De geschiedenis van Klein Geloof

W. Huntington. s. s.

DERDE SAMENSPRAAK.

Rentmeester. Wel, gij keert spoediger terug dan gijgedacht had: het is ternauwernood twee uren geleden, sedert gijvan hier vertrok,

Herder. Wanneer de steen van de mond des putsafgewenteld is (Gen. 29: 3) dan tracht ik al mijne troggen, alsik kan, te vullen; en als ik reeds genoeg water gehaald heb, ishet drenken spoedig, met gemak en genoegen afgelopen. Hetzwaarste werk is om de steen af te wentelen: en somtijds is hetwerk om water te putten, want de put is diep en allerontzettendstdiep als de fonteinen laag zijn. Zeg mij eens, zijt gij hier alde tijd geweest?

Rentmeester. Al dien tijd; en ik ben bijna verwonderddat Klein Geloof mij niet ontdekt heeft, want hij houdtzich meer aan mijne slippen vast, dan iemand van het huisgezin.

Herder. Ik was, terwijl ik voortliep, aan het denkenover hetgeen gij zei over de ellendige zonde des ongeloofs enhare ontzettende gevolgen: en ik denk dat dit de hoofd ader vande verdorvenen boom is, die het menselijk gemoed aangreep, toende wederpartijder de bijl aan de harten van onze eerste ouderslag; want het menselijk gemoed is nooit zonder natuurlijk geloof,want als de Koning van de bodemlozen put, of een van zijnekinderen, een duizendtal onmogelijkheden, zelfstegenstrijdigheden, uitstekende en blinkende valsheden tevoorschijn brengt, zullen zij vertrouwen erlangen als zij slechtsverguld of vernist zijn. Als iemand voorgeeft dat de satan satanuit kan werpen, wordt zulks geloofd. Als de gemene soldatenHerodes vertellen, dat de discipelen des Zaligmakers Hem gestolenhebben, terwijl zij sliepen, 'dan is Herodes overtuigd, envertrouwt het getuigenis van een ooggetuige, die vast sliep.Simon Magus verwierf het vertrouwen en de genegenheid van enegehele stad, en gaat door voor de grote kracht Gods, maar als deKoning komt, wordt hij Beëlzebub genoemd. Zo kwam de Heere in denaam Zijns Vaders, en werd niet ontvangen; een ander komt in zijneigen naam, en hem ontvangen zij allen. Hieruit blijkt het dathet Ongeloof alleen de God der Waarheid tot onderwerp heeft; zijdeinst terug om iemand anders dan God tot leugenaar te maken:want huichelaars, schelmen, tovenaars en duivels kunnen geloof opaarde vinden, om, alles aan te nemen wat in de hel uitgebroeidwordt, maar ene goddelijke boodschap vindt m ons geen plaats,voordat ene Goddelijke kracht een toegang en verblijfplaatsschenkt.

Rentmeester. Dat is wat ik u te voren zei dat hetOngeloof God tot enen leugenaar maakt; en het is de eerste zondedie ooit het gemoed, hetzij van mensen of gevallen, engelendoordrong. Duivelen geloven in enen toekomenden toorn, ensidderen; maar zij kunnen geen vertrouwen op Goddelijkegoedertierenheid oefenen, uit gebrek aan een Goddelijk bevel, ofeen gegeven offer, of een aangekondigde belofte. Maar de kinderender mensen hebben een stem, die tot hen gericht is, maar zijkunnen die niet ontvangen, want zij zijn allen onder het ongeloofbesloten: nochtans zullen de erfgenamen der belofte zekergeloven; want de belofte brengt niet slechts de zegeningen, maarook het vertrouwen met zich en dit ondervindt en gevoelt KleinGeloof somtijds, niettegenstaande de slechte handen en hetwreedaardig bestuur dat hij ondervonden heeft.

Herder. Ik zie nu het geval van Klein Geloof duidelijkerdan ooit in: maar ik geloof dat de dienaren, die dehuichelachtige doophefsters, bij de arbeid der Koningin, vanSinaï brachten, het meeste te laken waren; ik bedoel die, welkede geboorte van Klein Geloof verhaasten; die, welke hemrond het Paleis lokten, en voedden; en die, welke deze aannamen;en de min zelf die Hagar toeliet het kind te zogen, want elkverstandig mens moest geweten hebben, dat welke besmetting enevrouw ook heeft, deze hare melk aandoet, en onvermijdelijk hetkind besmet dat er op leeft; en ik geloof dat het beter voor KleinGeloof geweest, zou zijn, op de melk van de woudezel, die aande woestijn gewoon is, te leven; in hare maand zullen zij zevinden (Jer. 2: 24), dan op de melk van de dienstbare vrouw, dieovereenkomstig de oude oorkonden nooit gezuiverd, noch gereinigdwas.

Rentmeester. Die dienaren zijn ongetwijfeldberispelijk: ook zal haar gedrag niet, zonder kwalijk genomen teworden, voorbij gezien worden, noch zij zelven zonder bestraffingblijven; want wat ook voor de kleintjes van zijne Majesteitgedaan wordt om ben te schaden, wordt alles beschouwd als aan Hemgedaan; en ware het mogelijk, dat niet het geval is, voorKlein Geloof om te sterven, zijn bloed zou geëist worden vande handen der dienaren; zij zouden als moordenaars worden,terecht gesteld, voor het toelaten dat zijn volk omkwam uitgebrek aan kennis, en zouden als de zodanigen in deze of in detoekomende wereld gestraft worden.

Herder. Zo was het in de dagen vanouds, met een beroemdpersoon in mijn vak, wiens eerlijke belijdenis in de aloudeGedenkschriften opgetekend staat: "Deze twintig jaren ben ikbij u geweest, uwe ooien en uwe geiten hebben niet misdragen; ende rammen uwer kudde heb ik, niet gegeten. Het verscheurde heb iktot u niet gebracht, ik heb het geboet, gij hebt het van mijnehand geëist; het ware des daags gestolen, of des nachtsgestolen" (Gen. 31: 38, 39). En het is ook bij de dienarenvan Zijner Majesteits Huis houden die gebezigd worden om debroederschap Sions op te bouwen: "Een iegelijks werk zalopenbaar worden: want de dag zal het verklaren, dewijl het doorvuur ontdekt wordt; en hoedanig. een iegelijks werk is, zal hetvuur beproeven,. Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwdheeft, die zal loon ontvangen. Zo iemands werk zal verbrandworden, die zal schade lijden" (1 Cor. 3: 13, 14, 15).Weinigen zijn hiervan bewust, die zichzelf indringen, of dooranderen ingedrongen worden, in des Konings dienst; die devoornaamste oorzaken zijn van het lijden derzulken als KleinGeloof.

Rentmeester. Dat zijn zij; echter gelijk wij te vorenhebben aangemerkt, is Klein Geloof zelfs zeer te berispenom zijn weglopen van de overige Koningskinderen, terwijl hijbeter wist; en om zijn voortdurend spelen met de jongens vanHagar, waar hij zoveel van hun verachtelijke taal aanleerde; enzijn hoofd met oudwijfse fabelen opvulde; en hun fabelachtigegeschiedenissen van geesten, spokenverschijningen en gedaanten,van Koos de reuzendoder, van het oproepen van de duivel, vandwaallichten, kabouters, heksen en nachtmerrie; tezamen metvertellingen van tovenaars, dromers, duivels kunstenaars,waarzeggers, bezweerders, sterrenkijkers, gelukvoorspellers,planetiezers en sterrenwichelaars, die voorgeven geboorteuren teberekenen, en uit de stand der planeten het toekomstig geluk ofde rampzaligheid der stervelingen te verzekeren; dat velen toteen zorgeloos, los en wanhopig leven heeft gebracht.

