DE LADDER JAKOBS

 

 

I. De eerste trap der zaligheid, n.l. oprechte ootmoed.

Bij deze trap (evenals bij de volgende trappen) zullen wij deze vier punten bespreken:

1. de beschrijving van de ootmoed;

2. hoe nodig ze is;

3. de kenmerken, of wij ermee begiftigd zijn;

4. hoe een mens ertoe komen kan.

 

I. Ootmoed.

Wat het eerste punt betreft, geven wij daarvan met Bernardus de volgende definitie: "Ootmoed is een deugd, waardoor de mens zichzelf van harte mishaagt door een oprechte zelfkennis". Deze beschrijving is goed. Want ze komt overeen met, die van de apostel Paulus, in Fil. 2 : 3: "Door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelven". Zo bestaat dus de ware ootmoed:

1. Niet zozeer in een uiterlijke schijn, zodat men het hoofd zou moeten buigen als een bieze, of dat men op een zak of in de as neerligt, of dat men wil uitblinken door bepaalde vormen van zelfverzonnen onthouding of in eigenwillige godsdienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen; zoals de monniken in het pausdom plegen te doen; of dat men een trots hart met een gescheurde rok bedekt, enz. In deze en soortgelijke dingen bestaat de ware ootmoed niet. Want de Heere bestraft zulke hypocrieten, die Hem en de mensen met zulk een uiterlijke schijn trachten te bedriegen, zoals men lezen kan in Jes. 58 : 5 en Kol. 2 : 23, daar toch hun hart vol opgeblazenheid en verachting van de naaste is.

2. Maar de rechte ootmoed bestaat in een ongeveinsde vernedering des gemoeds, waardoor wij onszelf gering achten en voor God en de mensen verfoeien, als wij onze zonden en ellendestaat overleggen, waarin wij van nature naar ziel en lichaam verkeren. Daarom zegt de profeet Joël in hfdst. 2 : 13: "Scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot den HEERE uwen God". Want anders, ook al waren wij bedekt met een bedelaarskleed of met een Capucijnenkap, wanneer wij daarbij op onszelf zouden vertrouwen, dat wij rechtvaardig zijn en anderen niets achten dan zijn wij geen haar beter dan de Farizeeërs, en zullen wij met onze geveinsdheid ,door God verstoten worden, zoals de trotse Farizeeër, die op zijn eigen gerechtigheid steunde, Luk. 18 : 9 en 14.

Weliswaar moet, als een vruchtbare wortel, de ootmoed ook blijken uit uitwendige werken, zoals met name daaruit, dat wij ons leven in alle eenvoud moeten inrichten, zowel ,in gedrag, woorden en werken; dat wij de één de ander, met eer moeten voorgaan, Rom. 12 : 10; niet naar de hoge dingen streven, maar ons voegen tot de nederige, Rom. 12 : 16; dat wij tevreden hebben te zijn met onze staat, waarin wij geroepen zijn, al was die voor de wereld nog zo onaanzienlijk; dat wij geen enkel ding doen door twisting of ijdele eer, maar de ander uitnemender achten dan onszelf, Fil. 2 : 3; dat wij met alle eerbied en vriendelijkheid alle mensen moeten bejegenen, niet alleen die boven ons, maar ook die naast of onder ons staan; en dat wij ook meer ervoor hebben te zorgen, dat wij ons met christelijke deugden versieren, dan dat wij onszelf als poppen zouden optooien met prachtige en overdadige versiering naar het lichaam, buiten alle grenzen van matigheid. eerbaarheid en onze christelijke roeping, enz. Dit geven wij wel toe, ja dit houden wij vol, dat deze vruchten zeer noodzakelijk zijn. Maar desniettemin blijft vaststaan, dat de wortel der ootmoed in het hart geplant moet zijn door een oprecht gevoel van onze ellendigheid. Anders zouden al die uiterlijke tekenen niet meer betekenen dan vijgenbladeren, om de schaamte van onze geveinsdheid te bedekken.

 

2. De noodzaak.

Wat nu de noodzaak van deze gave betreft: die laat zich gemakkelijk aantonen 1. met duidelijke teksten uit de Heilige Schrift, 2. met redenen, en 3. met voorbeelden.

