid der bedreiging te verzachten, is ene belediging der wrekende gerechtigheid aangedaan en verstompt de scherpe snede van haar bliksemend zwaard. Deut. 32: 41. De mens de ellendige leer der eindelijke afval van de heerschappij voerende genade Gods te onderwijzen, wanneer de mens een gelukkig deelgenoot daarvan is gemaakt, is de gruwelijkste schaduw, over de getrouwheid Gods te werpen, en is, in haar gevolgen, God tot enen leugenaar te maken in Zijn belofte, en Hem als meinedig te verklaren. Jes. 54: 3. En de mens, die onze stand in Gods gunst, verklaart te bestaan in ons getrouw zijn in ontvangen genade, of in de verbetering van onze natuurlijke aanleg, en dat verlossing verzekerd wordt aan allen die deze voorwaarden vervullen, hetzij schapen of bokken, die weerspreekt luide de zaligmaker, die zegt: "ik leg Mijn leven af voor de schapen", die maakt Zijn stervend getuigenis tot een leugen, toen Hij in Zijn laatste ademsnik zei: het is volbracht.

Verwondert u, gij hemelen, en gij aarde, ontzet u hier over. Hier is een hels masker dat Algemene Liefde heet, die de stroom van duizenden voorbijgaat, om het bedekken van Gods eeuwige Geest, maar Gods wee is over hem die het draagt. Jes. 30: 1. Er wordt lastering uitgesproken tegen God, Zijn tempel op aarde, en tegen al de uitverkorenen van de hemel Openb. 13: 6; en wormen vestigen zich op de onteerde, misbruikte en vertrapte volmaaktheden van de eeuwig gezegende Godheid; terwijl leugens en leringen der duivelen doorgaan voor eeuwig evangelie. De vrijmacht Gods wordt verworpen en de vrije kracht des mensen ingevoerd. De almacht Gods en Zijn eeuwige voorkennis van de uitverkorenen wordt vertrapt, en 's mensen wijsheid en macht om zich te verbeteren in de plaats gesteld. De alvermogende arm des Almachtigen, die enen blinde door de wereld leidt, Jes. 42: 16, hem in Gods weg houdt, aan wie beloofd wordt, om hem veilig door te leiden, en hem niet zal toelaten neergestoten te worden (dat is tot de hel toe), zelfs al valt hij (Psalm 37: 24), wordt weersproken door deze openlijke klokluiders; en de uitnemendheid der menselijke kracht om te staan, of geheel te vervallen, wordt daarop opgericht. De trouw en waarheid Gods in Zijn eden en beloften, aan Christus en al Zijn zaad vergewist, Jes. 59: 21, worden op de straten vertrapt; en eindelijke afval van het leven en de eeuwige liefde wordt daarop opgericht! De volmaakte gehoorzaamheid van Christus die het geen roof achtte Gode evengelijk te zijn, die evenwel de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, volbracht werd om de wet te verheerlijken die wij verbroken hadden, en wiens gehoorzaamheid alleen velen rechtvaardigt Jes. 53: 11 door God ene eeuwige gerechtigheid genoemd, welke is over allen, en op allen die geloven Rom. 3: 22 - Dan. 9: 24, wordt toegerekende onzin genoemd ene farizeese gerechtigheid, die de zondaar verder van de hemel afvoert dan tollenaren en hoeren, wordt in haar plaats gesteld! Matt. 21: 31.

De eeuwige vrijmacht Gods, die beloofd heeft Zijn uitverkoren volk gewillig te maken op de dag Zijner heirmacht, Psalm 110: 3, wordt verworpen; en eigenwilligheid, die de heerschappijen veracht, wordt in haar plaats gekroond! 2 Petr. 2: 10. De gezegende Heilige Israëls, die alleen heilig is, en wiens voorrecht het is, al de uitverkorenen te heiligen, Ef. 5: 25, heeft vele mededeelgenoten, daar de zondeloze volmaaktheid, vals zogenoemd, ingevoerd wordt als medearbeider met de oneindige reinheid.

De uitverkorene vaten der barmhartigheid worden openlijk kinderen van het helse monster genoemd, terwijl er voor mensen in de hel gestreden wordt. Het prediken over bijzondere verlossing noemt men een luisteren naar de duivel, en zijn stem gehoorzamen, terwijl het strijden voor verraders, afvalligen en opstandelingen, liefde genoemd wordt. Maar hoe de eeuwige Vader het keuren zal dat Zijn eigen kinderen veroordeeld, onterfd, buitengesloten en aan de duivel verbonden en bastaarden in hun plaats gebracht worden, weet ik niet; maar wij geloven dat gelijk de vader der gelovigen niet kon besluiten, om zijn bastaard in het huis bij Izak te houden, zo ook niemand in staat zal zijn om Judas er in te brengen, wie de Zaligmaker al zo lang geleden aan de duivel heeft overgeleverd.

Is het niet vreemd, dat de voorgewende onfeilbaarheid van een schepsel, die zo ongestadig is als het water, in het oordeel van mensen opgericht zou worden, tegenover de gehele raad Gods; en dat iemand die strijdt voor de verdoemden in de hel, en die zich door zijn daden stelt boven alles wat God genaamd, of aangebeden wordt, zo ijverig aangedaan wordt, dat bij de troon van het geweten van de zondaar behoudt, terwijl de vrijmacht, de uitverkiezing, de gerechtigheid, de wijsheid, goedheid, en kracht Gods, miskend en veracht worden? Maar dit alles wordt gedaan uit liefde tot vlees en bloed, terwijl de zielen van arme zondaars omkomen, uit gebrek aan de ware kennis Gods. Dit wordt liefde genoemd, doch het is hard werken om dwalingen te verbreiden en ofschoon hun zielen er bij verloren gaan, zo wordt zulks arbeid der liefde geheten. Maar God zegt: de dwaas zal niet meer milddadig genoemd worden, en de gierige zal niet meer mild geheten worden, want een dwaas spreekt dwaasheid, en zijn hart doet ongerechtigheden, om huichelarij te plegen, en om dwaling te spreken tegen de Heere, om de ziel des hongerigen leeg te laten, door de vaste spijze hem te onthouden; en de dorstige drank te doen ontbreken, Jes. 32: 5, 6, die de Geest der Genade smaadheid aandoet.

Zielen te leren om de onwankelbaarheid van Gods verbond te ontkennen, is hen aan te zetten tot opstand tegen de onwankelbaarheid van God in Zijn raad, en de grondslag te ondermijnen, en de voorschansen te bestormen van de verheerlijkte zowel als van de strijdende gemeente. Zondaren te leren dat ene onvolmaakte gerechtigheid hen kan rechtvaardigen, is de wet omver te werpen; en ene toegerekende gerechtigheid te ontkennen is het evangelie tot ene fabel maken: ik schaam mij, zegt Paulus, het evangelie van Christus niet, want daarin is de gerechtigheid Gods geopenbaard. Rom. 1: 16. Wie hij ook zijn mag, die deze geestelijke boosheid bedrijft in volstrekte onkunde, is een nieuweling, die van de evangeliedienst moet ontzet worden; en die het moedwillig doet, heeft de teugels der vrees afgeworpen, loopt los in het gevaarvolle pad der trotsheden en is schuldig aan grote overtredingen. Psalm 19: 12, 13.

Algemene Liefde! ik merk dat gij geen vriend van God, en, bij nauwkeurig onderzoek blijkt het, dat gij geen vriend van mensen bent. Uit voorgewende liefde tot de gevallen natuur, tracht gij ene slechte zaak goed te maken, om gevallen stervelingen te bemoedigen. Zo zegt gij hen, dat zij niet zonder enige kracht zijn en die dat gelooft, wordt geleerd de arm des Heeren te verwerpen, en de bede des dichters te minachten. Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn, Ps. 119: 117. De mensen te leren de volkomen volharding der heiligen in de kracht des Heeren te ontkennen, uit oorzaak van zijn zwakheden, is zijn vertrouwen verzwakken in de algenoegzame genade en de lankmoedige barmhartigheid Gods. Deze leer is een vijand van het geloof, ene voedster van het ongeloof en een handlanger van de duivel zelf, omdat zij ons doet wankelen aan die overnietigbare beloften Gods, en de deur openlaat voor de satan, de aanklager der heiligen, om langs die weg binnen te komen.

Iemand te vertellen dat zijn werken verdienstelijk zijn voor, of geldig kunnen zijn bij God, is de schoonheid te misvormen en de waardij te verkleinen van vrijmachtige genade. Zondaars aan te zetten tot het roemen in de kracht, om zichzelf rein te maken, is hen aan te sporen tot verwerping van de fontein, die God geopend heeft tegen de zonde en de onreinheid, Zach. 13: 1; en iemand te zeggen dat hij kracht heeft om tot Christus te komen, Hem te kiezen en aan te grijpen, is de mensen te leren om de Zaligmaker tot een leugenaar te maken en het snoer der eeuwige liefde te versmaden, dat zegt: niemand kan tot mij komen tenzij de Vader hem trekke.

Hij die onderwezen is om te roemen in de vrije wil, is bekwaam gemaakt, de dag van Gods heirkracht te versmaden. Psalm 110: 3. Wie onderwezen is te geloven, dat hij volmaakt in het vlees is, maakt de kermende beden van de Heilige Geest en de voorbidding van Jezus Christus krachteloos. De mens die enige duidelijke waarheid ontkent, versmaadt de raad Gods; hij, die zo onfeilbaar schijnt, dat hij die verandert, is te trots om zich te onderwerpen aan het profetisch ambt van Christus en. hij die Christus niet wil toestaan te verkiezen of te weigeren wie het Hem behaagt, rechtvaardigt het oude zeggen van weerspannelingen en zegt tot Christus dat Hij niet over hem heersen zal. Hij die des mensen val op zijn zachtst neemt, verkleint de kracht van het kruis; en bij die één penning aan God kan betalen, verwerpt de vrijmaking van het evangelie: die gezond zijn hebben de medicijnmeester niet van node: en hij die niet geheel verloren is, zal waarschijnlijk nooit behouden worden. Dit alles zijn trotse inbeeldingen, die zich verhovaardigen tegenover de kennis Gods; een mens die beschonken is door zulke dwalingen heeft zijn zinnen verloren, en die in dezelve sterft zal gewis zijn ziel verliezen.

Als dit het stelsel is van Arminiaanse genade, en zij daarvan eindelijken afval prediken, dan spreken zij de waarheid; daarin stemmen wij met hen in en zijn even verzekerd dat een gebouw van hooi, stro en stoppelen, zal vergaan, als wij weten, dat het gebouw der genade eeuwige winst zal oogsten; en wij betwijfelen evenmin dat leugens in de hel bevestigd worden, dan dat wij betwijfelen, dat de waarheid in de hemel beslist wordt.

Ene andere misdaad door Algemene Liefde gepleegd is het nabootsen der genade van Gods Geest: maar ik geloof dat deze naambriefjes aan de krop van de zak gebonden worden, teneinde het onkruid des te beter te verkopen. O ellendig bedrog! Ik wenste dat hun zielen gevoeld hadden wat de mijne heeft ondervonden, zij zouden dan van zichzelf walgen, en God prijzen voor een gekruisigde Zaligmaker: want als zij gedaan en gezegd hebben wat zij verkiezen, is er geen weg naar de hemel dan door genade, door het geloof in Christus Jezus.

Zij spreken wonderlijk over geloof, maar bevindende dat zij de leer der uitverkiezing ontkennen en er tegen strijden, besluiten wij geredelijk dat het hun niet is het geloof der uitverkorenen van God; en aangezien hun geloof kan teniet gaan, weten wij dat het niet het geloof is, waarvoor Christus bad; omdat sommigen eerlijk verzekeren dat, alhoewel hun geloof hen heden tot kinderen Gods maakt, zij morgen die des duivels kunnen zijn. Wij weten dat dit het geloof niet is, hetwelk uit de dood tot het leven leidt, omdat zulke gelovigen nooit in de verdoemenis komen, daar zij het eeuwige leven reeds deelachtig zijn. Het geloof van Gods uitverkorenen strijdt tegen en overwint de wereld, maar het Arminiaans geloof strijdt voor de wereld en tegen de rechtvaardigen.