Drie zulke lieden heb, ik gekend, en God vergold hen voor hungehoor geven aan zulke dingen, die boosheid, duivelskunstenarij,ijdelheden en leugens zijn. Deze dingen omringden Klein Geloofmet legio's van ingebeelde vrezen en verschrikkingen, zodathij dikwijls bevreesd is achter zich om te zien, of zelfs zijnhand uit het bed te steken; en daar hij door deze ingebeeldeijdelheden gejaagd wordt, is hij dikwijls ene schrik voor zichzelve. Ons wordt door de Koning geboden, niet naar zulkeprofeten, noch waarzeggers, noch dromers, noch huichelaars, nochtovenaars te horen, dewelke tot ons spreken, want zij voorspellenleugens. (Jer. 27:9, 10). "En wederom", zo zegtJehovah, "leert de weg der heidenen niet, en ontzet u nietvoor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelveontzetten".

Want de inzettingen der volkeren zijn ijdelheid (Jer. 10: 2,3). Hij gaf zich ook over tot het lezen van enige romans,die door de Hongarenen uitgegeven werden, totdat hij meer geleekop een Athener dan op een Prins: en geraakte dikwijls met hen ingeschil; en hield er in het geheim van, om iets nieuws te horenen te vertellen.

Herder. Als een kind eens aan die dingen gewend is, zalhij er meer of minder aan gehecht zijn, zolang als hij leeft.Bovendien vernederen zij het gemoed, en houden het laag enverachtelijk, en er is een tijd lang een verborgen achting voorhet bastaard geslacht, hetwelk gewoonlijk ene liefdadigebeschouwing of beoordeling van hen wordt genoemd. Zodat KleinGeloof hen niet op enen behoorlijken afstand hield, toen hijhen doorgrondde; noch zijn eigene waardigheid in acht nam, nochovereenkomstig dezelve leefde; hetwelk onteren van de Koning is;en daarom wordt hij, hoewel een erfgenaam, billijk onder voogdenen opzieners gesteld, dat hij een tijdlang niets van enen dienstknecht scheen te verschillen; omdat hij zijn Zoonschap vernederdetot de geringen stand der dienstbaarheid.

Rentmeester. Ja, en sedert dat hij beter geweten heeft,en het misnoegen des Konings over zijne vroegere dwaasheid heeftgevoeld, is hij nog niet lang geleden uitgegaan, als er maar eengerucht verspreid 'Werd van enig heraut, klokluider,stadskorporaal, of gewone omroeper, die uitgezonden zouden zijnmet ene dagorder van Sinaï, zodat hij buiten bereik blijft vande bélofte, die dus volgt: Welgelukzalig is de mens die naar Mijhoort, dagelijks wakende aan Mijne poorten, waarnemende de postenMijner deuren". (Spreuk, 8: 34). Maar hij was niet dagelijksaan de poorten der dwazen, zo niet aan de poorten der hel; endikwijls aan Hagar's kasteel, in plaats van te waken aan deposten van de deuren der Wijsheid.

Herder. Als hij Hagar en hare jongens liefheeft, is,het een sterke hand. Zulk een ijver verwekt kinderen, maar nietgoed, ja zij zouden hen uit de gunst des Konings. willenuitsluiten, opdat zij over hen zouden ijveren". (Gal. 4:37). Hetwelk niet beter is dan de praktijk van die bedelaars, diein London kinderen stelen en hun de ogen uitsteken, ten einde huneen noodgeschrei te verschaffen in het bedelen voor een blindkind, opdat zij hun brood zouden hebben, en in luiheid leven,

Evenwel lijdt Klein Geloof daar nu voor, en ik durfzeggen, dat hij de lange lijst van zijne dwaasheden onder deroede, die hem drukt, leest; want gelijk oj te voren hebtaangemerkt, kan hij het bericht van het misnoegen des Konings.geloven, ofschoon het bericht van Zijne genade niet.

Rentmeester. Zeker is het dat de ganse geslachtslinievan Hagar, die dikwijls rond de muren van Sion zwermen en dwalen,tot geen ander doel komen, dan om de vrijheid der Koningskinderenna te speuren, opdat zij hen bedriegen, misleiden, verleiden, enhen in slavernij, die hij onder hen heeft aangedaan, en dat totop dezen dag; maar zij zullen hem niet gemakkelijk meerbedriegen; want zoals te voren is gezegd, hij heeft, een sterkgeloof in de gerechtigheid, de waarheid, de heiligheid, deonveranderlijkheid en de vreselijke Majesteit des Konings;hieraan wankelt hij niet, maar aan Zijne liefde, barmhartigheid,ontferming, traagheid tot toorn, de overvloed Zijnergoedertierenheid en de volheid Zijner verlossing, wankelt hijdikwijls. Hij beeft voor het woord der Waarheid, (Jez. 66: 5), entwijfelt aan de belofte door ongeloof. (Rom. 4: 20).

Herder. Ik bid u, zeg mij, koestert Klein Geloof in hetgeheim een opstandige geest? Wederstaat hij de vrijmacht, deverkiezing, de raad en het besluit van zijn Vrijmachtigen Vader?Twist hij ooit hardnekkig tegen de verkiezende daden des Konings,die dagelijks zichtbaar zijn, in sommige oproerigen totgehoorzaamheid om te zetten, en in de toepassing van strengegerechtigheid aan anderen?

Rentmeester. Hij die dit doet is geen Klein Geloof, maareen kleine vos (Hoogl. 2: 15). Hij is geen kind der Waarheid,maar een zaad der valsheid; geen heilige, maar een bedrieglijkeredetwister; geen kind van God, maar een kind des duivels. (1Joh. 3: 10). Wie overtreedt, en niet blijft in de leer vanChristus, heeft God niet. (2 Joh.: 9). En, als God zijn Vaderniet is, dan is het de duivel, en zo zal het vroeger of laterblijken. Het kenmerk van des Konings zaad is, dat zij zowelleerzaam als handelbaar zijn, wat zij ook vroeger mogen geweestzijn: "de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bijde geitenbok neerliggen, en het kalf en de jonge leeuw, en hetmestvee te zamen; en een klein jongske zal ze drijven."(Jes. 11: 6).

Herder. Zeg mij eens, hebt gij de zorg voor Klein Geloofsopvoeding? of, wie is zijn leermeester?

Rentmeester. Zijne Majesteit neemt het opzicht voor hetonderwijs van hen allen op zich; zij worden allen door Hemonderwezen; maar Hij houdt verschillende onderleermeesters, dieHij roept, bekwaam maakt, en gelast te onderwijzen; en dezeontvangen dagelijks hun lessen van de Koning, die hun gebiedt tegaan en aldus te spreken. En zij die Zijne boodschappenoverbrengen, en leren overeenkomstig Zijne lessen, deze zijnZijne aangestelde leermeesters, en geen anderen.

Herder. Maar is het niet vreemd dat Zijne Majesteitzijne dienaren, of zij die voorgeven zulks te zijn, toelaat, enzulke minnen en leermeesters toelaat om Zijne kinderen teschaden, vooral dezulken als Klein Geloof?

Rentmeester. Het wordt toegelaten zo te zijn; opdat zijdie en genen tezamen vergaderen, die opstandelingen zijn tegenZijne Regering; opdat zij rijp zouden worden tegen de dag derwrake; en opdat zij zelve ook, door hun geveinsdheid enhuichelarij. Zijn voornemen zouden vervullen, die hen goddelozennoemt, van oudsher tot deze veroordeling bestemd. (Jud. 4). Maarwat Zijn uitverkoren zaad, betreft, zij zullen nooit ten vollebedrogen worden, noch volkomen ter zijde worden afgeleid. KleinGeloof is hier een levend getuige van, dat geen een dezerkleinen kan omkomen,

Het is ene zeldzaamheid hem aan het kasteel der Hagarenen tevinden; en als er een van hen naar het paleis komt, is hij bereidzijne oren te sluiten als die zijnen mond open doet. KleinGeloof is zeer teder, en ontvangt zijn onderwijs vrij goed enheeft een redelijk onderscheidingsvermogen, en zijn oordeel isgezonder dan verwacht kan worden, maar zijne knieën en handenzijn zeer zwak.