1. De teksten der Schrift die ertoe strekken, zijn niet te tellen. Maar wij zullen enkele van de voornaamste hier noemen. Allereerst is het opmerkelijk wat wij in Math. 5 : 3 lezen, dat n.l. onder de acht trappen van de zaligheid, die onze Heere Christus daar opsomt, deze de eerste is: "Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen". Want daar wordt onder een ‘arme van geest’ niet anders verstaan dan de echt ootmoedige of nederige. Dit is dan ook de eerste les die wij te leren hebben, als wij op de school van Christus komen, om rust te vinden voor onze zielen, n.l. dat wij Zijn zachtmoedigheid en de nederigheid of ootmoed moeten navolgen, Math. 11 : 29. Want anders zullen wij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan, tenzij wij ons veranderen en worden gelijk de kinderkens, Math. 18 : 3, te weten: niet in het verstand, maar in ootmoed.

Zonder deze gave kunnen wij Gode niet behagen noch Zijn genade verwerven. "Want God wederstaat de hovaardigen (zoals wij dat zien bij de Farizeeër, Luk. 18 : 14), maar den nederigen geeft Hij genade", 1 Petr. 5 : 5 (zoals wij dat opmerken bij de tollenaar, Luk. 18 : 14). De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zal God niet verachten, Ps. 51 : 19. En daarin pleegt de Heere te allen tijde de kracht van Zijn almacht te betonen, door de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten te verstrooien, en de nederigen te verhogen; zoals Maria, de moeder des Heeren, in haar lofzang zingt, Luk. 1 : 51v.

2. Er zijn ook klare redenen om te bewijzen dat wij Gode niet kunnen behagen zonder ootmoed. Want aangezien God alle dingen doet tot Zijn eer en tot prijs van Zijn heerlijke Naam, daarom is Hij jaloers over Zijn eer en kan Hij niet dulden, dat er onder Zijn schepselen zijn, die ook maar het geringste deel daarvan voor zichzelf roven, Jes. 48 : 11. Weliswaar belooft Hij, 1 Sam. 2 : 30, te zullen eren die Hem eren; maar die eer moeten wij van Hem verwachten met ootmoed en lijdzaamheid. Anders zal Hij ons te schande maken.

Ons hart is niet geschikt om het zaad van Gods genade te ontvangen, als wij niet door de ploegschaar van Gods Wet verbroken zijn. Ook kunnen wij niet eerder hongeren en dorsten naar Christus’ gerechtigheid, of eerst moet ons hart gezuiverd zijn van alle eigendunk en verwaandheid, die de mensen inzake hun eigen waardigheid bezitten. Wij kunnen niet om de Medicijnmeester der ziel roepen, voordat wij eerst onze eigen krankheid en wonden gewaar worden. Wij kunnen niet eerder van God ogenzalf begeren om onze blinde ogen te genezen, of om kleren om onze naaktheid te bedekken, of om goud dat door het vuur beproefd is, om onze schulden af te doen, of wij moeten vooraf belijden, dat wij ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt zijn, Openb. 3 : 17v.

Kortom, wie aan deze trap van ootmoed voorbijgaat, kan nooit een echt christen worden, noch God behagen in leven of in sterven. Daarom is het zeer juist door Augustinus opgemerkt, dat de ootmoed het eerste en laatste gebod is van de christelijke religie. Niet zozeer, omdat er geen andere geboden zouden zijn, maar omdat wij geen goed kunnen doen, tenzij de ootmoed aan onze werken voorafgaat, ermee samengaat en erop volgt. Want anders, zegt hij, wanneer wij in bepaalde goede werken gaan roemen, dan zou de hoogmoed ons van alle deugden beroven. Want andere gebreken zijn ‘t meest te vrezen in zaken die zondig zijn, maar de hoogmoed is het meest te duchten in zaken die goed zijn, n.l. dat wij, (in ruil) voor eergierigheid, niet bederven en verliezen hetgeen anders met ere door ons zou gedaan kunnen zijn.