Als zij over bekering spreken, kan men zeker zijn dat zij de wagen voor de paarden spannen. God heeft ene eeuwige gerechtigheid beloofd aan het geloof, en de Heilige Geest getuigt dat het geloof de hand is om dat kleed aan te doen: zij is over allen en op allen die geloven. Maar het Arminiaanse geloof is geen hand, maar een bedeksel; en bij de zodanigen staat de menselijke verbeelding als een mededinger naar de vlekkeloze gehoorzaamheid van Christus, welke alleen rechtvaardigt. Rom. 5: 19.

Wij weten dat het geloof in de gerechtigheid Gods eerst komt, daarna geestelijke overtuigingen, dan wordt het geloof in ene toegerekende gerechtigheid gevoeld; schuldvergeving en vrede verschijnen als de vruchten of uitwerkselen daarvan; de heiligende en vertroostende invloeden van de Heilige Geest werken zalig op de ziel; en dan stroomt de evangelische bekering in, om de achterhoede aan te brengen: Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit alle landen vergaderen, en Ik zal u in uw land brengen. Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden van al uw onreinheden, en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. En ik zal u een nieuw hart geven, en zal enen nieuwe geest geven in het binnenste van u: en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven. En ik zal, Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen. En gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, en gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn. En Ik zal u verlossen van al uw onreinheden; en Ik zal roepen tot het koren, en zal dat vermenigvuldigen, opdat gij de smaadheid des hongers niet meer ontvangt onder de heidenen. Dan komt er de evangelische bekering in: Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen,. en uw handelingen die niet goed waren; en gij zult ene walging van u zelf hebben over uw ongerechtigheden, en over uw gruwelen. En nu wordt alle roem uitgesloten: ik doe het niet om uwentwil, spreekt de Heere Heere: het zij u bekend: schaamt u en wordt schaamrood van uw wegen, gij huis Israëls. Ezech. 36: 24-32.

Als de voorstanders van Algemene Liefde van lijdzaamheid spreken, is het slechts geduldigheid in verdrukking, om hun eigen gerechtigheid op te richten, en niet de lijdzaamheid van Christus, want die wordt geoefend onder het lijden ter wille van ene reeds ontvangen gerechtigheid; niet om er ene te verkrijgen, of ene van hun zelf op te richten, maar om ene die vrijwillig geschonken is, vast te houden. Geduld onder het lijden om de waarheid is de lijdzaamheid van Christus; maar geduld om zich staande te houden onder rechtmatige en goddelijke bestraffing, om te volharden in het werk der dwaling, is de lijdzaamheid van de satan en hij heeft ellendige doeleinden om daarin de zielen op te bouwen.

Als zij van liefde spreken dan is dit niet die liefde, die een welbehagen heeft in de heerlijke der aarde, en in zulken welke uitmunten in godsvrucht; maar ene liefde die slechts gloeit voor opstandelingen en verraders, en die de uitverkorenen van God haat. Voorzeker is hij die zijn broeder haat, omdat deze de waarheid der uitverkiezing vasthoudt, enen moordenaar; en geen moordenaar heeft enig deel in het koninkrijk van God en van Christus. Deze Algemene Liefde is niet uit God, maar uit de wereld, omdat zij de uitverkorenen haat en de wereld bemint; en, als de uitverkorenen uit de wereld waren, zou Algemene Liefde, met de wereld het haar liefhebben. God verhoede het dat een vriend der wereld mij ooit zou liefhebben, omdat de vriendschap der wereld vijandschap Gods is. Hij die een vriend der wereld is, is een vijand van God.

Als iemand die van Algemene Liefde bezeten is, ootmoed voorwendt, is zulks niet die nederigheid met welke God een ziel bekleedt. Een heilige in waren ootmoed heeft zijn geloofsoog gevestigd op een verzoend God in de Persoon van Christus en gevoelt terzelfder tijd de verdiensten van het kruis in zijn hart stromen, en de getuigenis van Gods Geest met zijn geest getuigende, dat hij een kind Gods is. Dit doet hem zich verheugen met ene vreugde welke nimmer door stervelingen kan beschreven worden; en die ziel, die terugdenkt aan Mozes gestrenge blik, Sinaï's ontzettende storm, de gapende kaken des afgronds, de vergiftigde pijlen der wraak, en wie de eindeloze vlam van Tofet doet beven, ofschoon onder een bewustzijn van bevestigde en verzegelde schuldvergeving, ja, beven bij de gedachte en het gezicht, hoe nabij hij was aan de eeuwige vlammen, toen barmhartigheid hem oprichtte, die juicht met beving en zo iemand verricht deze arbeid altijd in het kleed van ware ootmoed.

Maar de Arminiaanse ootmoed is geheel iets anders; zij bestaat uit een somber gelaat en afgetrokken blik, met vertwijfeling vervuld; inwendig knorrende, omdat Mozes geen onvolmaakte gehoorzaamheid wil aannemen, noch het getal tichelstenen verminderen, die zij maken om hun verborgen Babylon te bouwen; waarin ze niet beter zullen slagen dan hun broederen vanouds deden, die voorwerpen van bespotting werden; en alzo zullen: allen die het zien beginnen te spotten, zeggende: Deze mens heeft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen, (Luk. 14: 29, 30); en de reden is, omdat zij voor eigen rekening aanvingen, in plaats van te putten uit de oneindige volheid des Zaligmakers.

Zulk een voorgewende ootmoed werd in Achab gevonden, toen het geschut van de hemel in zijn oren klonk, om het stelen van de wijngaard zijns buurmans; en zulk een nederigheid is een masker dat voorgedaan wordt, om de zielen der eenvoudigen te bedriegen, die denken dat een vervallen gelaat, een somber uitzicht, ene gemaakte spraak, ene eenvoudige klederdracht, en woorden die zoetvloeiender dan olie zijn, ofschoon in in opstand tegen God in het hart, het nederig gewaad is van een verlost schaap, terwijl hun enigste droefheid is, dat hun eigengerechtige zielen de Almachtige niet kunnen doen bukken om hun roemen te veroorloven. Dit is de dwaasheid des mensen die zijn weg verkeert, en die zijn hart tegen de Heere vergramt. Spreuk. 19: 3.

Een oproerige geest, in strijd met Gods raadsbesluiten, onder een bewustzijn van het vergif der schuld, en de toorn Gods in het geweten geopenbaard en gevoeld, is de wortel waaruit al deze geveinsde ootmoed voortspruit. Maar de ootmoed van enen heilige, die onder de invloed verkeert van eeuwige liefde, is vol walging van zichzelf en staat verwonderd dat het lot der eeuwige verkiezing in zijn schoot is geworpen, Spr. 16: 33. Deze ootmoed doet het gezicht blinken, en vervult het hart met vertroosting, gelijk een wijnfles die niet geopend is (Job 32: 19), terwijl de verborgen vlam der eeuwige liefde de ziel doet wegsmelten als was, totdat het beeld van de tweede Adam in al zijn wezenstrekken in zulk ene gelukkige ziel verschijnt, en al zijn woorden te voorschijn komen, als met genade besprengd, gelijk de dauwdroppelen, terwijl hij de gerechtigheid aan zijn Formeerder toeschrijft.

Ene ware maagdelijke ziel draagt de wet der liefde op haar tong, maar werpt haar parels niet voor de zwijnen; bemint de Zaligmaker met al haar beminnelijkheid, maar betoont geen medelijden jegens duivelen, noch strijdt met haar vorstelijk Hoofd, ten behoeve van verraders; de potscherven toelatende te strijden met de potscherven der aarde; maar ontvliedt het wee dat hen overkomen zal, die met hun Formeerder twisten, Jes. 45: 9.

De hoop van het Arminianisme schijnt mij toe veel te verschillen van de hoop van het evangelie, omdat zij stelt dat Christus voor alle mensen stierf, maar Christus verklaart dat de poort die tot het verderf leidt het grootste aantal ontvangt, Matth. 7: 13. Daarom indien het eerste waarheid zij, zijn er sommigen in de hel voor wie Christus stierf; in welk geval er ene ongenoegzaamheid moet geweest zijn in de losprijs welke de Borg betaalde, of anders verdonkert het Zijn wijsheid en veronderstelt Hem als verstandeloos te zijn gemaakt door de slang, die, door zijn listigheid legioenen in zijn bezit gekregen heeft, die door koping het eigendom des Zaligmakers waren. Het verdonkert niet slechts Zijn wijsheid, maar Zijn macht tevens, die hen niet behouden kon, die Hem waren toevertrouwd, omdat de poorten der hel ze overweldigen en er velen uit Zijn hand rukken, Joh. 10: 28.

Het schijnt eveneens geweldig de rechtvaardigheid van God te verdonkeren, daar Zijn zwaard ontwaakte en de grote Herder sloeg (Zach. 13: 7), en Hij Hem niet heeft gespaard, noch ene penning der schuld liet vallen, Rom. 8: 32. En het is duidelijk dat de Gerechtigheid beloofde, door het bloed des verbonds, de gebondenen uit de kuil, daar geen water in is, uit te laten, (Zach. 9: 11); en voorts, om getrouw en rechtvaardig te zijn, dat Hij ons de zonden vergeven en ons reinigen zou van alle ongerechtigheid, 1 Joh. 1: 9. Maar helaas! dit alles wordt omver gestoten als het Arminianisme waarheid is.

Als de Arminiaanse hoop is gevestigd op enen Borg die de schuld niet betalen kan; of op enen veranderlijken Zaligmaker, die betaald had, terwijl de koopprijs niet voldoende was en daarvan twee malen kon geëist worden, eerst van de Borg, en dan van de schuldige, ze eerst uit de gevangenis der zonde zendende voor rekening van de Borg, hen heden, door genade, zonen Gods makende, en tenslotte latende afvallen, en tot in alle eeuwigheid in de hel opsluitende, totdat zij de laatste penning voldaan zouden hebben van hetgeen over lang betaald is; wat is er dan voor grond van enige hoop? Ik antwoord, ene hoop op zulke leerstellingen gegrond, is even wankelbaar als een veer in enen wervelwind.

Evenwel zijn er velen die zo verhard zijn, door de bedrieglijkheid der zonde, dat zij zulke leugens voorstellen in de naam des Heeren, en ze Hem toeschrijven. Het moest het vlees doen sidderen van hen, die enige Gode waardige gedachten koesteren, en zij die zwijgen bij het bericht van zulken hoon die God aangedaan wordt, behoorden gestraft te worden door elke steen in de straten. Maar wat heeft deze hoop, die op valsheid gegrond is, te doen met de hoop van het evangelie? Ik antwoord, juist even veel als de troon der ongerechtigheid te maken heeft met de troon der genade.

Evenwel erkennen de Arminianen eerlijk, dat hun hoop kan verloren gaan; en wij geloven waarlijk, dat het is gelijk zij zeggen, dat iemand heden een volmaakt mens in deze valse staat der hoop, en morgen in de hei kan zijn. Maar de hoop van het evangelie is ene geheel andere zaak; de gekruiste Christus is de enige hoop die ons voorgesteld wordt; en hij die de toevlucht tot Hem neemt stort niet in de hel, maar zal gewis de toekomende toorn ontvlieden. Merk op, te ontvlieden en niet daarin te storten. Wie in Christus gelooft zal in zijn hoop niet teleurgesteld worden. Maar de hoop van het Arminianisme heeft, gelijk te vrezen is, velen bedrogen; en geen wonder daar zij gegrond is op ene voorwaardelijke belofte, op enen verlamden arm van de machtelozen vrije wil en deelgenootschap aan enen zwakken, en veranderlijken Zaligmaker, naar hun dwaze mening.