Herder. Hebt gij ooit beproefd om hem een bad te gevenin de rivier des levens? De Profeet ging er over tot zijneenkelen, knieën en lenden in, en kon er in gezwommen hebben alshem dat behaagd had. (Ezech. 47 4, 6). En ik. heb somtijdsgedacht dat de Profeet, op dien tijd, enige wankelingen in zijngemoed kan gehad hebben, aangaande de toekomstigen toestand derIsraëlietische gemeente, en hare herstelling na de vervullingvan hare langdurige ballingschap; zo hij die gehad heeft, gelijkik veronderstel, moet hij wonderlijk gesterkt en ondersteund zijndoor geestelijke kracht in de inwendigen mens, na drie malen doorde rivier te zijn gebracht, Gij weet dat de Koning nietstevergeefs doet.

Rentmeester. Klein Geloof is zo vreesachtig dat hijbeangst is, zijne ganse zwaarte daaraan over te geven, of zichgeheel aan de kracht daarvan toe te vertrouwen, twijfelende ofhet hem zal dragen of niet: schoon ik hem dikwijls aan de oeverdaarvan gezien heb, het water proevende, en het wagende er eenweinig in te spartelen, ver genoeg om zijne voeten nat te maken,en dan scheen hij zeer gelukkig te zijn, en heeft dikwijls vooreen paar minuten gedacht, dat hij over de onpeilbaarste diepteervan kon zwemmen. Zijn aangezicht is zo verhelderd geweest, dathij degenen niet benijdde, die er tot aan de hals in waren.

Herder. En verondersteld, dat Klein Geloof er ingezonken en verdronken was, dan zou hij niet verloren geweestzijn, want die rivier is geen verwoesting noch verderfenis."Daar zal Hij, de heerlijke Jehovah ons een land vanbrede rivieren en stromen zijn." (Jer. 33: 21). En hij diehet daar waagt, zal, als hij zinkt, en tot in alle eeuwigheid erin ligt, niet wensen boven, noch er uit te komen.

Rentmeester. Het is waar, maar Klein Geloof vordertmet meer omzichtigheid, hij kijkt eer hij voorloopt Hij isgetuigenis zijner ogen. Bovendien, als Klein Geloof enigeoefeningen aan de oever der rivier gemaakt heeft, en er eneaangename beschouwing van heeft genomen, het heeft geproefd, ener een weinig in gesparteld, heeft hij dikwijls ondervonden, datzodra hij de rivier uit het gezicht kwijt is, en de zon harestralen heeft ingetrokken, dat de wolken zwaar om zijn hoofdsamenpakken, de mist schielijk op zijn hielen vergaderde, en danscheen hij verder dan ooit van de rivier af te zijn, en de vijandbezoekt Klein Geloof altijd als de wolken en de mistrondom hem zijn; op welken tijd hij zeker zijne aandacht tot zichtrekt, en dan blaast hij altijd in: "dat het voorbarigheiden eigenwaan van hem was, om er zich zo nabij te wagen als hijgedaan had; en dat het wonder was dat hij niet was verdelgd, omzijn vermetel wagen, om maar een droppel uit de rivier des heilsvoor zich zelve te nemen, daar noch de uitnodiging des Konings,noch Zijne gunst, belofte, noch beloofde gelukzaligheid op enigewijze, of in enige betrekking, voor hem bestemd is." Ennadat Klein Geloof dus door de wolken en de mist isverduisterd, en door de vijand aangevochten, nadert hij met meeromzichtigheid dan ooit; smeekt om schuldvergiffenis voor zijnevoorbarigheid, en belooft zich nooit meer te zullen schuldigmaken aan het op zich zelf toepassen van enige gunst, weldaad, ofVorstelijke vergunning, op generlei wijze of generleivoorwaarden, of op generlei aandrang of uitnodiging hoegenaamd;maar dat hij' zou "zeggen m zijn haasten, dat alle mensen(Rentmeesters zowel als de andere) leugenaars zijn", lieverdan geloven, dat er enige gunst, medelijden, of ontferming aanhem bewezen kon worden, aan hem, die in geen geval waardig is eenKoningszoon te heten of onder de huurlingen te worden gesteld, ofzelfs te worden gelijk gesteld met de honden zijner kudde. (Job30: l). Niettegenstaande' al die geheime eden en beloften, nazulke scherpe verzoekingen, is Klein Geloof somwijlenalles vergeten; en, eer hij het merkt, dewijl zijn gemoed in hetheiligdom werkzaam is geweest, zijn de wateren ten tweeden malevan onder de dorpel des huizes uitgevloeid (Ezech. 47: l); endaar hij niet op zijne hoe de was, bevond hij zich, eer hij hetzich zelf bewust was, weder aan de* oevers der rivier, en was zoverheugd en verkwikt als ooit; in die mate dat hij' zijn vroegerewederpartijder vergat, wijl hij door de Koning geantwoord werd inde blijdschap zijns harten; maar, zodra ene gedachte zijn gemoeddoorkruiste, aangaande een toekomstige bewolkte en donkere dag,is hij reeds aan het be ven voor de verwijdering derwederpartijder; en door het peinzen over, en het ter halverwegeontmoeten van zijne moeiten, ontmoet hem de wederpartijder, diehalf door klein Geloof zelf genodigd is; en berooft hem,en ketent al zijne gedachten aan de "overdenking vanverschrikkingen" (Jes. 33:18).

Herder. Hij is in waarheid een Klein Geloof; wanthij noemt zijn hoogste daden van gehoorzaamheid ene vermetelheid;en dat zal hij ten laatste ondervinden: want, hoewel hij dezedingen in tijden van verzoeking ver van zich afstoot, moet hij zeechter huisvesten, en ze allen rondom zich verzamelen ook, intijden van ziekten. Het zijn zulke vermetele daden als deze zoalshij ze valselijk noemt die hem in de blijde tegenwoordigheid vanzijnen Vorst moeten brengen, en niets anders, laat hij gaan waarhij ook wil. Maar ik zie dat het in het Huishouden des Koningseveneens gesteld is'als bij de kudde eens Herders; er zijnonderscheidene groten, ouderdom en soorten. Ik heb rammen (Gen.31: 10); schapen (Joh. 10: 4); zogende (Jes. 40: 11); en lammerente weiden en ook te verzorgen (Joh. 30: 15); en gij hebt ouden enjongen, sterken en zwakken te verzorgen en te bewaken.

Rentmeester. Het huisgezin bestaat uit vaders, (1 Joh.2. 13); jongelingen (1 Joh. 2. 14), kinderkens (1 Joh. 5: 21), ennieuw geboren kinderen (1 Petr. 2: 2). Maar wat Klein Geloof aanbelangt,ik weet niet wat ik hem moet noemen: hij is oud genoeg om eenvader te zijn, en behoorde naar zijnen tijd reeds een leermeesterte wezen; want, in het verstaan en het onderscheiden is hij eenman; in onnozelheid een klein kind; maar in de beoefening desgeloofs een nieuw geboren kindeke. Er is van elke trap iets bijhem; maar hij is in geen trap volkomen. In het woud des Koningszijn er niet slechts "eikenbomen, welker zaad in hemis" (Jes. 6: 13); en cederen, pijnbomen, palmbomen (Hoogl.7: 8); en olijven; maar ook de busboom, (Jes. 41: 19); en myrthendie in potten gezet en op ene dames toilettafel geplaatst kunnenworden; en het is ter vertroosting van Klein Geloof, enandere gebrekkelijke, dat de Koning op een rood paard verschenenis, een gestaan heeft "tussen de myrthen, die in de dieptewaren" (Zach. 1:8), zodat deze niet zonder Zijne machtige,alhoewel vaak zonder Zijne vertroostende tegenwoordigheid zijn.