Ook Bernardus zegt zeer lieflijk en gepast, dat de Heere Christus boven aan de top van Jakobs ladder staat, en dat Hij van boven af roept: "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt; en Ik zal u rust geven". Hij zegt: Komt! Tot wie? Tot Mij, Die de Waarheid ben. Langs welke weg? Door ootmoed. En welke vrucht zal ik dan genieten? Ik zal u rust geven. Dezelfde leraar zegt ook op de genoemde plaats, dat als wij door de Wijsheid, d.w.z. door Christus, aan Zijn banket genodigd zijn, waarvan wij in Spr. 9:1v. lezen, het eerste gerecht een bitter gerecht is, om ons te zuiveren, n.l. de ootmoed. Het tweede is een zoet gerecht, n.l. de liefde van Christus, om ons te vertroosten. En het derde is het gerecht van geestelijke overdenkingen, om ons n.l. te versterken.

3. Er Zijn ook vele en duidelijke voorbeelden om te bewijzen dat God de hoogmoedigen steeds wederstaat, en dat Hij Zijn genade aan de ootmoedigen betoont. Voorbeelden van hoogmoed hebben wij in Adam en Eva., onze eerste voorouders, die als God wilden zijn, Gen. 3; in de bouwlieden van de toren te Babel, Gen. 11; in Farao, Ex. 1 enz.; in Korach, Dathan en Abiram, Num. 16; in Absalom, Davids zoon, 2 Sam. 15; in Joab, Davids veldheer, 1 Kon. 2; in Nebukadnézar, Dan. 6, en in Herodes Agrippa., Hand. 12, die allen te zamen deerniswekkend door God gestraft werden. Daarentegen vinden wij voorbeelden van ootmoed bij de heilige Patriarchen, Profeten en Apostelen, ja ook bij de godzalige koningen, zoals David in Ps. 51 en 131, Hiskia, 2 Kron. 32 : 26, Josia., 2 Kron. 34 : 27, en nog anderen meer, die allen te zamen door God op een bijzondere wijze met genade en barmhartigheid gekroond zijn. Maar onder alle voorbeelden van ootmoed is er niet één te vergelijken met de ootmoed van onze Heere Jezus Christus, "Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn; maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden; en in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises", Fil. 2 : 6-8. En zoals Hij door de diepste vernedering ingegaan is tot de grootste heerlijkheid, moeten ook wij ons vernederen als de laatsten en de geringsten, als wij groot willen zijn in de hemel.

 

3. Kenmerken.

Zo kan dus ieder christen, die maar enig verstand heeft, voldoende voor ogen zien, ja, met de handen tasten, hoe nodig het is, dat wij met deze trap aanvangen, als wij gaarne naar de hemel willen opklimmen. Maar aangezien velen denken dat zij deze trap al bereikt hebben, terwijl zij er nog ver van verwijderd zijn; en omdat vele eenvoudigen van hart door de schijn van geveinsde ootmoed bedrogen worden, is het nodig dat wij ook de kenmerken van de oprechte ootmoed voorstellen. Niet alleen om ons eigen hart, dat overigens zeer bedrieglijk is, daaraan te beproeven, maar ook opdat wij niet door de waan van ootmoed bij anderen bedrogen worden. Deze kenmerken zijn vooral de volgende zes.

1. Allereerst moeten wij onszelf onderzoeken, of wij niet een grote gedachte van onszelf hebben, en geneigd zijn om anderen te verachten. Want dat is een vaststaande regel, dat allen die nog op hun eigen wijsheid, gerechtigheid, staat, rijkdom en verder op alle andere geestelijke of lichamelijke gaven gesteld zijn, en die anderen plegen te verachten, nog nooit de pit en kern van de rechte ootmoed gesmaakt hebben, maar dat ze een trots en hovaardig hart omdragen. De reden is duidelijk. Want een ootmoedig hart is een gebroken hart. Daarom vindt het bij zichzelf niets om op te steunen, maar wordt het alleen staande gehouden door Gods barmhartigheid. Daarentegen puilt een hovaardig hart uit als een vette buik, en denkt dat het genoegzaam door zijn eigen kracht staande gehouden kan worden. Een voorbeeld hiervan zien wij bij de Farizeeën, die bij zichzelf vertrouwden, dat zij, rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, Luk. 18 : 9. Zij rechtvaardigden zichzelf voor de mensen, maar God kende hun hart, Luk. 16 : 15. Daarentegen zijn zij die echt ootmoedig en besneden van hart zijn, daaraan herkenbaar, dat zij God in de geest dienen, dat zij in Jezus Christus roemen en niet in het vlees betrouwen; d.w.z. op geen enkele gave of uitnemendheid, waarop de vleselijke mens placht te vertrouwen, Fil. 3 : 3.