Maar de hoop eens Christens is een anker, dat geworpen is in de onwankelbare en onveranderlijke Godheid; haar lepels houden vast binnen het voorhangsel van Christus' vlees, en zij is vast en verzekerd voor elk uitverkoren vat der barmhartigheid, Hebr. 6: 19. De Heere zal de toevlucht Zijns volks, en de sterkte der kinderen Israëls zijn, Joël 3: 16.

En als een Israëliet in waarheid zijn hoop verliest, of vervalt van de genade Gods en van de heerlijkheid, waarvan de genade een onderpand is, en daarna verworpen wordt, dan moet de Heere zelf vervallen. Evenwel heeft Hij nog nooit doen vervallen, zij die op Hem betrouwden (Joz. 21: 45), en het wordt hoog tijd dat wij tegen Hem getuigen, wanneer zulks kon plaats hebben.

Ofschoon David zegt: heeft de toezegging een einde van geslachte tot geslachte? Heeft God vergeten genadig te zijn? nochtans is hij eerlijk genoeg om te erkennen dat dit zijn krankheid was. Ps. 77. 9-11. En voorzeker is die mens een blinde leidsman, die de krankheden des vleses en het heerlijke en eeuwige evangelie des Zoons Gods niet kan onderscheiden.

Als wij de vrede onderzoeken, die door de algemene liefde drijvers genoten wordt, dan zullen wij weldra zien, dat zij niets met het evangelie te maken heeft. De vrede, welke het evangelie verkondigt, is ene verzoening tussen God en de zondaar, welke vrede daargesteld was door Christus onze Middelaar, door het bloed des kruises (Kol. 1: 20); daarom is Hij onze vrede; God heeft Hem voorverordineerd om zulks te zijn, Jes. 25: 12. Christus betaalde onze schuld van gehoorzaamheid aan de wet, verwijderde haar vloek, en droeg dien van elk gelovige: en door Zijn dood betaalde Hij onze schuld des lijdens aan de gerechtigheid, zoals Hij lang tevoren verklaard had: de ziel die zondigt die zal sterven.

Dus door Zijn gehoorzaam leven de wet verheerlijkt en door Zijn dood onze schuld des lijdens aan de gerechtigheid betaald hebbende, is er enen troon der genade opgericht op bevredigde gerechtigheid, de waarheid verhelderd en het oordeel ten volle uitgevoerd. Gerechtigheid en gerichte zijn de vastigheden Zijns troons, genade en waarheid gaan voor Zijn aangezicht heen. Van deze troon spreekt Hij van vrede dengenen die ver zijn, en hen die nabij zijn; en de gelovigen zullen gezegend worden met overvloedige vrede zolang de maan bestaat. En zo moet het zijn, want Christus is de Vorst des Vredes, en ons is het vrijwillig verkondigd. Mijn vrede geve Ik u; niet gelijk de wereld dien geeft, geve Ik ze u. Deze vrede is voor eeuwig verkondigd tussen God en de uitverkorenen, tussen de uitverkorenen en hun eigen geweten; ja zelfs tussen de uitverkorenen en de dieren des velds (Job 5: 23), en tussen het ene uitverkoren vat en het andere.

En wanneer wij door het geloof Gode behagen, moeten onze vijanden met ons bevredigd zijn, dat wil zeggen, God ontzet de heirlegers van vervolgers, ze noodzakende hun wapenen des opstands te doen neerleggen, en stil te zijn; terwijl de arme heiligen, bijna uitgeput door de langdurige vermoeienissen van de strijd, hun krachten mogen vernieuwen tegen enen nieuwe aanval.

Maar wat heeft de vrede der algemene liefdedrijvers te doen met deze vrede, welke in het evangelie wordt verkondigd? Volstrekt niets: zij die strijden voor het huis van Achab en Isabel hebben niets met deze vrede te maken. Ons antwoord tot zulken is: wat hebt gij met vrede te maken? Gaat achter ons, wij zijn in strijd met Achab en zijn bloedig huis, omdat de tovenaars van Isabel zo talrijk zijn. Maar deze algemene liefdedrijvers noemen de raadsbesluiten Gods afgrijselijk, ene taal die doortrokken is met zulk enen opstand, als niemand tegen enig aards vorst zou durven bedenken. Zulken onderhouden enen goddelozen strijd met de vrijmachtige Heere van de hemel, zijn weerspanning tegen Zijn wetten, strijden tegen al de vorstelijke onderdanen der genade, die verwaardigd worden om te buigen onder Zijn vrijmachtige wil, ja, zij zoeken verzoening tussen de gemeente en Isabel.

Dit is vrede verwekken waar God oorlog verklaard heeft: Ik zal vijandschap zetten tussen de gemeente en slang; tussen Christus, het vrouwenzaad, en het slangenzaad, die elkaar zullen verbrijzelen. En voorzeker kwam Christus nooit om Zijns Vaders wil te weerspreken, maar om er een welbehagen in te hebben, en die te volbrengen: ik ben niet gekomen om vrede op aarde te brengen maar het zwaard en een vuur, en wat zal Ik, indien het reeds ontstoken zij? Want voortaan zullen er vijf in één huis verdeeld zijn, drie algemene liefdedrijvers tegen twee beminnaars van God: en hoe nauwer zij verenigd zijn door de banden der natuur, hoe heter de strijd zal zijn; 's mans vijanden zullen zijn eigen huisgenoten zijn.

Evenwel moeten wij deze voorwendsels van liefde toelaten zich te behelpen, want zij strijden niet voor God, noch voor Zijn wetten, noch voor de kerk. Als zij voor God streden, zouden zij niet tegen ons strijden en de goddelozen helpen: En Josafat, de koning van Juda, keerde met vrede weer naar zijn huis te Jeruzalem. En Jehu de zoon van Hanani de Ziener ging uit, hem tegen, en zei tot de koning Josafat: zoudt gij de goddelozen helpen, en die de Heere haten, liefhebben? nu is daarom over u van het aangezicht des Heeren grote toornigheid. Evenwel goede dingen zijn bij u gevonden; 2 Chron. 19: 1, 2, 3, en het was goed voor hem dat Gods raadsbesluiten in hem gevonden werden.

Dus blijkt het dat Algemene Liefde niet voor God strijdt, maar de goddelozen bijstaat; evenmin strijdt zij voor Gods wetten: van iemand die gewapend is tegen de raadsbesluiten zijns Formeerders, strijdende voor afvalligen, die nu in de hel zijn, kan men nooit zeggen dat God lief heeft met Zijn gehele hart, zijn gehele ziel, met zijn gehele gemoed en met al zijn kracht; evenmin kan het van hem gezegd worden, dat hij vader en moeder, vrouw en kinderen, ja zelfs zijn eigen leven om Christus wil haat, en als hij dat niet kan is hij Zijns niet waardig.

Algemene Liefde is, niettegenstaande al haar voorgewende liefde, geen vriend van de kerk, noch van hen die daartoe behoren; want zij leert hen haar leerstukken te verloochenen, en nochtans aan haar muren vast te klemmen; zij snijdt de borsten van haar vertroosting af, en beveelt ons dan aan haar geraamte vast te klemmen. Dit is voorzeker ene vreemde wijze van weldadigheid! De Staatskerk (in Engeland, bewerker) leert mij, in haar belijdenisschriften, dat ik gans en al onbekwaam ben om tot Christus te komen, ofschoon Hij mij zulks gebiedt; of God lief te hebben, ofschoon mij zulks geboden wordt; of Hem te dienen, ofschoon het om mijn leven is: mijn lief kind, weet dit, dat gij uit uzelf niet in staat bent deze dingen te doen, noch te wandelen in de geboden Gods, en Hem te dienen, zonder Zijn bijzondere genade, waarom gij ten allen tijde moet leren roepen met ijverig gebed. Algemene Liefde spreekt dit tegen, en zegt: dat Christus mij roept geeft te kennen, dat ik kracht heb om te komen, of anders bespot Christus mij met ene vruchteloze roeping. Evenwel kon de Bruid Christus roeping en haar eigen zwakheid zeer goed met elkaar verzoenen: sta op, mijn schoonste, en kom mee, zegt Christus. trek mij, en wij zullen U nalopen, zegt de bruid. Zij keert het gebod om in een gebed en ontvangt een antwoord.

Algemene Liefde leert mij, om Christus' gerechtigheid toegerekende onzin te noemen en te roemen in zelfvolmaking en waarschuwt mij nooit de kerk te verlaten. Maar is dit broederlijke liefde, mij vol eigen gerechtigheid, en roemende in zelfvolmaking naar 's Heeren tafel in de kerk te zenden? Voorzeker, als ik daar op deze wijze ga, zal ik leugens in mijn mond dragen, want zij leert ons zeggen: wij onderwinden ons niet, tot deze Uw tafel te komen, o Genadige Heere, vertrouwende op onze eigen gerechtigheid, maar op Uw menigvuldige en grote goedertierenheden. Wij zijn niet eens de kruimeltjes waardig die van Uw tafel vallen. Vreemde taal is dit voor een volmaakt mens, die geleerd heeft de gerechtigheid zijn Scheppers te verachten! Zulke zielen hebben geen recht, om tot des Heeren tafel te naderen, alwaar geveinsden tegenover God afgewezen moeten worden. Niemand, in zich zelf volmaakt, heeft daar enig recht, maar alleen zulken, die hartgrondig bedroefd zijn over hun zonden, en die zeggen kunnen "derzelver herdenking is bitter en derzelver last is ondraaglijk". Hij die de uitverkiezing heeft leren verloochen, is onderwezen om dit leerstuk te ontkennen: ik geloof in God de Heilige Geest, die al het uitverkoren volk van God geheiligd heeft.

Hoe kan iemand zich aansluiten aan de kerk, welke zegt: beziel uw dienaars met gerechtigheid, en verheug uw uitverkorenen volk, wanneer hij dat in zijn hart ontkent? God te naderen met de lippen en Hem te eren met woorden van verkiezing en toegerekende gerechtigheid, terwijl het hart ver van Hem is, is God de Vrijmachtige, en de Rechtvaardiger der goddelozen, tevergeefs aanbidden. Als een mens geleerd heeft de leerstukken Gods te ontkennen en te versmaden en dan gezonden wordt om Gods voorhoven in valsheid te betreden en zijn Maker met leugens te omtuinen, om zijn menigvuldige zonden te bemantelen met zondeloze volmaaktheid en dus te veinzen voor het aangezicht van de Almachtige God onze Hemelse Vader, gaat hij de weg die eindigt in de verdoemenis, waarmee zij bedreigd worden, die huichelachtige spotters in de Godsverering zijn. Als de onderdanen van Algemene Liefde ene betere leer dan deze te verkondigen hebben, laat hun deze dan belijden, of anders er voor eeuwig van zwijgen dat zij vrede hebben met de kerk.