Herder. En ik bid u, zeg mij eens, waar kruipt KleinGeloof henen, wanneer zijn hoofd in de wolken geraakt?

Rentmeester. Hij is niet zonder zijne schuilhoeken, enevenmin zonder zijne gevangenhuizen (Jes. 42: 22). Want, toen hijgewoon was, met Hagars jongens te spelen, vermaakten zij zichdikwijls gelijk dwaze kinderen doen, met het oprichten van kleinehuisjes op het zand (Matth. 7: 26). En aan die zandbank klemt hijzich tot op dezen dag vast. Laat er enige storm over KleinGeloof samenpakken; enige schaduw ener wolk hem naderen;enige vurige pijl naar hem toegeschoten worden; enige bestraffingaan hem worden gegeven, enig ongenoegen des Konings gevoeldworden; enige ingebeelde moeite door hem verwacht worden; ofzelfs een hard woord, een afkeurende blik, of de kleinsteberisping, van iemand van het Huisgezin; hij maakt geen bewegingmeer, maar hij verzamelt alles wat rondom hem is, pakt en omhelstal zijne wezenlijk ingebeelde bezwaren tezamen, en kruipt in zijnhol in de zandbank, en gij moogt hem er weder uittillen als gijkunt. Dat is zijn schuilhoek, dat is zijne toevlucht, dat iszijne laatste wijkplaats; de vos heeft zijn hol, en KleinGeloof heeft ook zijn konijnenhol; hij is niet zonder zijntoevluchtsoord in de wereld. De Koning bezit niet slechts deovervloed der zeeën, maar ook de schatten die in het zandverborgen zijn (Deut. 33: 19); en Klein Geloof is er eendeel van.

Herder. Klein Geloof is niet de enige die zich aan dezandbank vastklemt; daarop bouwen er meer dan op de Rots. Maarzeg mij eens, hoelang blijft hij wel in dat stofferig verblijf,eer hij weder te voorschijn komt.

Rentmeester. Niets brengt hem weder te voorschijn dande warme stralen der zon, wanneer zij verrijst met genezing onderhare vleugelen; dan gaat hij uit, en schijnt toe te nemen als eenmestkalf (Mal. 4: 2). Maar op hetzelfde ogenblik dat de straleningetrokken worden, is hij weder weg gelijk ene schaduw dieverdwijnt, en dan wordt hij op en neder geslingerd gelijk enesprinkhaan (Ps. 109: 23).

Herder. Het verwondert mij dat hij zich nooit in zijnoverijlend vluchten vergist, en zich verbergt in de spleet derRots in plaats van in de zandbank. Maar ik veronderstel dat hijover de Rots denkt, gelijk Lot over de berg, dat dezelve te ververwijderd is; hij kan daar niet vluchten, opdat' hem geen kwaadoverkome en hij sterve; maar de zandbank is, gelijk Zoar, kortbij om henen te vluchten (Gen. 19: 20).

Rentmeester. Naar zijne mening, is hij dikwijls ver vande Rots af, schoon de Rots nooit ver van hem af is, ook is ergeen waarschijnlijkheid voor, dat hij zich zal vergissen in deRots voor het zand te nemen; want iemand zal de Rots omhelzen,uit gebrek aan schuilplaats, voordat zij geleid zijn door deonzichtbare hand van Hem, die sterker is dan zij. Maar dit allesis daaraan te wijten, dat het hem toegelaten is te spelen met dedienstbare kinderen. Hagar's jongens en hij waren voortdurend aanhet zoekertje spelen in de donkere kelders van het Hagareensekasteel, hetwelk het gemoed verlaagt beneden de toestand derstervelingen, en dat zodanig, dat hij meer gelijkt op eenonderaards bewoner van de sombere verblijven der vijanden dan opeen kind des Lichts. Toen Klein Geloof eerst naar hetVorstelijk verblijf kwam, kon hij ternauwernood de lichtstralenvan ene kaars verdragen; hij blikte uit de duister en uit dedonkerheid, gelijk een verlegen en beschaamde, en mompelde eenwoest geluid dat noch Hebreeuws, noch Asdodisch was, zodat wijternauwernood het kind konden verstaan.

Herder. Ik weet dat al de Hagarenen van hun jeugd afsluiers dragen; en zelfs hun woonplaats is in zwartheid enduisternis (Hebr. 12: 18). Zodat het Klein Geloof, toenhij bij zijnen Vader thuis kwam, moet geweest zijn, alsof hij inene nieuwe wereld was.

Rentmeester. Dat was hij ook, en toen hij de vertoningzag welke de andere kinderen maakten, om de taal van het Hof tehoren, en de wijsheid en de voorspoed van het gezin ontdekte,scheen hij verslagen, zichzelf als een vijand onder henbeschouwende, en niet kunnende geloven dat hij één van hetVorstelijk zaad was.

Herder. Wat kunnen arme kinderen bedorven worden doorslechte bakers, ruwe speelmakkers en slecht onderrichtendeleermeesters, zelfs totdat niet alleen hun grondbeginselen enmanieren verdorven, maar zelfs hun Vermogens verlaagd en onedelgemaakt zijn, en het glans rijk evenbeeld der familiebetrekkelijk verduisterd en ontsierd is! En ik bid u, zeg mij nueens mijnheer, hoe leeft hij nu?

Rentmeester. Zijn leven is waarlijk voorbeeldig; hijwandelt met waakzaamheid, teerheid en vrees, en maakt van allesene gewetenszaak. Zijne vrees bestaat grotendeels uit eendienstbare of slaafse geest; deze boeien schijnen evenwelsomwijlen te breken; maar spoedig daarop hernieuwen zij zichweder, hetwelk dikwijls het geval is, totdat een kind zijn eigenweg ziet, het gebruik van zijne eigene ledematen gevoelt; detoeknikkingen van zijnen Vorstelijken Vader geniet, en volkomenberust op Zijne lief de, wijsheid en macht. Bovendien heeft KleinGeloof een wetboek van inzettingen en regelen van zijn eigenmaaksel, en anderen, die hij ingezogen heeft door tallozeboekdelen van menselijke geboden te doorzoeken, waarvan er geenéén wortel of grondslag in de oorkonden van Sion heeft.Sommigen daarvan zijn bij hem gewichtige zaken, en zij, die hemzien en kennen, laten hem ongestoord. zijne moeskruiden eten, endragen zorg hem niet te doen struikelen door vlees te laten etenin de tempel eens afgods, wetende dat als hij een man wordt, hijde kinderachtige dingen ter zijde zal stellen. Wat betreft het"raak niet, en smaak niet en roer niet aan", welkedingen wij weten, dat allen verderven door het gebruik naar degeboden en leringen der mensen (Col. 2. 21, 22).

Herder. Het is verwonderlijk dat hij zo zwak blijft, nazo veel gezonde raad en onderwijzing, daar hij zolang oor enooggetuige geweest is van de lankmoedigheid en onmetelijkeontferming des Konings; en dat, nadat er zoveel ongegrondeverwachtingen van toom, gevangenneming en verbanningherhaaldelijk zijn afgesneden en vernietigd, waardoor de vijandvoortdurend bleek een leugenaar te zijn, en zijn ongeloof zodikwijls beschaamd werd.