2. Ten andere moeten wij onze woorden onderzoeken. Want uit de overvloed des harten spreekt de mond, Mat th. 12 : 34. Daarom zal een hovaardige mond veelal samengaan met een hovaardig hart. Dat wordt verklaard van de hovaardige mensen in Ps. 73 : 8: "Zij mergelen de lieden uit en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte", en in vers 9: "Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde". Met dit brandmerk wordt de hoogmoedige koning van Assyrië getekend, omdat hij sprak: "Door de kracht mijner hand heb ik het gedaan en door mijne wijsheid, want ik ben verstandig; en ik heb de landpalen der volkeren weggenomen, en heb hun voorraad geroofd, en heb als een geweldige de inwoners doen nederdalen; en mijne hand heeft gevonden het vermogen der volken als een nest, en ik heb het ganse aardrijk samengeraapt gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde of den bek opendeed of piepte", Jes. 10 : 13v. Zo spreekt ook de hoer van Babel, en blaast uit haar mond: "Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe en zal geen rouw zien", Openb. 18 : 7. Kortom, een hovaardige mond is een stellig bewijs van een hovaardig hart. Zoals de profeet David dat terecht in zijn vijanden opmerkte, wanneer hij daarover in zijn Psalmen klaagt, maar vooral in Ps. 10 : 4: "De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet; al zijne gedachten zijn, dat er geen God is"; vers 5: "Zijne wegen maken te allen tijde smarte; Uwe oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijne tegenpartijders, die blaast hij aan"; en in vers 6: "Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslachte tot geslachte in geen kwaad zijn". Evenzo stelt Judas, Jakobus’ broeder, onder andere tekenen van goddeloze en trotse mensen, dat hun mond "zeer opgeblazen dingen spreekt, verwonderende zich over de personen om des voordeels wil", Judas, vers 16.

Daarentegen weten de godvrezenden en nederigen niet anders te roemen dan in de Heere, Jer. 9 : 23v., zeggende (Ps. 115 : 1): "Niet ons, o HEERE, niet ons, maar Uwen Naam geef ere om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil"; en met de godzalige koning David: "Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?"; en met de heilige apostel Paulus: "Ik dank God door Jezus Christus onzen Heere", en dat wil zeggen: "Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus", 1 Kor. 15 : 57.

3. Ten derde moeten wij onze werken onderzoeken, of wij, niet streven naar dingen die ons te hoog zijn. Dit kenmerk geeft ons de koninklijke profeet David in Ps. 131 : 1 aan de hand. Want nadat hij eerst voor de HEERE betuigd had, dat zijn hart niet verheven was, noch zijne ogen hoog waren, bewijst hij zijn verklaring met dit kenmerk: "Ook heb ik niet gewandeld in dingen, mij te groot en te wonderlijk". Dit kenmerk staat dan ook zeer vast. Want een hart dat trots en hovaardig is, dat is tevens ambitieus en eergierig, aangezien het niet licht met zijn positie tevreden is, maar steeds hoger wil klimmen. Of als de weg afgesloten is, zodat het niet hoger klimmen kan, dan tracht het althans te heersen over zijns gelijken. Dit zien wij bij Korach, Dathan en Abiram. Want daar zij trots van hart waren, was het Korach niet genoeg dat hij uit het priestergeslacht geboren was, maar wilde hij zelfs het ambt van Hogepriester met alle geweld bekleden, Num. 16 : 9v., daar toch niemand zichzelf die eer mocht aannemen, dan die door God daartoe geroepen was, gelijkerwijs Aäron, Hebr. 5 : 4. Ook was het een Dathan en Abiram niet voldoende, dat zij tot de voornaamste en eerste raadsheren onder het volk. behoorden, maar zij waren jaloers op de heilige man Gods, Mozes, en wilden hem uit zijn ambt zetten, Num. 16 : 12v. Hetzelfde merken wij ook in de hoogmoedige en goddeloze Absalom. Want het was hem niet genoeg dat hij de zoon van de koning was en bij zijn vader welbemind was, maar zijn hart snakte naar dingen die hem te hoog waren, d. w .z. naar de kroon zelf, die hem niet toekwam. En hetgeen nog afschuwelijker is: hij verstoutte zichzelf de kroon aan te randen tijdens zijns vaders leven, 2 Sam. 15.