Als wij deze Algemene Liefde vergelijken met het voorschrift dat Paulus ons geeft van de liefde Gods, zullen wij ze daarmee even strijdig vinden, als haar leerstukken zulks zijn tegen de staatskerk. Paulus geeft ons ene ware afbeelding der goddelijke of broederlijke liefde in 1 Kor. 13: 1: al ware het dat ik de talen der mensen en der engelen sprak; al sprak ik met al de welsprekendheid die de wijsheid van deze wereld leert; en al sprak ik zoveel over heiligheid en zondeloze volmaking als een engel zulks zou kunnen; nochtans, als ik de liefde niet had, als ik gelukzalig deelgenoot was van de verkiezende en eeuwige liefde Gods, en niet gebracht was tot liefhebben van God boven mijzelf, en Gods uitverkoren vaten boven alle afvalligen en verraders, zo ware ik niets dan een klinkend metaal of luidende schel. En al ware het dat ik de gave der Arminiaanse profetie had, gelijk Mijnheer Bell bezat, en kon voorspellen wanneer Londen door ene aardbeving zou vergaan, zodat ik duizenden in Hyde Park dreef om die te ontkomen; - en al wist ik al de verborgenheid en al de wetenschap, zodat ik Toplady, Hervey, Whitefield, de oude Johannes Calvijn, de profeten, apostelen, en zelfs Christus zelf kon tegenspreken, gelijk wij tevoren hebben aangestipt, gelijk sommigen in onze dagen doen, zo ware ik niet, als ik de liefde niet had. En al ware het dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, van schuld en inwonend verderf tevens, ja dat ik een gevallen ellendeling zo volmaakt in het vlees kon verklaren, als God zelf volmaakt is, zo ben ik nochtans als ik de onderscheiden liefde Gods niet in mijn hart heb, niets; niets dan een misleide zondaar, in opstand tegen God. En al ware het dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, teneinde mijn eigen gerechtigheid op te richten. en mijn Formeerder tot een schuldenaar te maken, en al ware het dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, of zulk ene liefde toonde voor zondaars, dat ik mijn aandeel uit het bloed eens zaligmakers weggenomen wenste te zien, tenzij hetzelfde stroomde voor het gehele menselijke geslacht; nochtans zou al deze vertoning van vleselijke liefde, die mij zo hoog verheft in de schatting van zondaren, mij, zonder de liefde Gods in mijn hart, geen nuttigheid geven. De liefde is lankmoedig, verdraagt alle dingen om der uitverkoren wil (2 Tim. 2: 10) zij is goedertieren, bovenal jegens de huisgenoten van het geloof (Gal. 6: 10), in hen te voeden met ware wijsheid en verstand (Joh. 21: 15).

De liefde is niet afgunstig, - zij is niet afgunstig jegens iemand om zijn getrouwheid in het verkondigen van de gehele raad Gods, (Hand. 20: 27); - of omdat hij geweldig is in de waarheid, Jer. 9: 3. de liefde handelt niet lichtvaardig, - zij roemt niet op het verbeteren van een natuurlijk talent, getrouw zijnde aan ontvangen genade; noch veracht ene toegerekende gerechtigheid, teneinde een zondaar behulpzaam te zijn in het oprichten van zijn eigen spinnenweb op de puinhopen der gehoorzaamheid van enen Zaligmaker; zij is niet opgeblazen met ene ijdele inbeelding van vrije kracht, noch met een ijdel zelfbedrog van vleselijke volmaking, of van onfeilbaarheid, maar zegt: die meent iets te weten, die weet niets gelijk hij het behoort te weten. Zij handelt niet ongeschikt door de goede naam van elke prediker te bezoedelen; noch leert iemand de leerstukken des Bijbels te loochenen. zij zoekt de roem van zichzelf niet; noch leert iemand ijdele verschijningen te bespreken uit zijn eigen hart, maar de heerlijkheid van Hem die haar gezonden heeft, noch veroorlooft de mens zich zelf te verzekeren in het oordeel en de genegenheden van zondaars boven Christus en Zijn waarheid. Zij wordt niet verbitterd onder rechtmatige bestraffing, als die gegeven wordt. Zij denkt geen kwaad van hen, die de eeuwige verkiezing prediken, en strijden voor de onwankelbaarheid van Gods eeuwig verbond en de heerlijke voorrechten daarvan.

De liefde verblijdt zich niet in de ongerechtigheid; verblijdt zich niet omdat dwalingen overvloediglijk verbreid worden en de voorstanders van dezelve toenemen; toont geen blijdschap over de wereld dat zij het beest bewondert, heeft geen behagen in verenigingen die opgericht zijn en gewapend worden met opstand tegen God, maar zij verblijdt zich in de waarheid. Zij verblijdt zich wanneer de eeuwige verkiezing aan een arm zondaar geopenbaard wordt en zijn ziel verheugt zich, dat zijn naam geschreven is in de hemel, en dat, Luk. 10: 2, daar zijn getuigen zijn en zijn getuigenis in de hemel is. Job 16: 10. Zij verheugt zich in het genot van ene toegerekende gerechtigheid, welke de ziel vervult met vreugde en vrede in het geloof, Rom. 15: 13; verheugt zich in de waarheid van de volharding der heiligen en doet hem zijn weg bewandelen juichende en God met blijde lippen lovende, Psalm 45: 16, geeft de heiligen ene volkomen overtuiging van zijn veilig aanlanden in de heerlijkheid en zegt hem dat bij zal terugkeren met gejuich en eeuwige blijdschap op zijn hoofd. Jes. 35: 10.

De liefde verdraagt alle dingen; verdraagt allen tegenstand, verzoekingen en verwijtingen van valse leraren en al de pijlen die uit hun bogen worden geschoten, liever dan een grein van Gods waarheid over te geven voor hun inbeelding. Zij gelooft alle dingen. Zij roept God nooit tot verantwoording over Zijn besluiten, noch leert mensen zulks te doen, dagvaart God nooit voor de rechtbank der vleselijke rede, noch veroorlooft dat zulks gedaan wordt; maar gelooft alle dingen, uitgenomen de dwalingen; vertrouwt de leer der verkiezing en verwerping: gelooft dat al de uitverkorenen de gerechtigheid van het geloof zonder de wet zullen bereiken, Rom. 9: 31 en dat al de overigen die niet zullen verkrijgen, al zoeken zij die door de werken der wet, Rom. 9: 32; gelooft dat al de uitverkoren van God zullen geleerd worden, ofschoon de overigen altijd leren zullen, en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen, 2 Tim. 3: 7.

De liefde gelooft dat allen, die in het boek des levens des Lams geschreven zijn, zullen behouden worden (Dan. 12:1); ja allen die verordineerd zijn tot het eeuwige leven en geschreven zijn ten leven te Jeruzalem (Jes. 4: 3); en dat zij zelfs in de hemel de namen van geroepen, uitverkorenen en getrouwen zullen dragen (Openb. 17: 4); gelooft, dat allen die zó niet in de hemel beschreven zijn in de poel zullen worden geworpen, Openb. 20: 5. In kort, de goddelijke liefde gelooft elke waarheid in het boek Gods, maar weet niets van die nieuw vervaardigde leerstukken van pausgezindheid, Arminianisme of Mahomedanisme, of enige andere leugens in geveinsdheid gesproken, maar noemt dezelve leringen der duivelen, 1 Tim. 4: 1. En zij betwijfelt nooit dat God de wereld zal oordelen in gerechtigheid en de volkeren in recht doende Zijn vrijmachtige daden zo klaar blijken als de zon en Zijn rechtvaardige handelingen als de middag.

Liefde stelt nooit een algemene liefdedrijver aan, om God wijsheid te leren, of tot een raadsman om Hem te onderrichten van het pad des rechts; veel min om Zijn eeuwige raad te veroordelen, opdat een worm rechtvaardig mocht schijnen. Zij hoopt alle dingen; hoopt al de zegeningen te genieten van een eeuwig verbond; en doet de ziel geloven dat zij nooit zal teleurgesteld worden in haar hoop, noch haar verwachting afgesneden zal zien, maar zij leidt hem tot het genieten der toekomstige hoop en doet ene ziel juichen in de hoop der heerlijkheid Gods; en stelt hem zelfs in staat om in het sterkste vertrouwen zelfs zijn vlees te doen rusten in hoop.

De liefde verdraagt alle dingen - verdraagt alle dingen, liever dan van enige waarheid, of haar aandeel daaraan te scheiden; ja zelfs liever dan haar vertrouwen weg te werpen om dat helse beginsel van vervallen van de genade; en zal liever dag en nacht roepen en bidden, gelijk al de uitverkorenen doen, Luk. 18: 7, dan te scheiden van haar dagelijkse afhankelijkheid van God door geloof en gebed, of die te verwisselen voor die onafhankelijke, zelfverheffende en het vlees strelende leer der zondeloze volmaaktheid. De liefde vergaat nimmermeer, zij weet niets van eindelijke afval van aannemende genade, of van het onterven der onderdanen van dezelve; droomde nooit dat God in Zijn eed meinedig is geworden, of dat de onveranderlijke belofte gefeild heeft aangaande Christus en Zijn zaad; heeft niet het minste denkbeeld van het verbroken worden van een eeuwig verbond, of van de heiligheid, waarheid, gerechtigheid en getrouwheid Gods, dat zij verschijnt als eeuwig wit voor Zijn uitverkorenen, die verzekerd worden door elke volmaaktheid der Godheid, en met tienduizend beloften en zegeningen, benevens ene gehele wolk van getuigen.

En wij dagen, in de naam van de eeuwige en onzichtbare God, al de legioenen duivelen, die nu in de hel zijn, en al de verworpene zondaars der mensheid met hen, samen met al de algemene liefdedrijvers op aarde uit, om de persoon aan te wijzen die, het tijdstip waarop, of de misdaad waarom, ene enkele ziel, van God in Christus van alle eeuwigheid uitverkoren, verlost door het bloed van JEHOVAH de Zaligmaker en inwendig geroepen en verzegeld door de Heilige Geest, ooit in de hei stortte als een erfgenaam des toorns. Gelijk ik tevoren zei, zo zeg ik wederom, ik daag u allen uit, om mij uit het woord van God, of zelfs uit een van de helse jaarboeken aan te wijzen, dat een enkel toonbeeld van bijzondere genade, ooit viel als ene eeuwige prooi voor de duivelen.

Wij geloven, dat velen die door de pausen heilig verklaard zijn voor eeuwig in het helse vuur zijn gestort en de roomsgezinden ontkennen dit niet geheel en al. Wij geloven dat vele dwazen, die in hun vleselijke volmaaktheid geroemd hebben, uit hun lustoord in het verderf overgegaan zijn, overeenkomstig Christus' woord: die zich zelf verhoogt zal vernederd worden. En wij twijfelen niet, of er zijn er velen van de Arminiaanse genade vervallen, en dat Kaïn en anderen, die door de algemene liefdedrijvers ten leven opgeschreven zijn, zich in de hei bevinden. Maar wat heeft dit alles te maken met ons onderwerp? Waarlijk niets!

Pauselijke regels en Gods besluiten zijn twee onderscheiden zaken, en zullen dat altijd blijven. God schenkt de hemel, en de paus kan dezelve niet verkopen. Simson maakte spel genoeg met de Filistijnen, als zij slaagden om hem de ogen uit te steken; maar voorzeker zou één geestelijke Nazireër in de hel veel meer spel maken dan Simson.

Te spreken over Gods liefde, dat zij het één ogenblik op het gehele menselijke geslacht gevestigd is en dat verloste zielen het andere ogenblik in de hel zijn, is zulk ene verschrikkelijke liefde als van niemand dan van de duivel kan komen. Wij weten allen dat de Arminiaanse voorspellingen gefeild hebben, dat tongen die van vleselijke volmaaktheid roemden, zwijgen; dat ene voorgewende onfeilbaarheid vervlogen is: maar nog houden wij vast, dat geloof, hoop en liefde onder de uitverkorenen blijven en dat de meeste van deze de liefde is en dat de liefde nimmer feilt. En indien het nu zo niet is, wie zal mij leugenachtig maken, en mijn rede tot niet brengen? Job 24: 25.

Ik heb enige jaren lang nauwkeurig de wonderlijke uitwerkselen van deze vreemde soort van liefde gadegeslagen, maar haar nooit enige betere vruchten op het gemoed van anderen zien teweeg brengen, dan zij zulks deed op mijn eigen dwaze, misleide ziel. Een man en zijn vrouw woonde eens mijn predikdienst bij te Thamesditton. De man was aan de drank verslaafd en gewoon het evangelie te vervolgen; zijn vrouw was van ene zeer ijdele gemoedsstemming; evenwel hoorde zij mij enige tijd lang en er scheen ene zichtbare hervorming in beide te zijn, maar de vrouw werd weldra ziek en een huisgezin van zeven of acht kinderen hebbende, werden zij spoedig door armoede gekweld en destijds was ik ongeveer in dezelfde omstandigheden. Maar er was ene Arminiaanse vrouw die in die plaats woonde; zij bezocht deze arme zieke vrouw en vertoonde zich zeer milddadig, teneinde haar voor haar dwalingen te winnen. Of Algemene Liefde ene premie aan bekeerlingen uitreikt, kan ik niet zeggen, mij is wel meegedeeld dat de roomsen zulks doen, maar of de paus dezelve betaalt in specie of in bijgeloof dat weet ik niet. Evenwel uit gebrek aan bekwaamheid om aalmoezen te geven, verloor ik mijn bekeerling en toen de arme vrouw weer buitenshuis kwam, was zij bevestigd in het gestoelte der spotters en vertelde mij, dat Christus voor Kaïn en Judas zowel als voor mij stierf; en wat was ik? Haar bezig vindende in deze vreselijke opstand tegen God, oordeelde ik het raadzaam haar alleen te laten. Evenwel zond zij mij vele boodschappen over het sterven van Christus voor allen. Ik antwoordde haar, dat ik vreesde dat Hij niet voor haar stierf. Het antwoord dat zij terug zond is te schandelijk om te noemen.