Rentmeester. Het is niet te verwonderen, als de zakenbehoorlijk overwogen worden. Zijne eigene moeder was, toen zijzwanger van hem was, maar zeer weinig beter, want zodra zij enestem van de troon hoorde, zeggende, "Juicht, gij hemelen! enverheugt u, gij aarde! en gij bergen! maakt gedreun met gejuich:want de Heere heeft zijn volk getroost, en Hij zal zich overZijne ellendigen ontfermen" (Jes. 49: 13), dan gaf hetongeloof dit antwoord uit haren mond terug Sion zegt: "deHeere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten"(vs. 14). Haar geloof gaf haar ongeloof, en ook hare mond deleugen, toen zij die uitsprak. Zij noemt Hem mijn Heere; terwijlhet als Hij haar verlaten en haar vergeten had, niet bedacht konworden dat hij een Heere voor haar was; maar oude suffendevrouwen zeggen, als zij ene gemelijke bui hebben, alles behalvede waarheid en, als zij zulk ene tegenstrijdige taal kon mompelentegen de beste der echtgenoten, die een afkeer van het wegjagenheeft, dan is het geen wonder als kinderen, hetzelfde doen tegende beste der vaders: "Een ieder die spreekwoorden gebruikt,zal van haar' dit spreekwoord gebruiken, zeggende: zo de moederis zo is ook de dochter" (Ezech. 16: 44). Dat zij leugensvertelde is duidelijk uit het antwoord, dat haar door de Koninggegeven werd; en als zij leugens zei, behoorde het haar te wordenbekend gemaakt: "Kan ook ene vrouw haar zuigeling vergeten,dat zij haar niet ontferme over de' zoon haars buiks? Ofschoondeze vergate, zo zal ik toch uwer niet vergeten, zegt deKoning" (Jes. 49: 15). Dat laat de Koning waarachtig, zijn,maar elke vrouw ene leugenaarster.

Herder. Ik veronderstel als al de Rentmeesters en degetrouwe dienaren van het huishouden van Zijne Majesteit zoudenovereenstemmen, ten einde Klein Geloof op zijne voeten tezetten, en hem te doen staan door het vertrouwen op zijns vadersonveranderlijke liefde, zij niet in staat zouden zijn, om hemgeheel vrij te krijgen van de zandbank, noch zijn twijfelzucht inhet stof te leggen.

Rentmeester. En als dezelfde samenspanning hunverenigde pogingen in het werk stelde om te bewijzen dat KleinGeloof een onechte, in schande geborene, of slechts eenhuichelaar was, en niet tot het Vorstelijke zaad behoorde;dientengevolge een erfgenaam van Zijner Majesteits gunst,eigendom, troon of heerlijkheid dan mochten zij wankelingen, overhem brengen, ene diepe zucht of ene zware klacht uit zijn hartboren; maar hij zou juist blijven staan waar hij was. KleinGeloof kan niet gejaagd worden; noch kan hij grotelijks, veelminder geheel bewogen worden. "Zij die vertrouwen (hetzijzwakken of sterken) zijn gelijk de berg Sion die niet bewogen kanworden". Klein Geloof's belijdenis is reeds uit demond des Konings uitgegaan, en als de Koning hem gelast uit tespreken, zal het weldra bekend worden, welke kracht deze kleinebezit: "De zwakke zegge: Ik ben een held" (Joël 3:10). "De Koning verkwikte de verwoeste over de sterken"(Amos 5: 9). En Hij zal niet achterblijven aangaande Zijnebelofte, ofschoon Klein Geloof traag van harte is om diete geloven.

Herder. Klein Geloof is een zonderling raadsel; wantnaar uw bericht, is hij zelden of nooit op de berg, en staatnochtans als de eeuwige bergen. Een der ouden zei, toen hij detop van zekeren berg bereikt had, Ik zal nooit bewogen worden,Gij Heere, hebt uit uwe goedheid mijn berg zo vast gesteld!"Maar dat iemand zo vast staat, dat hij zelden of ooit van de bergafdaalt, is mij een raadsel.

Rentmeester. Het is niet wat Klein Geloof zegt,in zijne vlagen van ongeloof, dat hem voor eeuwig zal doenzinken; noch wat een voortvarend kind mag zeggen in deze dagenvan voorspoed, dat hem onveranderlijk zal bevestigen. Het is hetwoord des Konings, en niet hun eigen woord, dat die beidenbevestigt Jehova zegt: "zij zullen Mij allen kennen vanhunnen kleinsten tot hunnen grootsten". "De zwakke zalin dien dag zijn als David". "En Hij zal te dien dageene beloning geven aan Zijne knechten, de profeten, en allen dieZijnen naam vrezen, klein en groot. Het is dat de een naar derots geleidt, en de ander van de golf terughoudt. En wanneerJehovah in Zijnen eed ontrouw k

worden, ophouden waarachtig te zijn, feilen in Zijnegetrouwheid, vergeten genadig te zijn, veranderen in Zijn voornemen en onbestemde blijken in Zijnen wil, dan kan deze kleineomkomen en niet eer. Daarom staat Klein Geloof nietslechts als de eeuwige heuvelen, maar hij staat zo vast in hetVorstelijk hoofd, als de troon van God in de Hemel.

Herder. Gij spreekt enigermate met warmte, mijnbroeder!

Rentmeester. Omdat gij mij op ene slinkse wijze schijntte ondervragen.

Herder. Ik erken dat er grote eigendommelijkheidbestaat in hetgeen gij hebt voorgesteld; de veiligheid voor deganse familie ligt ongetwijfeld in de onveranderlijkheid vanJehova's besluit, Zijne belofte, Zijn opgericht verbond; en inhet Verbondshoofd, met wien de koop was gesloten, en in wien hetonvermijdelijk staan moet als de dagen des Hemels. Maar wat mijhet meeste verwonderde, was dat Klein Geloof, die weifeltaan elke belofte, bekwaam zou zijn te staan, tegenover deverenigde pogingen van al de dienaren des Konings, als er zulkene verbintenis kon worden aangegaan.