Wanneer nu een trots hart bemerkt dat het niet veel hoger kan klimmen, dan zoekt het zichzelf te verheffen onder zijns gelijken; zoals een Diotrephes deed, die onder zijn medebroeders probeerde de eerste te zijn, 3 Joh., vs. 9. Dit venijnige zaad stak nog in het hart van de Apostelen, eer zij met de Heilige Geest vervuld waren op de Pinksterdag. Want zij hebben meermalen onderling erover getwist, wie onder hen de meeste was, Matth. 18 : 1, Mark. 9 : 34 en Luk. 22 : 24, zodat de Heere ze daarover menigmaal heeft moeten bestraffen, Matth. 20 : 25 enz., en met Zijn eigen voorbeeld beschaamd maken, Jobs. 13 : 14. Zolang wij dus deze eergierigheid gevoelen, zijn wij nog niet terdege verootmoedigd. Want wie recht ootmoedig is, die acht steeds een ander uitnemender dan zichzelf, Pil. 2 : 3, en zo iemand staat niet naar grote en hoge dingen, aangezien hij een kleine gedachte van zichzelf heeft, met de Apostel uitroepende: "Wie is tot deze dingen bekwaam?" 2 Kor. 2 : 16. Hij denkt ook steeds aan de heilzame vermaning van diezelfde Apostel: "Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven", Rom. 12 : 16.

4. Nu volgt het vierde kenmerk: Of wij een afkeer hebben van de grootsheid des levens, d.w.z. van de pracht dezer wereld. Want het kan niet anders, of hij die terdege ootmoedig en gebroken van hart is, moet ook noodzakelijk alle goddeloosheid en wereldse begeerten verfoeien, en met name de begeerlijkheid des vleses, de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens. En dat niet alleen, omdat hij verstaat dat hun oorsprong uit de wereld is en niet uit de Vader, maar ook omdat ze zo strijdig zijn met de liefde Gods, zodat ze niet in één hart samen kunnen bestaan. Want wie de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem, I Johs. 2 : 15v. En zo wie een vriend der wereld zijn wil, die wordt een vijand Gods gesteld, Jak. 4: 4. Daarom zijn die mensen wel heel verdwaald, die zichzelf zozeer aan de pracht der wereld en de grootsheid des levens overgeven, en intussen ook nog erg op hun eenvoud en ootmoed durven te roemen. Want als hun hart eens terdege gebroken was, dan zou die ijdelheid van de wereld hun niet zozeer behagen, dat zij daar zoveel geld en tijd voor zouden verkwisten, maar zij zouden die dan van harte verfoeien en verwerpen; zoals wij opmerken, dat iemand die van harte bedroefd of lichamelijk ziek is, een walg en afkeer heeft van alle wereldse pracht en praal.

Het staat dus vast, dat als ons hart zo door droefheid over de zonden vermorzeld ware als het soms wel eens vermorzeld is door het ervaren van een bepaalde dodelijke ziekte of enige andere ernstige bezoeking, dat wij de prachtlievendheid gemakkelijk zouden afleggen en als vuilnis zouden verfoeien en wegwerpen. Deze prachtlievendheid openbaart zich niet maar in de overdadige opsiering van het lichaam, maar ook in schitterende woningen, huisraad, banketten, opschik bij het begraven van onze doden, enz. Want in al die dingen leeft zich de ijdele, wereldse mens (omdat hij ontbloot is van het geestelijk sieraad der christelijke deugden) uit en blaast hij zich op, evenals trouwens in al zijn uiterlijke handelingen; en wel met de bedoeling, dat hij de ogen der mensen op zich zou vestigen, als op een uitnemend en bijzonder persoon, die ver boven anderen uitsteekt. Deze prachtlievendheid mishaagt de Heere zozeer, dat Hij om die reden alleen al menigmaal een heel land komt plagen met oorlog, pest, duurte en dergelijke straffen meer.