Welke godgeleerdheid deze Arminiaanse in het verstand der arme vrouw geplant heeft weet ik niet, maar ik heb reden om te geloven, dat haar samensprekingen boos waren, omdat zij goede zeden bedierven. Evenwel, het zijn deze lieden die opstaan tegen toegerekende gerechtigheid, en wij weten het dat spotters de kennis Gods niet hebben. Ik zeg dit tot hun schaamte.

Na dit onderwijs zag ik hen zeer zelden onder mijn gehoor en dit was ook het beste, want zij die de zaligheid kunnen bewijzen van Kaïn, het kroost des duivels, en van Judas, de zoon des verderfs, zijn wijs boven hetgeen geschreven is, en wie kan hen leren? Evenwel, de vrouw ging voort gelijk de rest van de wereld; wat haar man betreft, hij werd dikwijls berispt over zijn dronkenschap op straat, nadat zij het gestoelte der spotters hadden beklommen. En wat de ijverige Arminiaanse vrouw betreft, die hen verleid had, zij was inderdaad ene algemene liefhebster van vlees en bloed en had slechts drie vijanden, en die waren: een vrijmachtig God, Zijn vrijmachtige genade en een geestelijk lichaam van gehoorzame onderdanen. Maar wij hadden een vleselijke predikant te Thamesditton, die zelden een dag in het jaar nuchter was, nochtans kon deze onderwijzeres hem horen prediken en met welgevallen de verbondstekenen uit zijn handen ontvangen en geen wonder, want de wereld heeft het hare lief. Zij heeft echter bij haar sterven weinig hoop van behoudenis achter gelaten.

Ik was eens in gezelschap met een man en zijn vrouw te Sunbury in Middelsex, waar ik die avond zou prediken. Zij waren bezoekers en kwamen van Londen. Wij geraakten weldra in gesprek over de godsdienst, toen ik ontdekte dat de spraak van de man zeer wereldsgezind was en niets in zich had van de welluidende melodie der hemelse duif. Hij was een mens die veel gelezen had, vooral de werken van geest- en vrije wildrijvers. Ik geloof dat hij vele jaren in wettische overtuigingen verkeerd had, en dat zijn grootste moeite was geweest, om te ontdekken wat er zou worden van de heidenen, zwarten, en ongelovigen. Deze dingen moesten liever aan God overgelaten worden, Wiens oordeel over de wereld ongetwijfeld, overeenkomstig de waarheid zal zijn, en ik geloof, dat beiden, de rechtvaardigen en de bozen, gedrongen zullen worden, om hun Formeerder te rechtvaardigen. Ik lette nauwkeurig op hem, en bemerkte weldra dat hij een leerling aan de voeten van de satan was en op de plek zat, waar ik eertijds tot mijn smart had gezeten. Hij scheen iemand van vele gaven, een sterk geheugen, een vlug verstand, van een leergierigen gemoedsaard en niet zonder kennis van de levende talen, en wonderlijk bedreven in schoolse en hoogdravende spreekwijzen. Ik sprak slechts weinig tot hem, daar ik zag dat hij wijzer was in zijn eigen ogen, dan zeven mannen die reden kunnen verstaan.

Evenwel begon hij bij het middagmaal weer en ik bevond, dat hij was verlost van zijn overtuigingen en benauwdheden, over het gehele menselijke geslacht, door deze leer: dat allen, die in de hel zonken, door het vuur des toorns moesten gezuiverd worden en dat Christus hen, nadat zij aan de Gerechtigheid de schuld des lijdens betaald hadden, in de gunst Gods zou herstellen. En dit was het leerstuk dat zijn ziel verlost had, door dit geloof was hij in de vrijheid en in het genot van vrede in zijn eigen geweten gekomen.

Dit vernemende en bevindende dat het dezelfde strik was, waaruit mijn ziel zo wonderdadig verlost werd, was ik zeker dat zijn oordeel in de leringen der duivelen opgericht was, zijn vrede was niets dan een vermoord geweten, en een van zich afwerpen van alle overtuigingen, vrees Gods, en licht der waarheid. Ik vroeg hem of hij enige hoop had op de verlossing voor al de verdoemden? Hij zei: ja, Christus zou alle dingen wederom oprichten. Ik vroeg hem of hij geloofde dat de duivelen in deze algemene vrijstelling zouden begrepen zijn, Hij antwoordde - ja, zo zeker als ik leef. Ik zei hem, dat, volgens zijn leerstelling, de onmetelijke en ondoorwaadbare kloof, die God voor eeuwig gevestigd had, zou moeten worden gedempt en doorwaad worden; de onsterfelijke worm bezwijken, de eeuwige dood zijn scepter neerleggen en de eeuwig opgaande rook der pijniging des zondaars een einde zou hebben. Waarop hij antwoordde, dat het Woord nooit moest beperkt worden. Ik zei hem dat wanneer het ene beperking duldde ten behoeve der verdoemden, het zulks ook zou dulden tegen de eeuwige verzekering der verlosten en indien zulks het geval was, dan zouden wij zelfs in de hemel in gevaar zijn.

Van allen, die ik ooit hun mond hoorde opendoen, zag ik er nimmer een zo onderwezen in het verdraaien, verwringen, omkeren en wegredeneren van de zin der Schrift en, gedurende onze strijd bevond ik dat ik, in antwoord op het gebed, uit vele van die verzoekingen verlost was, waarin hij zo bevestigd scheen. Ik werd daarom in staat gesteld hem heftig te achtervolgen door al de doolhoven, schaduwen, kuilen, moerassen, misten, nevels, duistere engten en dubbelzinnige wendingen in deze woestijn van algemene liefde, die, gelijk Farao zei, hem omzoomd hadden.

Ik zei, dat als hij in deze grondbeginselen leefde en stierf, hij verdoemd zou worden, indien God en Zijn woord waarachtig waren. Hij zei, dat ik niet moest oordelen, noch menen hem zijn vertrouwen te betwisten. Ik zei, dat ik daar geen hoop op had, want als God een kracht der dwaling zond, dat de mens de leugen zou geloven, zulks was opdat hij verdoemd zou worden, omdat hij de waarheid niet geloofde, maar een welbehagen in de ongerechtigheid had. 2 Thess. 2:11, 12. Evenwel predikte ik die avond voor hem en sloot hem de mond toe, en hij zei tot de mensen dat hij, ik mocht prediken waar ik kon, mijn prediking zou bijwonen; maar ik kan niet zeggen, dat ik enige hoop heb om tot een werktuig gebruikt te zullen worden, om iemand te ontwarren uit de dwalingen waarin hij verstrikt is. O hoe zalig is het, door de Geest Gods geleerd en in alle waarheid geleid te worden door Hem, die nimmer dwaalde Lezer, indien u wijsheid ontbreekt, vraagt ze van God, die mild geeft en niet verwijt.

Er zou geen eind aan komen, indien ik al de wonderlijke uitwerkselen wilde verhalen, die ik van deze Arminiaanse liefde aanschouwd heb, sedert ik in het openbaar ben opgetreden. Gewis, het is ene onmenselijke zaak, men mag het noemen zo men wil, om Gods waarheid aan de zielen te ontroven en ze in dwalingen te bevestigen en ik belijd dat mijn ziel bedroefd is geworden binnen in mij, als ik zulke vreemde verschijnselen van bevinding hoorde, gelijk sommigen verhalen, zoals het zien van geesten, het vechten met duivelen, die, gelijk zij zeggen, zichtbaar zijn verschenen en dan zulke duivelse inbeeldingen, verbeeldingen en valse leerstellingen aan de eeuwig gezegenden Geest Gods toe te schrijven. Zulke boosheid is groot; maar geen wonder, want God zegt, dat wanneer de kittelachtige oren van de zondaar van de waarheid zijn afgewend, zij zich zullen keren tot fabelen. 2 Tim. 4: 4.

Enige tijd geleden was ik aan het inzamelen van giften voor de kleine kapel, welke wij te Sunbury in Middelsex bouwden en een vriend, die mij vergezelde, raadde mij om in ene porseleinwinkel nabij de Oxfotd Markt aan te gaan. Ik bevond dat de man een Arminiaanse prediker was. Hij begon zeer vurig met mij en zei, dat hij gewoon was mij met genoegen te horen, maar dat ik niets anders deed dan op de predikstoel schelden. Ik zei, dat er geen getrouw prediker van het evangelie kon bestaan zonder de duivel te schelden. Hij vertelde mij dat hij allerlei gevoelens over de godsdienst had gelezen en dat hij mij beter kon onderrichten dan ik van de zaak wist.

Ene grote mate van menselijke wijsheid in hem ontdekkende, vroeg ik hem wat hij van het werk des Heiligen Geestes kende, in welke leerstukken de Geest hem had onderwezen, hoedanig zij waren toegepast, wat hij onder Zijn werkingen gevoeld had en wanneer er vrijheid aan zijn ziel was verkondigd? want waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid. 2 Kor. 3:17. Daar deze dingen hem vreemd waren, vond hij het meest voegzaam ze te laten rusten en over een ander onderwerp te spreken, waarom hij mij vroeg wat de ziel des mensen was. Ik begon hem te zeggen wat het woord van God daaromtrent zei, maar hij viel mij in de reden en maakte de zaak uit, door te zeggen dat de ziel des mensen een denkend wezen was, en dat de Geest Gods allen genadig was en dat de echte godsdienst was te denken en te laten denken.

Na een heftig gesprek scheidden wij. Ik begon deze wonderlijke godsdienst te overwegen en dacht dat, als het vrijdenken zielen naar de hemel zou voeren, er even zovele wegen daarheen zouden leiden als er vleselijke mensen op aarde zijn. Evenwel toonde mij de Bijbel weldra de godsdienst der vrijdenkers. De Zaligmaker vroeg Zijn volgelingen en anderen, wat zij van de Christus dachten en zij verschilden, gelijk alle vrijdenkers zulks doen, veel van gedachten; enigen zeiden dat Hij Johannes de Doper was; anderen dachten dat Hij Elias was; anderen dat Hij een der profeten vanouds was; sommigen dachten dat Hij een goed mens was; anderen zeiden, neen; sommigen dachten dat Hij een bedrieger was; anderen zeiden Hij is een wijnzuiper; anderen zeiden dat Hij een vijand van de Keizer was; anderen dat Hij Beëlzebub was; maar enkele weinigen zeiden, dat Hij de Christus Gods was. En evenzo is het nu.

De Arminiaan denkt dat Christus een veranderlik wezen is; anderen houden Hem voor enen engel van de hoogste rang; de Turk denkt dat Hij een voetbank is; de Jood houdt Hem voor enen bedrieger; de Ariaan en de Sociniaan geloven dat Hij een schepsel is; en de Deïst houdt Hem voor een niets. Echter zal Hij heersen tot dat Hij al zijn vijanden aan zijn voeten zal gelegd hebben, en Hij die ze geformeerd heeft, zal ze in stukken slaan als een pottenbakkersvat. Zijt stil, en weet dat Hij God is, Hij zal verhoogd worden op aarde. Daarom: kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op de weg vergaat, hetwelk voorzeker geschieden zal als Zijn toorn slechts een weinig begint te ontbranden.