Rentmeester. Een der ouden heeft in zijne vlagen vanongeloof verklaard: "Indien ik roep, (dat is, in het gebed)en Hij mij antwoordt (dat is, als God hem geantwoord had), ik zalniet geloven dat Hij mijne stem ter oren genomenheeft" (Job 9:16). Ik weet dat Gij mij niet onschuldig zulthouden. Ik zal gaan van waar ik niet zal wederkeren, in het landder duisternis en der schaduw des doods; een stikdonker land, alsde duisternis zelve, de schaduw des doods, en zonderordeningen" (Job 10: 21, 22). Maar zodra zijne drie vriendenin dezelfde beschuldiging samen stemden, "de een hem zei datzijne boosheid groot was, en dat er aan zijne ongerechtighedengeen einde was" (Job 22: 5); een ander hem verklaarde"zo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zou Hij nuopwaken, om uwentwil, en Hij zou de woning uwer gerechtigheid volmaken" (Job 8: 6); een ander zei, "dat hij het gewichtder goddelozen had vervuld; dat het gericht en het recht hemvasthielden" (Job 36: 17); weer een ander zei: "Wantgij hebt uwe broederen zonder oorzaak pand, afgenomen, en deklederen der naakten hebt gij uitgetogen" (Job 22: 6).Evenwel beweegt hem dit alles niet, Ik ben niet minder dangij", zei hij, "wat weet gij dat ik niet weet? Ik weetdat ik gerechtvaardigd zal worden; wie zal mij verdoemen? Wanneerik gelouterd ben, zal ik gelijk het goud te voorschijn komen.Mijn getuige is in de hemel, mijne getuigenis is omhoog. Ik weetdat mijn Verlosser leeft. Ik zal God zelf aanschouwen, en nieteen vreemde". Dus blijkt het dat zij hem noch op kondenheffen, noch neder konden stoten; hij is standvastig tegenover alhun vertroostingen en tegen al hun beschuldigingen; en, watdezulken ook mogen zeggen in hun vlagen van ongeloof, zij gelovenhet zelf niet in hun harten: en als gij zoudt zeggen, gelijk hetongeloof van' Klein Geloof zegt en trachten zijneongelooflijke belijdenis te bevestigen, dan zou hij uwebeweringen in zijn hart tegenstaan; en gij zoudt er geen een vanin zijn geweten kunnen inprenten. "Dengenen nu die zwak is inhet geloof neemt aan; want God heeft hem aangenomen"."Wie, zijn zij dan, die eens anders huisknecht oordelen?Hij staat of valt zijn eigenen heer: doch hij zal vastgesteldworden, want God is machtig hem vast te stellen" (Rom. 14:1, 2, 3, 4). En staan doet hij, ten spijt van zich zelve, tenspijt van de duivel, ten spijt van het ongeloof en ten spijt vande ganse wereld. Ja al vermaakte hij zich over het hol van eenadder, of stak zijne hand in de kuil van de basilisk, kon hijnergens leed gedaan noch verdorven worden (Jes. 11: 8, 9)."Want deze jongeling zal tot aan zijn graf komen in vrede,en zal sterven honderd jaren oud zijnde" (Jes. 65: 20),omdat in hem wat goeds voor de Heere, de God Israëls, gevondenwordt" (1 Kon. 14. 13).

Herder. En, zeg mij eens, houdt Klein Geloof zich kortbij des Konings hof, in weerwil van alle deze ontmoedigingen, envele teleurstellingen om het aangezicht des Konings te zien?

Rentmeester. Er is een tijd geweest dat hij dit nietdeed, maar nu is er geen meer koningsgezind, geen meerstandvastig in zijne bezoeken als Klein Geloof. Op hofdagen,feestdagen, receptiedagen, vastendagen, dinerdagen, verjaardagen,huwelijksdagen, of treurdagen, gezelschapsdagen, dagen vanvoorspoed en dagen van tegenspoed hetzij er oorlog verklaard ofvrede verkondigd wordt Klein Geloof is er zeker bijtegenwoordig. Het is ene zeer zeldzame zaak voor iemand om vanhem te zeggen, wat Saul van de zoon van Jesse zei, dat zijneplaats ledig stond. Hij heeft zijne inwendige veranderingengelijk de maan; echter is hij in zijne gewone bewegingen,lichamelijke ongesteldheid uitgezonderd, zo standvastig als dehemelse lichten; want Jehovah zelf geleidt hem, ofschoon het isin enen weg dien hij niet kent; "en Hij zal op de enen ofanderen dag, de duisternis tot licht voor hem maken, en hetkromme recht",

Herder. Dat bewijst de overgebogenheid van zijn hart,en het moet met enige mate van moeite zijn dat Klein Geloof zijnevoortdurende bezoeken aan de hoven van Sion brengt; want hijrijdt niet in de wagen, die van binnen met liefde bespreid is,gelijk de dochters van Jeruzalem (Hoogl. 3: 10); noch beklimt hijzijn paard, om gelijk Efraïm te rijden.

Rentmeester. Het doet er niet toe hoe hij gaat, hij isdaar voortdurend, en bij zal daar zijn, want hij heeftvoorgenomen er zowel het ergste als het beste van te weten, enzeker is het dat zij niet beschaamd zullen zijn, die de Koningverwachten, of de wacht rond Hem houden; want Hij heeft nooittegen iemand van het Zaad gezegd: "zoek mijtevergeefs". Hij verkondigt altijd "dingen ingerechtigheid".

Herder. Dan heeft Klein Geloof een goed aanzienaan het hof?

Rentmeester. Niemand meer dan hij. Allen die hem kennenzullen hem op zijn woord vertrouwen, of hem betrouwen, of hem inalles geloven. Niemand betwijfelt zijne getrouwheid, ofnauwkeurigheid; want hij munt boven anderen uit in vrees, ijver,en nauwgezetheid, zoveel, of meer, dan enigen hem overtreffen invertrouwen, geluk en wijsheid. Zijne zwakheid, ziekte, gebrek, enomringende zonde, is ongeloof, uit welke oorzaak Zijne Majesteitmeer dan eens gezegd heeft: "0 gij kleingelovige!" Warehij eenmaal deze zonde meester, dan zou hij een man zijn met eengetuigenis!

Herder. Enige van het vorstelijk zaad hebben horens vanijzer, en klauwen van koper (Micha, 4: 13). Andere worden leeuwengeheten (Spr. 28: l). Jehova's beste paard m de strijd (Zach. 10:3). Anderen "de roede Zijner erfenis" (Jer. 51: 19).Andere "Zijn strijdbijl, en Zijn oorlogswapen, waarmee Hijvolkeren en koninkrijken in stukken breekt, waarmede Hij hetpaard en zijnen ruiter, de wagen en zijnen ruiter in stukkenslaat, en door welke Hij in stukken slaat de man en de vrouw, deoude en de jonge, de jongeling en de jonkvrouw, de valse herderen zijne kudde, de akkerman en zijne juk ossen, de landvoogd ende overheden" Jer, 51: 20, 21, 22, 23). Maar Klein Geloofwordt onder die allen niet genoemd. Hij schijnt ene flauweovereenkomst te hebben met enen leeuw, een strijdpaard, eenstrijdbijl, een oorlogswagen, een slaande roede, een drukkendesteen, een geel koperen pilaar, of enen ijzeren muur, en moet dusene zeer armoedige vertoning maken in de dag des strijds; want,gelijk gij erkend hebt, is hij dikwijls in vrees waar niet tevrezen is, en vlucht dikwijls waar niemand hem volgt, en als ditzo is, wat zou hij dan doen zo hij werkelijk vervolgd werd? Wantals hij met voetknechten gelopen heeft, en zij hem vermoeidhebben, hoe zal hij het dan maken als hij met paarden te strijdenheeft? En als hij vermoeid is in een land des vredes, wat zou hijdan verrichten in de stromen der Jordaan?

Rentmeester. Gij spreekt nu niet zeer gelijk eenHerder. Gij leest van enen Herder, die de lammeren in Zijne armenvergadert en in Zijnen schoot draagt, en is dit zo, dan zijn zijzo na aan het hart des Herders, en zo veilig in Zijne armen, alsde rammen met hun ijzeren horens en geelkoperen klauwen, diedikwijls in het heetste van de strijd gedrongen worden. Dezulken alsKlein Geloof worden vergeleken bij enige weinige haren die'Verborgen zijn in de slippen van de Zoon des Mensen (Ezech. 5:3) en worden het haar des Heeren genoemd, hetwelk is "alsene kudde geiten die uit Gilead verschijnen" (Hoogl. 6: 5).Zij schijnen allen een getuigenis gedragen te hebben ten hunnenbehoeve, door de gehele hoop, of de gehele wolk van getuigen,hetwelk het woord Gilead betekent. En gij moet weten dat do harennader aan het hoofd groeien dan enige andere leden hoegenaamd, enzo de haren van het hoofd eens heilige allen geteld zijn, zodater niet een zal op aarde vallen, zonder 's Heeren wil, wat moetendie dan zijn, welke in het Verbondshoofd groeien, en verborgenzijn m de slippen van de Zoon des mensen. Het is waar dat KleinGeloof zegt: Ik waak en ben geworden. als ene eenzame mus ophet dak" (Psalm 102. 8). Nochtans weten wij dat, ofschoontwee musjes verkocht worden voor een penningske (Matth. 10: 29),er echter geen van hen op aarde zal vallen zonder de wil vanonzen Hemelsen Vader.