Leest u maar over prachtlievendheid in de kleren Jes. 3 : 16v.v.; over de prachtige huizen Jes. 9 : 9, , Jer. 22 : 14 en Hagg. 1 : 4; over schitterend huisraad Amos 6 : 4, en overdadige banketten Pred. 10 : 19, Amos 6 : 4 en 6, en Jak. 5 : 5; en wat pompeuze begrafenissen betreft, Jes. 22 : 16. Het feit nu, dat sommigen deze wereldse pracht en overdaad willen goedpraten met hun wereldlijk beroep en met hun overvloed aan tijdelijke middelen, is niet meer dan een vijgeblad, dat niet breed genoeg is om hun schaamte te bedekken. Want al geven wij gaarne toe, dat hun die in enig hoog ambt naar de wereld geplaatst zijn, in die uiterlijke dingen, zoals kleren, woningen enz., wat meer toegestaan is dan gewone christenen toch blijft vast staan, dat hoe hoog onze politieke positie ook zij, zij toch moet buigen onder de gehoorzaamheid aan Christus, 1 Kor. 10 : 5.

Welnu, die gehoorzaamheid waartoe alle christenen in het algemeen geroepen zijn, zowel hogen als lager geplaatsten, brengt mee dat wij, de wereld wel mogen gebruiken, maar niet misbruiken, 1 Kor. 1 : 31; dat wij moeten najagen hetgeen tot de vrede en tot de onderlinge stichting dient, Rom. 14 : 19; en hetzij dat wij eten, hetzij dat wij drinken, hetzij dat wij iets anders doen, dat wij het alles moeten doen ter ere Gods, zodat wij mogen leven zonder aanstoot te geven én aan de Joden, én aan de Grieken én aan de gemeente Gods, 1 Kor. 10 : 31v. En al vinden wij dan al geen precieze en speciale regels in de Heilige Schrift inzake kleding en dergelijke uiterlijke zaken, toch worden ons in die algemene regels duidelijk genoeg ,de grenzen aangewezen waarbinnen wij ons te houden hebben; vooral als die duidelijke verklaring erbij komt, die wij in 1 Tim. 2 : 9v, vinden: "Dat de vrouwen in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zichzelven versieren, niet in vlechtingen des haars of goud of paarlen of kostelijke kleding; maar (hetwelk de vrouwen betaamt, die de godvruchtigheid belijden) door goede werken". Want Petrus wil in 1 Petr. 3 : 3-6, dat haar "versiersel zij niet hetgeen uiterlijk is, bestaande in het vlechten des haars en omhangen van goud of van klederen aan te trekken; maar de verborgen mens des harten, in het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God. Want alzo versierden zichzelve eertijds ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, en waren haar eigen mannen onderdanig; gelijk Sara aan Abraham gehoorzaam is geweest, hem noemende heer, welker dochters gij geworden zijt, als gij weldoet en niet vreest voor enige verschrikking".

Wij hebben dus geen Mennisten-regels nodig, hoe ver of hoe ruim wij op het punt van kleding gaan mogen. Want dat bericht is zo duidelijk, dat iemand die daarin nog iets duisters vindt of uitvluchten ertegen tracht in de brengen, daarmee betoont dat hij nog de wereldse pracht en de grootsheid des levens liefheeft en daarom tot dan toe in de duisternis verkeert. Wat die andere uitvlucht betreft, inzake de overvloedige rijkdom aan tijdelijke middelen waarop sommigen zo trots zijn, dat zij menen dat ze alles mogen dragen dat ze maar betalen kunnen (want het geld verantwoordt alles, Pred. 10 : 19), deze uitvlucht komt nog veel minder van pas dan de vorige. Want zoals een rijkaard, al is zijn kelder welvoorzien met wijn en bier, zich daarom nog niet aan zijn eigen drank bedrinken mag, evenmin mag een rijkaard, omdat hij rijk is, zijn goederen verkwisten aan overdadig mooie kleren, banketten, meubelen enz. Want het is hem in het ene niet meer geoorloofd zijn goed te misbruiken, als in het andere. En daarom wordt de rijke vrek met deze twee brandmerken getekend, dat hij "was gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, levende allen dag vrolijk. en prachtig." Luk. 16 : 19.