Maar wat heeft het vrijdenken te doen met de godsdienst van Jezus Christus? Even zoveel als de paus te maken heeft met de sleutelen van de hemel en meer niet; want God kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn, 1 Kor. 3: 20. Laat daarom de ongerechtige man zijn gedachten verlaten, Jes. 55: 7; en, als hij dit niet doet, heeft het evangelie niets aan hem verricht; want het voorziet een evangeliedienaar niet met het zwakke wapen der blote rede, maar met de gaven en genaden van Gods Geest, welke krachtig zijn door God, tot neerwerping der sterkten, omdat zij de overleggingen terneer werpen en alle hoogte die zich verheft tegen de kennis van God en alle gedachten gevangen leidt tot de gehoorzaamheid van Christus; en gereed is om alle ongehoorzaamheid te wreken, wanneer de gehoorzaamheid der uitverkorenen vervuld zal zijn, 2 Kor. 10: 4-6.

Als het vrijdenken de godsdienst van Jezus is, welke noodzakelijkheid bestaat er dan voor, om de gedachten der mensen gevangen te leiden? Maar deze godsdienst heeft niets met die van Christus Jezus te maken, evenmin heeft de geest van Algemene Liefde, die zoveel boosheid tegen Gods uitverkorenen laat blijken, in het belang van opstandelingen, iets gemeen met de Heilige Geest. De God van de hemel en de God van deze wereld zijn twee heren, gij moet de een liefhebben en dienen, en de anderen haten, Matth. 6: 24. Christus en Belial zijn gescheiden en moeten door elk leraar afgezonderd worden gehouden, 2 Kor. 6: 15: de verborgenheid der godzaligheid (1 Tim. 3: 16) en de verborgenheid der ongerechtigheid zijn twee strijdige verborgenheden, 2 Thess. 2: 7; de geest der waarheid en de geest der dwaling (1 Joh. 4: 6) zijn eveneens verdeeld. Een troon der ongerechtigheid moet geen gemeenschap hebben met God, noch zij die moeite verdichten bij inzetting (Psalm 94:20); de geslachten van het geestelijk Israël (Openb. 7: 4) en de geslachten der aarden zijn twee onderscheiden geslachten, Matth. 24: 30; het rechtvaardige volk dat de gerechtigheden lief heeft (Jez. 26: 2) en een volk tegen hetwelk God in eeuwigheid toornt, zijn tweeërlei volken en genoemd worden, Matth. 1: 4.

Het geslacht des Heeren is één gezin, maar het adderengebroedsel is een ander (Matth. 23: 33); een gelovige en een ongelovige behoren niet hetzelfde deel te hebben, hun aandelen verschillen veel; de eeuwige God heeft een scherpe lijn getrokken door welke eens iegelijks deel hem toekomt; de snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen, zegt David, ja ene schone erfenis is mij geworden, Psalm 16: 16. Zij was voor hem voorverordineerd, 1 Thess. 5: 9. En de erfenis eens bozen, of zijn deel, komt eveneens van Gods voorverordinering: Dit is het deel der goddeloze mensen van God, en de erve zijner redenen van God, Job 20: 29. Als een mens rechtvaardigheid ontvangt van de God zijns heils, is het Gods snoer dat hem bereikt heeft, Jes. 34: 17; en, zo barmhartigheid en vrede op hem zijn, is hij waarlijk een Israëliet en geniet zijn zegeningen alleen, terwijl hij naar Gods regel wandelt, Gal. 6: 16. En wee dien mens, die door Gods perken breekt, Exod. 19: 21; Job 14: 15. Zijn richtsnoer verplaatst Psalm 19: 4, of inbreuk op zijn regel maakt, Filip. 3: 16. Het is waar, dat wij er sommigen hebben die Gods perken, richtsnoeren, regelen noch perken achten, maar zij die doorbreken, zullen bevinden dat de helse slang hen bijt, Pred. 10: 8.

Evenwel is Algemene Liefde in dit werk een geruim eind weg gevorderd, zij heeft zich vermeten om Jehovah en Lustigheid samen te verbinden, gelijk in het Algemene Gebed van Pope, waar de heilige en de menseneter gelijk gesteld worden. Anderen, die gewapend zijn met het ijzeren borstwapen van een dicht geschroeid geweten, strijden tegen de allerzekerste waarheid des Bijbels; en verklaren door kracht van toverkunst, de zin van anderen weg, om ze te doen stroken met de vleselijke rede, Jes. 41: 21. Anderen bootsen de verborgen vlam van de Heilige Geest der liefde tot God en Zijn uitverkorenen na, onder de naam van Algemene Liefde; en trachten door dit middel de wereld en de gemeente te verenigen; ofschoon God zegt: gaat uit het midden van haar, scheid u af,.

Vervolging is een hefboom, die door God vastgesteld is, om het verwerpelijke van het kostbare gescheiden te houden: gij zult van alle mensen gehaat worden om Mijns naams wil; en zulks is omdat ik u heb uitverkoren uit de wereld. Verkiezing en verwerping zijn Gods twee bergen van koper, Zach. 6: 1. De wagen der verlossing, met zijn witte paarden, Zach. 6: 3, Hab. 3: 8, kwam van tussen hen uit Zach. 6: 1. Zelfs van eeuwigheid, gelijk haar bekleed zijn met eeuwige liefde getuigt. Hoogl. 3: 10, Jer. 31: 3. De Zaligmaker beklom van eeuwigheid deze wagen en met Zijn zwaard aan Zijn heup gegord, rijdt Hij voorspoedig voort op het woord der waarheid, om toegerekende gerechtigheid en zachtmoedigheid te besteden aan alle Zijne uitverkorenen, Hab. 3: 8, Psalm 45: 3, 4.

En al de dochters, of maagdelijke zielen, die van eeuwigheid in de heilige oorkonden der eeuwigheid werden beschreven, klimmen op in deze wagen en rijden met hem. Zij werd gebouwd en met eeuwige liefde bekleed voor de dochters van Jeruzalem, Hoogl. 3: 10; en haar namen zijn beschreven in het hemelse Jeruzalem, Jes. 4: 3. En ofschoon sommigen deze wagen volstoppen met Kaïn, Judas, Ezau en alle verworpenen, zo zal echter deze wijze Koning de bozen verstrooien en het rad over hen brengen, Spr. 20: 26.

De rolle van Gods eeuwige besluiten is verzegeld met zeven zegelen, Openb. 5: l; en omdat zij door de Heilige Geest verzegeld zijn Efeze 1: 13, kunnen deze algemene liefdedrijvers hun namen daar niet ingeschreven zien, Hab. 3: 8; Psalm 45: 3, 4, noch hun geslachtslijst onder de Israëlieten terugvinden, Neh. 7: 64; zodat zij in strijd zijn met allen, die ijveren voor Gods geslachtsrekening. De heerlijke opgang uit de hoogte, Christus Jezus, de eeuwig gezegende Zaligmaker, die onze voeten bestuurt in de weg des vredes, is ook verzegeld, Joh. 6: 27, zodat de onfeilbare Ariaan Hem niet tot de volmaaktheid kan doorgronden, Job 11: 7, ofschoon hij Hem onttroont, Zijn eer in het stof vertrapt en Gods ontzettende uitdagingen heeft genomen, namelijk die van de rots der zaligheid te verwijderen Job 18: 4 en die van de eeuwige opgang uit de hoogte zijn plaats te doen kennen. Job 38: 12, Luk 1: 78.

De Bijbel is evenzeer een verzegeld boek, Jes. 29: 11 en al zijn waarheden zijn verzegeld onder Christus' discipelen, Jes. 8: 17 en niemand dan een geestelijk discipel verstaat dezelve recht:

"De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn en het kan ook niet, omdat zij geestelijk onderscheiden worden; ja, zij zijn hemzelf een dwaasheid." En ofschoon God zijn wetten in de harten van Zijn uitverkorenen schrijft en Zijn getuigenissen onder Zijn discipelen verzegelt, en zij uit hun eigen harten nimmer zo duidelijk prediken, zo blijkt het echter een werk te zijn, dat een zelf bevredigd mens op generlei wijze zal geloven, ofschoon hem zulks gezegd wordt. Hab. 1: 5.

De gemeente noemt zich een muur Hoogl. 8: 10; en als God, door Zijn Geest, Zijn wet in haar hart schrijft, gelijk Hij zulks deed tegen de muur van Belsazars paleis en op de arme zielen, die sidderen onder de gestrenge indruk en tot zulke mensen lopen die last hebben ontvangen om Gods handschrift op hun geweten te lezen, ondervinden zij dat een weleerwaarde vader in God slechts in naam, of een vleselijke Doctor in de letteren, niet beter te recht kan komen met het handschrift dan de Babylonische tovenaars met de woorden Mene, Mene, Tekel, Ufarzin. Dan. 5: 25. Zij kennen de bepalingen Gods in de voorzienigheid niet, en vestigen er daarom geen aandacht op, dat God de jaren van een koninkrijk telt, en voleindigt. Zij zijn nooit in de weegschaal der gerechtigheid geweest en weten daarom niet wat het is, te licht bevonden te worden, en daar zij niet bekend zijn met Hem, door Wie de koningen regeren, kunnen zij niet denken dat Hij het is, die koninkrijken geeft aan wie het Hem behaagt. Evenwel berichtte Belsazars vrouw hem, dat de Geest der heilige goden in Daniël was, en dat hij, naast God, de man was om twijfelingen op te lichten en moeilijke zaken te verklaren; en zulke uitleggers zijn er zo weinigen dat Elihu ze vergelijkt bij één uit duizend. Job 33: 23.

Ik heb zielen gekend, die onder zware overtuigingen naar vleselijke priesters gingen om raad en zeer vreemde vertroosting voor een benauwd geweten ontvingen. Sommigen hebben hen aangeraden romans te lezen, teneinde het ontwaakte geweten te smoren; en waar dit overwint moet de toorn Gods hen wakker schudden, gelijk geschreven is: en hij deed zijn ogen op in de pijn. Luk. 16: 23. Ik heb anderen gekend die bevel gaven, dat de bijbel van hen zou worden afgenomen alsof de belofte van het eeuwige leven, (welke in de hand des Geestes een verloren zoon tot zichzelf bracht, en de gebondene onder de graven tot zijn verstand) een strik was om zielen voor de satan te vangen. De zodanigen noemen, in het wezen der zaak, de Meester van het huis en de inhoud des Bijbels, gelijk anderen gedaan hebben, Beëlzebub en al zijn geestelijke dienaren dwazen en zeggen, dat de strik eens vogelvangers op al haar wegen is. Hos. 9: 7, 8.

Ik weet dat blinde leidslieden het gebruik van wijn hebben aanbevolen, om ene benauwde van geest te genezen: maar het moet alleen de nieuwe wijn des koningrijks zijn, die hen zal verkwikken die bedroefd van hart zijn. Spreuk. 31: 6. Ik weet, dat aan andere verwonde zondaars, door geneeskundigen, is aanbevolen, om hen ene Spaanse vliegpleister aan het hoofd te leggen, hetwelkeen zeer vreemd geneesmiddel is om de angel des eeuwige doods uit het geweten te trekken. Ene arme vrouw te Thamesditton, die nimmer het evangelie had gehoord, was bitter in haar ziel gewond en bracht haar droevige klachten tot enen blinde priester. Welke troost zij bekwam weet ik niet, evenwel, toen zij terugkeerde stortte zij zich in een put, maar werd er zonder bezeerd te zijn, uitgeholpen. Spoedig daarna ging zij naar enen andere blinde gids, van dezelfde familie en ging toen naar huis en poogde zich de hals af te snijden. Ik hoorde zulks en ging naar het huis, maar werd aan de deur tegen gehouden, echter, na langdurige overreding verkreeg ik toegang en noemde haar de oorzaak van haar zielsbenauwdheid. Zij zei dat het waarlijk zo was en scheen zeer verblijd van enen Zaligmaker te mogen horen, maar voordat ik haar weer kon bezoeken was zij in het krankzinnigen huis St. Luke.