Herder. Ik ontdek dat gij een standvastig advocaat zijtvoor Klein Geloof, en de oorkonden van Sion voorzien u vantalrijke en gewichtige bewijsredenen ten zijnen gunste, daaromzal ik in het vervolg niet op de loer liggen, daar ik over uwezorg en gevoel kan oordelen uit hetgeen ik gevoeld heb, toen dehond Smut gezonden is om een afzwervend lam terug tehalen, dat van de schaapskooi afgedwaald was. Ik was gereed metde dichter uit te roepen: "Red mijne ziel van het zwaard,mijne eenzame van het geweld des honds" (Psalm 22. 21).

Rentmeester. Ik hoop dat ik nooit toegelaten zal worden"onrecht te spreken voor God", of "bedriegerij tespreken voor Hem" (Job 13: 7), noch toegelaten "derechtvaardigen te verdoemen" of "de goddeloze terechtvaardigen, want die beiden zijn een gruwel voor God"(Spr. 17: 15). Maar, aangezien ik Klein Geloof's naam,kenmerk en gedrag in de eeuwige geslachtslijst vermeld vind, hebik besloten, zijne geboorte en afkomst tot het uiterste teverdedigen, wetende dat, alhoewel Klein Geloof, in schijn,dikwijls gelijkt op een ouderloos kind, nochtans de belofte is:Ik zal u geen wezen laten" (Joh. 14: 18). Want "eenrechter der weduwen en een Vader der wezen is God, in dewoonstede Zijner heiligheid" (Ps. 68: 6). Ik zal niet meerten behoeve van Klein Geloof zeggen dan waarvoor ikschriftuurlijk grond zie. Zo God mij genade en de tong derwaarheid schenkt, gelijk ik hoop dat Hij doen zal, heb ikvoorgenomen dat mijn hart mij hierover niet zal veroordelen zolang ik leef" (Job 27: 3, 5), noch mijne tong bedroguitspreken (Job 27 4), "Want ik zoude niet durven ietszeggen, 't welk Christus voor mij niet gewrocht heeft, totgehoorzaamheid van Klein Geloof met woord en werk"(Rom. 15: 18).

Herder. Om van de waarheid te wijken, ten einde zwakkenop te bouwen in vlees en bloed, of om te trachten hen te sterkendoor valselijk tot hen te spreken, is hun tot de satan te leidenin plaats van tot Christus. Hij is zeker "te vertroosten metijdelheid, in wiens antwoorden overtreding is" (Job 21: 43).Ik bid u mij te zeggen of Klein Geloof een weldoener isvan de Rentmeester des, huizes of van het Vorstelijk zaad?

Rentmeester. Een groot begunstiger van hen die getrouwen waarachtig voor de Koning zijn; schoon niemand meer beeft nochontzet is dan hij, wanneer enige boodschap van Zijne Majesteitaan de familie gebracht wordt. In zijne ogen is de verworpeneveracht, maar hij eert degenen die de Koning vrezen" (Ps.15: 4). Dit is een waar kenmerk van enen zoon van Sion. En wathet Vorstelijk zaad betreft, hij beschouwt hen als volmaakteschoonheden, en verschijnt voor hen in zijne eigene ogen, inniets als misvormdheid, en het is het heilige zaad en zij alleen"die anderen uitnemender achten dan zichzelf" (Philipp.2: 3). Hij wordt somwijlen met jaloersheid gekweld en benijdtdikwijls de overvloedige gelukzaligheid van sommigen en zucht enzegt in het verborgene voortdurend. "0, dat ik hetaangezicht des Konings slechts kon aanschouwen! 0, dat ik slechtshet tiende deel hunner gelukzaligheid bezat Waarlijk, ik zoumijnen mond in het stof steken, misschien dat er hopebestond" (Klaagl. 3: 29). "Maar mijne ziel is verre vande vrede, ik heb het goede vergeten, mijne sterkte en mijne hopeis vergaan van de Koning!" (Klaagl. 3: 17, 18). Zo treurthij dikwijls in de stilte.

Herder. Heeft Klein Geloof die oude maarallerheerlijkste en genadigste reden overwogen, die uitgegeven isdoor de Evangelischen Heraut in de Joodsen Tijdkring. "En devreemde die zich tot de Koning gevoegd heeft, spreke niet,zeggende: de Heere heeft mij gans en al van Zijn volk gescheiden;en de gesnedene zegge niet: Zie, ik ben een dorre boom! Ookvreemden, die zich tot de Heere voegen, om Hem te dienen en omZijnen naam lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wiede Sabbath houdt, dat hij dien niet ontheilige, en die aan Mijnverbond vasthouden, die zal ik ook brengen tot Mijnen Heiligenberg" (Jes. 56:2, 6, 7).

Rentmeester. Er is nauwelijks ene verordening, gebod,oordeel of getuigenis, genadige spreuk, afkondiging, uitnodigingof besturing, of Klein Geloof heeft die doorlezen, en inzijn hart overpeinsd. Hij is zeer leerzaam en voortdurend in deoude oorkonde aan het doorlezen en is er zo mede bekend, dat, alseen heraut dwaalt, in de afkondiging van een gedeelte daarvan hettien tegen een is, of Klein Geloof zal het opmerken, wanthij brengt alles tot zijn eigen gevoel, en als de woorden desKonings zo behandeld worden, dat de kracht wordt weersproken, danwordt het zeker door hem gemerkt, of hij er over spreekt of niet.Want als de heraut soms op de berg schijnt te verblijven, of inhet minste naar het Hagareense kasteel schijnt te wijzen, dangevoelt Klein Geloof hem, en ziet of hij geheel oog, ooren enkel aandacht was en zodra hij zijne wenkbrauwen begint tefronsen, is het geheel gedaan; hij verwijdert zich en verlaat hetHof neerslachtig en beangst; want hij is dien berg lang genoegvoorbij gegaan. Dus kunt gij ontdekken dat hij in kennis nietgroeit.

Herder. Het is wonderbaar dat zulk een leergierig,handelbaar, ijverig, getrouw kind, zo dikwijls en zo lang van detegenwoordigheid des Konings moet worden gehouden, die de besteen lankmoedigste Vader is die bestaat; want het is slechts zeldendat Klein Geloof begunstigd wordt met een blik van hetaangezicht van zijne Majesteit.

Rentmeester. Klein Geloof heeft zulk een slechten dunkvan zichzelf en staat, naar zijne eigene mening, op zulk enenoneindige afstand van de Koning en is schroomvallig, dat hijdikwijls zelfs weigert wat hij ten zeerste behoeft. "Mijnestem is tot God, en ik roep; mijne stem is tot God, en Hij zalhet oor tot mij neigen. "Ten dage mijner benauwdheid zochtik de Heere: mijne hand was des nachts uitgestrekt, en liet nietaf; mijne ziel weigerde getroost te worden" (Ps. 77: 2, 3).Hier belijdt hij dat hij bad, en dat God het oor tot zijn gebedneigde, zelfs terwijl zijne hand uitgestrekt was en de balsem vanGilead zo zeer behoefd werd; nochtans weigert hij getroost teworden schoon hij gedwongen is te erkennen, dat hij in het gebedovermocht. Deze kleinen zijn van zulk een zonderling samenstel,dat het niet gemakkelijk verklaard kan worden, schoon zijdikwijls de gehelen dag door treurend lopen, zeggende: "0,dat ik des Konings aanschijn maar kon zien!" nochtans alsHij tot hen genaakt, zullen zij of weglopen, of Hem op zijdezetten. Een van dezen stempel, die getroffen was bij de betoningder Almacht viel voor des Konings knieën neder, zeggende:"Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens! "(Luk. 5: 8). Als hij een zondig mens of een mens vol zonde was,moet hij een zeer gepast voorwerp voor des Konings barmhartigheidgeweest zijn; en daar Hij deze wereld bezocht om zondaren totbekering te roepen, en zondaars te behouden, waarom zou KleinGeloof Hem bidden van hem uit te gaan?,

Herder. Volgens uw bericht van Klein Geloof, heefthet woord des Konings ene plaats in zijne gedachten, hart engenegenheden; en het is mij vreemd dat de vertroostingen Israëlsdoor het ongeloof buiten gesloten zouden worden.