Ik ging met twee godzalige mensen naar het krankzinnigen gesticht; maar de vrouw die de sleuteldraagster was, tot mijn grote droefheid en teleurstelling, iemand van de vrije wil richting zijnde, vraagde mij of ik tot Whitefield of tot Wesley behoorde? Deze vraag kwam mij zeer vreemd voor en ik antwoordde dat ik tot geen van beiden behoorde, doch dat ik instemde met de leerstukken van Whitefield; doch het bleek dat er in dit geval geen toegang voor mij was. Welk een ellendig werk dit is zal God hen op de enen of anderen dag tonen, want zij sluiten het koninkrijk Gods voor de mensen. door de vrije wil kunnen zij zelf niet ingaan, en beletten zulks aan anderen. O mijn ziel, kom niet in hun verborgen raad, noch in hun vergadering, maar, verlos Gij ons, goedertierene Heere! van al zulke blindheid des gemoeds, van alle trotsheid, ijdele eer en huichelarij, van wangunst, haat, boosheid en van al zulke liefdeloosheid!

Deze Liefdiaanse geest, of vleselijke drift, welke deze vrijdenkers menen dat de eeuwig gezegende Geest Gods is, zal, zeggen zij, gunstig over allen oordelen en tegen niemand getuigen. Zij menen, wanneer iemand een vast geloof vasthoudt, wij er het beste van moeten denken, ofschoon God ons zegt ijverig te strijden voor het geloof dat de heiligen eenmaal overgeleverd is. Als wij bevinden dat een mens zich aan dwalingen vastklemt, dan mogen wij, zeggen zij, hem geen bedreigingen toewerpen - dat is liefdeloos; noch tegen hem getuigen, alhoewel hij de onderrichtingen weigert. Maar God gelast ons de spotter uit te drijven, en het gekijf zal weggaan; en het geschil met de schande zal ophouden, Spreuk. 22: 10. Als een belijder in het leven te voorschijn komt als een die God en de mammon dient, dan zouden wij echter het beste van hem moeten denken, hoewel God zegt: Tekent dien, en heb met hem geen gemeenschap.

God verklaart dat een eigengerechtig Farizeeër verder van het koninkrijk der hemelen verwijderd is dan tollenaren en hoeren; nochtans zouden wij slechts over hun leven moeten oordelen, en als zij onbewust, verkleumd en gevoelloos sterven, wie zou hen dan durven veroordelen, of zelfs enige twijfel noemen aangaande hun gelukkig afsterven? dat is liefdeloos, hoewel God zegt: de goddelozen hebben geen banden tot hun dood toe en hun kracht is fris, en wederom: dat zulken hun ogen in de hel zullen opdoen.

Als de leer der eeuwige verkiezing beledigend is voor hen, die enige grond voor eigen roem verkondigen, dan moeten wij daar afblijven, zegt Algemene Liefde, alhoewel het de hoofdwaarheid des Bijbels is en de grondslag van al de anderen uitmaakt; nochtans moeten wij er afblijven, liever dan ergernis verwekken; ofschoon ons God gelast Zijn waarheid te spreken, en geen woord achter te houden, Jer. 26: 2. Als iemand niets heeft dan ene gedaante van godzaligheid, en God daarmee bespot, zo mogen wij nochtans niets tegen hem, of tegen zijn vormelijkheid zeggen, al is hij ontbloot van genade, zegt Algemene Liefde, ofschoon Christus verklaart, dat zulken een zwaarder oordeel zullen ontvangen en wij ons van zulken moeten afkeren.

Als wij iemand in het Arianisme of het Socinianisme verward vinden, dan moeten wij gunstig over hem oordelen, want ofschoon zij in gevoelen van ons verschillen, zegt Algemene Liefde, kunnen er enige goede zielen onder hen zijn. Dus een algemene liefdedrijver is een mensenbehager. De Arminiaan roept u op om de vaste spijze, of de wezenlijke waarheid des bijbels te laten varen, de Ariaan en de Sociniaan willen van u, dat gij uw God loslaat en dat gij uw knieën voor een schepsel buigt, de Antinomiaan roept u op tot het overgeven van de levendmakende kracht des Geestes, uw dagelijks kruis en een teer geweten; en de Deïst maakt er kort werk van: hij zegt u dat er ene eerste oorzaak is, die in het begin in de schepping behulpzaam was, maar die niets te maken heeft met ons einde, hij verklaart, dat God de aarde heeft laten varen. Deze zijn spotters (Ezech. 8: 12), die zeggen: zou er wetenschap zijn van onze wegen bij de Allerhoogste? Psalm 73: 11. Het woord heeft zijn grote kracht in zichzelf en alle dingen blijven gelijk in het begin der schepping, 2 Petr. 3: 4, maar van Zijn komst ten oordeel zijn zij willens onbekend, 2 Petr. 3: 5, omdat zij tot geen volkomen verantwoording willen geroepen worden. Gelijk zij nooit God aanroepen, denken zij dat God hen nooit zal oproepen; daarom is de prediking van het evangelie nutteloos naar hun mening, maar slechts om ene onkundige menigte, die niet beter weten, bezig te houden; de Bijbel is niets dan bedrog, godsdienst slechts priesterlist en de mens moet sterven gelijk een dier. Het zou gelukkig voor de Deïst zijn als hij zijn dagen in vernietiging kon eindigen, gelijk een dier zulks doet; maar dat kan niet bestaan, want God heeft gezegd dat allen geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, en ik kan geloven wat de Heere zegt, omdat mijn oordeel reeds voorbij is en ik gerechtvaardigd ben door ene daad van vrijmachtige genade.

Alzo Algemene Liefde achtervolgd hebbende, bevinden wij, dat zij in ene wonderlijke mate werkt in hen die rein zijn in hun eigen ogen en van hun drek niet gewassen: ik bedoel de Farizeeën, Spreuk. 30: 12. Deze liefde is ook te vinden in Pausgezinden, Heidenen en Deïsten, zowel als in de vrije wil drijvers; en het schijnt dat duivelen, opstandelingen, redeloze dieren en insecten meer de voorwerpen van hun medelijden zijn dan een gezond orthodox Christen. De heftigste strijd waar zij in geraken is tegen God en Zijn woord, ten behoeve van dwalingen. Voorwaar, als Mijnheer Algemene Liefde uit God was, zou genade, en waarheid genade in zijn ogen vinden.

Evenwel zullen wij, overeenkomstig het gebod van de koning, een gerechtshof bijeen roepen, en hem voor een onpartijdig verhoor brengen, daar ons geboden wordt de geesten te beproeven of zij uit God zijn; en als wij Algemene Liefde op aarde binden, zal hij in de hemel gebonden worden. Daar meester IJVER VOOR GOD hem in hechtenis genomen heeft, worde hij gebonden en in verzekerde bewaring gesteld, en toevertrouwd aan de zorg van Meester UITVERKIEZING, de gevangenbewaarder; en ik geloof dat hij niet gemakkelijk uit zijn handen zal ontkomen, want ik weet dat bij geen vriend van hem is. Vraag hem terwijl gij hem naar zijn gevangenis geleid, op wie hij zich beroept en voor welker vierschaar hij verkiest onderzocht te worden, alleen om te horen wat hij zegt. Want, gelijk Milton aanmerkt - geen bedrog kan de toets van het hemelse gemoed verdragen.

Zo vraagde Meester IJVER VOOR GOD hem, zeggende: wel, Mijnheer Algemene Liefde, op wie beroept gij u? Antwoord. - ik beroep mij op onpartijdige rede en begeer verhoord te worden in het eervolle gerechtshof van geweten. Zo berichtte Meester IJVER VOOR GOD aan meester evangelie BEVINDING, de overheid, wat Liefde gezegd had. - och, zei de overheid, zijn beroep toont zijn geboorte aan; bij is een kind des vleses en het is op het vleselijk gerechtshof dat hij zich beroepen heeft; was hij van boven geweest, dan zou hij zich beroepen hebben op de heiligen, en op de wet en de getuigenis, want de wijsheid wordt gerechtvaardigd van haar kinderen. Als hij de toets van Gods woord niet kan doorstaan, is hij niet van boven, maar aards, natuurlijk en duivels, Jakob. 3: 15.

Wat zijn beroep op ONPARTIJDIGE REDE betreft, zulk een persoon bestaat er niet; het is slechts een verschijnsel dat door schelmen wordt vereerd en door dwazen bewonderd. Maar zijn beroep is slechts om het onderzoek uit te stellen; want wij zouden hem naar al de gerechtshoven in de wereld kunnen voeren, eer dat wij ONPARTIJDIGE REDE in de rechtbank zouden vinden; en, wat betreft de vierschaar van GEWETEN, het is de vierschaar der heidenen, die de wet niet hebbende, zichzelf ene wet zijn, hun geweten medegetuigende en de gedachten onder elkaar hen beschuldigende, of ook ontschuldigende, Rom. 2:.14, 15. En waar een gezelschap van vleselijke gedachten de gezworene zijn en een rein geweten de rechter, daar moeten de zaken wel slecht behandeld worden. Ik weet dat Saulus voor dit gerechtshof gerechtvaardigd werd, om het vervolgen van de Rechter van levenden en doden en om het vermoorden van de heiligen Gods (Hand. 26: 9), volgens zijn eigen belijdenis.

ik meende waarlijk, zei hij; bij mijzelf, dat ik tegen de naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen, hetwelk ik ook gedaan heb. En Christus zegt: het uur komt, dat een ieder, die u zal doden, zal menen Gode een dienst te doen, en deze dingen zullen zij u doen, omdat zij de Vader niet gekend hebben, noch Mij.

Dit gerechtshof schijnt niet aan de zijde Gods te zijn; het is van overlang reeds zo verward geweest dat zij het kwaad goed noemen, en het goed kwaad; het heeft zelfs duisternis voor licht gesteld, en licht voor duisternis, Jes. 5: 20. En eilieve wat is dit anders dan God in de plaats van de satan en de satan in de plaats van God stellen? God is licht (1 Joh. 1: 5) en de satan is duisternis, Luk. 22: 53.

Roep meester IJVER VOOR GOD, en zeg hem bij mij te komen.

Meester IJVER VOOR GOD, ga naar de kerker en zeg aan Algemene Liefde, de gevangene, die zijn beroep op ONPARTIJDIGE REDE, en het gerechtshof van VLESELIJK GEWETEN, geweigerd wordt: daar zijn misdaad geestelijk is kan zij niet in een vleselijk gerechtshof onderzocht worden. Paulus werd naar zulke rechtbanken gevoerd, maar deze konden geen vonnis over zijn zaak uitspreken; zij erkenden dat hij niets gedaan had dat des doods of der banden waardig was en hielden hem nochtans gevangen; anderen zeiden dat zijn grote geleerdheid hem tot razernij bracht (Hand. 26: 24), wanneer hij terzelfder tijd woorden van waarheid en matigheid met zulk ene wijsheid en kracht sprak, dat hij de mond van enen welsprekende redenaar toesloot en zijn rechter deed sidderen. Dit was, naar mijn mening, voldoende om allen overtuigd te hebben, dat bij de enige persoon in het gerechtshof was die bij zijn verstand was.

U kunt hem vragen of hij verkiest verhoord te worden voor Meester ONDERSCHEIDER der GEESTEN, de afgevaardigde rechter, die tot dat werk gematigd, en door God zelf aangesteld is, 1 Kor. 12: 10. Zo deed Meester IJVER voor GOD hem de vraag en gaf hem tevens de reden te kennen, waarom zijn beroep op ONPARTIJDIGE REDE en het gerechtshof van GEWETEN, werd afgewezen. Hierop weigerde Mijnheer Algemene Liefde het GEESTELIJKE GERECHTSHOF en zei dat hij liever wenste onderzocht te worden in het hof der RECHTSPLEGING. Hij beriep zich op Mozes, uitroepende, gelijk anderen zulks gedaan hebben: ik ben Mozes discipel.

Toen keerde Meester IJVER voor GOD terug, en bracht het antwoord van Liefde aan de oude Meester EVANGELIE BEVINDING, de overheid, die hem tevoren ondervraagd had; en toen de oude heer het beroep en de belijdenis van de gevangene gehoord had, barstte hij uit van het lachen, zeggende: noemt hij zich Mozes discipel, en beroept hij zich op Mozes? laat hem zijn gang gaan zei de oude heer, uit zijn eigen mond zal hij geoordeeld en door zijn eigen raad verworpen worden. Tevoren zei bij dat God zijn vader en dat hij de ware liefde van het evangelie was en van goddelijke afkomst was, en in veler hart was uitgestort door de Heilige Geest. Evenwel bewijst zijn gevangen zijn, dat hij niet van de Goddelijke broederschap is, als hij dat was, dan zou de Dood zelf hem niet gevangen hebben kunnen houden, want de liefde is sterk als de dood, Hoogl. 8: 6. Deze dubbelzinnige antwoorden bewijzen dat hij een bastaard en afstammeling van een verborgen hoer is. Salomo zegt ons dat haar gangen ongestadig zijn, dat men het niet merkt (Spreuk. 5: 6); en Mijnheer Algemene Liefde verstaat, zo het schijnt, goed de kronkelende doolhoven van zijn ontuchtige moeder. Hij zou echter evenmin gunst vinden bij Mozes als bij Meester ONDERSCHEIDING der GEESTEN, want hij heeft de stoel van Mozes ingenomen en lasten gebonden, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en ze op de schouders gelegd, maar hij heeft nooit zijn vinger uitgestoken om die te helpen verroeren, Matth. 23: 4. Bovendien beschuldigt Mozes elke vormelijke belijder die zijn vertrouwen op hem stelt. Ik ben verzekerd dat Mozes nooit zijn stoel aan Algemene Liefde heeft nagelaten; evenmin heeft hij, door zijn voorbeeld, iemand onderwezen om ten behoeve van verraders, met God te twisten. Mozes is nooit bij de Allerhoogste tussen getreden voor Korach, Dathan en Abiram, maar rechtvaardigde God in hun verderf en deed Aäron stille zijn toer, Nadab en Abihu gedood werden, omdat ze dronken in de tabernakel waren.

Bovendien heeft Mijnheer Algemene Liefde Mozes tegen gesproken, en hem tot een leugenaar gemaakt. Mozes zegt dat God zich ontfermt diens Hij zich ontfermt, maar Algemene Liefde heeft de vrijmacht van die heerlijke en vreselijke naam de Heere uw God (Deut. 28: 58) weg gepredikt en tracht Gods barmhartigheid op allen, zonder onderscheid, te vestigen. Mozes heeft ons gezegd niet te horen naar enig profeet, of dromendromer, die zal opstaan en onzekere voorspellingen uit zijn eigen goddeloos hart geven, of naar enig profeet, die vervuld schijnt van algemene liefde voor alle zondaars, indien zulks in het minst onze liefde tot de vrijmachtige Heere van hemel en aarde verdooft; evenmin veroorlooft Mozes om te twisten met Gods raadsbesluiten ten behoeve van opstandelingen: wanneer een profeet, of droomdromer in het midden van u zal opstaan, en u een teken geven: - (veronderstel dat hij u zegt dat het strijden voor verraders een bewijs is van een Christelijke geest en vleselijke volmaking een wonder van de Heere der heirscharen) gij zult naar de woorden van dien profeet, of naar dien droomdromer niet horen; die u wil overhalen om Gods raadsbesluiten te haten, en hen te doen liefhebben die God haat; want de Heere uw God verzoekt ulieden, om te weten, of gij de Heere uw God lief hebt met uw gehele hart, en met uw gehele ziel; hetwelk niemand kan, die de vrijmachtige raadsbesluiten zijns Formeerders haat; daarom zal diezelfde profeet, of droomdromer gedood worden, want hij heeft enen afval gesproken tegen de Heere uw God, Deut. 13: 1-5.

Mozes was geen vriend van opstandelingen; hij bedong de liefde van Israël voor God alleen (Deut. 6: 5) en verklaarde God te jaloers, om Hem met een verdeeld hart tevreden te stellen, Exod. 34: 14. Hij zegende de stam van Levi om hun ijver voor God tegen de afgoderij, en om hun weigering om hun vaders of moeders, broeders of kinderen te achten, wanneer zij geroepen werden tot het uitvoeren van Gods oordelen over afgodendienaars, Deut. 33: 9. Mozes was geen vijand van toegerekende gerechtigheid, gelijk blijkt uit het negende hoofdstuk van Deuteronomium.

Hij predikte onderscheidende genade en vrije genade (Exod. 23: 19), verhoogde de vrijmacht des Heeren zijns Gods (Deut. 32: 3), en was een verschrikkelijke vijand van de toverkunst (Deut. 18: 1012), hetwelk alles door Algemene Liefde wordt tegengesproken, maar door zijn beroep op Mozes, blijkt het duidelijk, dat hij, die in het evangelie dwaalt, nimmer de kracht der wet heeft gezien of gevoeld; als hij zulks had, zou hij zich niet op een beschuldiger beroepen, om als advocaat te handelen. Mozes beschuldigt alle vormelijke lieden voor God, Joh. 5: 45; en blaast allerwegen de bazuin van het Jubilee, de blijde boodschap van losmaking der kluisters van het Arminianisme en van iedere dienstbaarheid hoegenaamd, behalve van het zachte juk van de grote Messias.

Nochtans, de God van de hemel houdt vier boeken, waarvan Algemene Liefde onkundig schijnt te zijn: ten eerste, het boek des levens, Openb. 20: 12; ten tweede, het gedenkboek voor Gods aangezicht, Mal. 3: 16: ten derde het boek der wet, Deut. 28: 61; en ten vierde, het boek der consciëntie, Rom. 2: 15: en alle soorten van booswichten zullen worden geoordeeld naar de dingen, die in deze boeken beschreven zijn, Openb. 20: 12. die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan, Rom. 2: 12. Het geweten zal licht en indruk van het oog der Gerechtigheid ontvangen, hetwelk haar zal noodzaken om haar werk te volvoeren, Exod. 24:25, Joh. 8: 9; en de uitspraak des gewetens zal voldoende zijn om de mond van de zondaar te doen zwijgen en hem af te snijden van alle hoop op God; nochtans zal zijn eigen uitspraak in het leven en hem verteren, als een worm die niet sterft, Jes. 66: 24.

Die zondigt onder de wet, zal door de wet geoordeeld worden, Rom. 2: 12; en daar hij nooit de wil des Heeren in het evangelie hoort, zal hij niet geslagen worden met de slagen van smartvolle herinnering aan het vervolgen, verachten of verwaarlozen van het evangelie: hij zal met weinige slagen geslagen worden. Luk. 12: 48. Maar die het evangelie hoort en in hoogmoed roemt over zijn diepzinnige kennis, zeggende, ben ik ook blind? zijn zonde blijft; en door voor vrije wil en kracht te strijden, roemt hij slechts in eigen bekwaamheid. Zo hij des Heeren wil niet ten uitvoer brengt, is hij een evangeliezondaar en wordt gerangschikt bij de huichelaars en ongelovigen en zal verdoemd worden om zijn geloof. Matt. 24: 51.

Als het laatste oordeel vergaderd is, zullen al deze boeken worden geopend en de doden worden geoordeeld, overeenkomstig de dingen die er in geschreven zijn. Dan. 7: 10. De mens, die tegen zijn eigen geweten zondigt, verbreekt de wet der natuur: de zodanige is verkeerd en zondigt, zijnde bij zichzelf veroordeeld. Titus 3: 18; en door deze zondige daden stelt hij zich bloot aan de straf van de worm die niet sterft, Jes. 14: 11; Mark. 9: 44; maar als hij tot kennis komt van de geschrevene wet en daartegen zondigt, breekt hij door Gods banden, zondigt tegen de heerlijke Gods bedeling (2 Kor. 3: 7), wordt door de wet overtuigd, dat hij een overtreder van dezelve is, en stelt zijn ziel bloot aan haar oordelen en vloekspraken, die allen op hem blijven zullen. Deut. 29: 20.

Maar zo hij, na dit alles, het evangelie hoort en het woord des levens, dat Christus sprak, niet gelooft, zal Die hem oordelen, Joh. 12: 48; de apostelen getuigen tegen hem, Matt. 24: 14, dat hij een verachter is van het Evangelie, hij zal geoordeeld worden uit het boek des levens en voor de geestelijke rechtbank van het evangelie, omdat hem het evangelie geweest is ene reuk des doods ten dode. 2 Kor. 2: 16, Hij roemde in kracht om te volbrengen, maar deed zulks niet, Luk. 12: 47; hij beloofde in Christus wijngaard te gaan, maar ging niet, Matt. 21: 30; hij kreeg ene uitnodiging, maar bad om verontschuldigd te worden, Luk. 14: 18; zo iemand is door de banden van het evangelie gebroken en heeft haar touwen van zich geworpen; en, daar hij gezondigd heeft tegen de wetten der vrijmachtige genade (Heb. 10: 29), is hij schuldig aan de grootste overtreding, omdat hij gezondigd heeft tegen de bedeling van Gods Geest (2 Kor. 3: 8), en alzo heeft hij de Geest der genade miskend, tegengestaan en smaadheid aangedaan Heb. 10: 29; zijn boosheid is geestelijk (Ef. 6: 14), en zijn slagen moeten velen zijn.

Het is inderdaad ene zonde tot de dood, als zelfs verzoenend bloed hem niet kan genezen en er blijft geen slachtoffer meer over voor de zonden van zo iemand, Heb. 10: 26, 27, ziende dat hij het natuurlijke licht verdonkert door te zondigen tegen zijn eigen geweten en tegen het licht der wet, door het gebod te overtreden; en zo gaat hij tot de donkerheid en de duisternis, het geklank der bazuin, en de stem der woorden; dan hoort hij het evangelie, maar volbrengt het niet; belooft in de wijngaard te zullen gaan, maar bespot Christus en gaat niet; hij heeft ene nodiging tot het evangelie, waar bidt om verontschuldigd te worden; roemt in licht als hij in de duisternis der dwaling verkeert, en daar bij zegt: ik zie, zo blijft hij in zijn zonde. De satan, veranderd zijnde in een engel des lichts, verleidt hem, om de Geest der Genade smaadheid aan te doen. In welk een toestand moet zo iemand zijn! indien het licht dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelf zijn! Matt. 6: 23. Dus is hij in Egyptische duisternis, ja in de donkerheid en duisternis; en zelfs onder het evangelie is zijn licht duisternis; het vonnis zal daarom, op de grote dag, ongetwijfeld zijn: werp de onnutte dienstknecht uit in de buitenste duisternis, daar zal wening zijn en knersing der tanden; waar de worm, of het vonnis van een beschuldigend geweten, hem zal knagen: de vloek der wet op hem zal leggen en al de doorvlijmende overdenkingen, die op zijn geroemde wil en kracht geworpen worden, om het vertreden van het verzoenend bloed en de Heilige Geest der genade te smaden, zullen zo iemand dieper slaan dan de levende worm of de eeuwige vloek van God.

En, nu, Meester IJver voor God, zal ik het aan u overlaten, uit te wijden over de woorden van de Zaligmaker: die de wil zijns Heeren geweten en niet gedaan heeft, die zal met dubbele slagen geslagen worden. Echter, daar hij verlangd verhoord te worden voor het gerechtshof, heb ik daar niets tegen; want het zal gedaan worden door geestelijke mensen, zulken die bekwaam zijn om zijn misdaad te verstaan. Hij voegde er voorts bij, dat Meester Onderscheiding dsr Geesten de volgende dag zou aankomen, hetwelk geschiedde, waarop het gerechtshof vergaderde.