Rentmeester. Met betrekking tot het woord der waarheid,en met betrekking tot elk bericht betreffende des Konings naam,natuur, ambten, majesteit en heerlijkheid, heeft Klein Geloof nietminder dan ene volle verzekering. "Toen zei de Koning tot detwaalven: wilt gijlieden ook niet weggaan?" En KleinGeloof antwoordde Hem: "Heere, tot wien zullen wij gaan?Gij hebt de woorden des eeuwigen levens, en wij hebben geloofd enbekend dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods"(Joh. 6: 67, 68, 69). Hier is geloof en verzekering en evenwelwordt deze edele belijder Klein Geloof genoemd en dat doorde Koning zelve (Matth. 14: 31).

Herder. Hij is inderdaad een raadsel! Een man metzwakke handen, wankelende knieën en klein geloof, en toch zegtgij, dat hij ene verzekering bezit!

Rentmeester. Het is niet meer raadselachtig dan waar.Hij geloofde en was verzekerd: er was eveneens waarheid alswezenlijkheid in zijn geloof, en zij was toen werkzaam. KleinGeloof twijfelt zelden of ooit aan de wezenlijkheid dererkende zaken; schoon hij dikwijls twijfelt omtrent zijn aandeelaan de dingen, welke hij zeker is dat bestaan, en genoten kunnenworden. Aangaande dit deel of lot in de liefde des Konings, en inhet toekomend Koninkrijk twijfelt hij dikwijls en met betrekkingtot de toeëigende daden des geloofs, zijn zijne handen slap, enevrees voor mislukking, of tekortkoming is de grondslag van zijnetwijfelingen; en met betrekking tot het aangrijpen, vastklemmenen toepassen op zich zelve, is hij een kleingelovige.

Herder. En vindt gij die kleinen opgenomen in de raad,het verbond, en de belofte der dagen vanouds?

Rentmeester. Ja, zij worden in die allen kleinen,kleinsten, en minsten geheten: "En zij zullen niet langereen iegelijk zijnen naasten leren, zeggende, kent de Heere, wantzij zullen u allen kennen, van haren kleinsten tot harengrootsten, zegt de Heere; want Ik zal hun ongerechtigheidvergeven, en hunner zonde zal Ik niet meer gedenken" (Jer.31:34), "Hij zal degenen zegenen die de Heere vrezen, dekleinen en de groten" (Ps. 115: 13). "Hij zal enen loongeven aan Zijne dienstknechten de profeten en de heiligen, endegenen die Zijnen naam vrezen, de kleinen en de groten"(Openb. 11: 18). "Die de minste onder u allen is, die zalgroot zijn" (Luk 9: 48). Dus blijkt het dat Klein Geloofin miniatuur zelfs in het voornemen, de belofte en hetverbond staat; en tevens onder de burgers van de Berg Sion.

Hij is het nazaad van de ouden van dagen, een van hetVorstelijk zaad, en van de dierbare zonen van Sion (Klaagl. 4:2); en het onverderfelijk zaad is in hem. De Koning verhoortzijne gebeden gelijk aangetoond is; en dat is meer dan sommigenkunnen zeggen, die op groot geloof roemen. "Heere! behoudmij, of ik vergal" riep Klein Geloof, en hij werd inéén minuut gehoord en geantwoord. "De Koning geeft demoede kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte, dengene, die zeniet heeft". Een kindje in de genade staat vast, wanneer dejongelingen gewisselijk vallen. (Jes. 40: 29, 30). "Kan enevrouw haren zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme overde zoon haars schoots? Indien zij vergate, zo, zal Ik Sion nietvergeten, noch de kinderen haars buiks". Dus is hetgeslachtsregister van Klein Geloof opgespoord, zijnegeboorte en verwantschap zijn genoegzaam bewezen; en metbetrekking tot zijne opvoeding vordert hij reeds grotelijks. Zijnleven is voorbeeldig; zijne wezens trekken zijn helder; en zijnebezoeken aan het hof met zijn gedrag aldaar, zijn zodanig als hemoprecht, oplettend, waakzaam, zedig, ijverig, rechtschapen, engehoorzaam aan Zijne Majesteit doen noemen; teerhartig jegens elkrechtschapen hoveling en aangesteld dienaar, in het kort jegensal het Vorstelijk zaad, van de kleinste tot de grootste daar hijzot verliefd is op de getrouwen; bereid en gewillig om ieder inhet huisgezin bij te staan; en met zielsdroefheid getroffen bijhet minste wangedrag letzij van een der dienaren, of van desKonings zaad,. Hetwelk alle wezenstrekken zijn van het ware zaadder hogere heilige en hemelse geboorten. Ik bid u, zeg mij eens,Herder, weet gij hoe laat het is?

Herder. Neen, Mijnheer; en ik bekommer er mij niet om;want het is tijd om te slapen en dat noem ik mijn eigen tijd, enwanneer ik de halve nacht in overdenking, in goed gezelschap, ingoede gesprekken, of in het nagaan van enige gunst, verlossing,of genade van de dag doorbreng, dan noem ik dit "de tijduitkopen".

Rentmeester. Ik moet terugkeren, want wij hebben eenavondoffer te offeren; en ik ben aangesteld om die te zegenen, ende toewijding en bescherming des hemels over de familie af tesmeken, eer zij zich ter ruste begeven.

Herder. Daar de Koning elke zaak op Zijnen tijdheerlijk gemaakt heeft, zo moeten onze bijeenkomsten op geschiktegelegenheden plaats hebben. Maar morgen zal het enen drukken dagvoor mij zijn; ik moet de gehele kudde nauwkeurig onderzoeken.Het weder is zeer heet, en de vliegen zijn zeer bezig. Ik hebmijnen staf, mijne schaar, mijn schurftwater, mijne teer enterpentijn reeds klaar.

Rentmeester. Wat doet gij daarmede?

Herder. Wij gebruiken ene grote hoeveelheid van de sapder pijnboom, voornamelijk als de "vliegen bezig zijn"(Pred. 10: 1) en ik vind het geen gemakkelijke zaak om eenwispelturig, eigenzinnig, ingebeeld hoofd te genezen van luimen;als de schaar niet gebruikt werd, dan zoudt gij de halve kuddelevend met dezelve zien kruipen; en als dit eens het geval is,kruipen ze altijd in de heggen en gij kunt ze nauwelijks vinden.

Rentmeester. Nu, daar het morgen een drukken dag voor uzal zijn, zult gij de volgenden dag vrij zijn, omdat dit ook voormij enen vrijen dag zal zijn?

Herder. Ik kan de voormiddag bij u doorbrengen, daargij het gemakkelijk kunt maken met naar mijne tent te komen, dieaan de voet des heuvels is, juist boven de tenten van Kedar.

Rentmeester. Zo de hemel het mij vergunt, zal ik daarzijn. Vaartwel!

Herder. Tot dan, gegroet en vergeet niet, mij bij hetopofferen van het avondoffer te gedenken.