Dit is zo duidelijk, dat zelfs de politieke heren, die enig verstand bezitten, deze grondstelling goed begrijpen, dat n.l. het geld alleen de staat niet uitmaakt, maar het beroep. Want anders zou een rijke particulier in deze uiterlijke dingen dikwijls meer kunnen en mogen doen dan sommige politici, die met tijdelijke middelen zozeer niet begiftigd zijn. Kortom, als wij, mét koning David, voor God en de mensen willen laten zien, dat ons hart niet verheven is en onze ogen niet hoog zijn, dan moeten wij de grootsheid des levens verzaken, en niet streven naar de hoge dingen, maar ons voegen tot de nederige, Rom. 12 : 16.

5. Nu volgt het vijfde kenmerk, n.l. of wij bereid zijn, om met eer de een de ander voor te gaan. Want wie echt ootmoedig is, acht altijd een ander uitnemender dan zichzelf, Fil. 2 : 3, en daarom kan hij zeer gemakkelijk en zonder veel moeite van zichzelf gedaan krijgen, dat hij, een ander op de eerste en hoogste plaats stelt. Daarentegen beminnen hovaardige en trotse mensen, zoals de Farizeeën, veelal de vooraanzittingen aan de maaltijden en de voorgestoelten in de synagogen; en zo ook: de begroetingen op de markten en om van de mensen met "Rabbi, Rabbi" aangesproken te worden, Matth. 23 : 6v. En vandaar dat er onder de hovelingen en andere wereldse mensen zovele en bittere twistgesprekken voorkomen over het zitten en voorgaan in allerlei colleges en vergaderingen van mensen, zowel bij banketten en maaltijden, als bij andere bijeenkomsten, waarover gewichtige en belangrijke dingen gesproken wordt.

Want als iemand ook maar dénkt, dat hij een duimbreed lager zit, dan zijn positie vereist, dan zal het hart van binnen gaan zwellen van boosheid, en dan zal het gezicht er dadelijk getuigenis van geven, dat de gal van binnen in beweging is, ja, wellicht zal dan de mond ook losbarsten, hetzij terstond, hetzij wanneer het zeer ongelegen komt, en bitter gaan klagen over het onrecht, dat hij meent daar geleden te hebben, en dan zal hij proberen zichzelf daarover te wreken. Helaas! arme mensen, die zozeer streven naar de ijdele eer van mensen, terwijl zij daarentegen de eer die van God alleen is, niet zoeken, Joh. 5 : 44. En zoals dit er een bewijs van is, dat zij van het geloof ontbloot zijn, zo is het ook een stellig kenmerk daarvan, dat zij ontbloot zijn van ootmoed ja zelfs van naastenliefde. Want wie echt ootmoedig is zal zichzelf steeds voegen bij de nederigen, en niet de eerste maar veeleer de laagste plaats zoeken daar hij er zeker van is, dat hij daarbij zijn eer niet verliezen zal.

"Want een iegelijk die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden", Luk. 14 : 7-11. En wie ook van harte zijn naaste met broederlijke liefde liefheeft, die zal ook altijd gezind zijn, om hem met eer voor te gaan, Rom. 12 : 10. "Want de liefde is niet afgunstig en handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen en zij zoekt zichzelve niet", 1 Kor. 13 : 4v. Daarom is zij, vreemd aan twisting en ijdele eer, en leert zij ons om een ander altijd uitnemender te achten dan onszelf, Pil. 2 : 3. Weliswaar weten de wereldse mensen deze zotte ijdelheid te verbloemen met hun zogenaamde positie en uiterlijke (hoge) staat, die zij met de ruimste el weten uit te meten. Maar zij zijn immers zo dom niet, dat ze zouden geloven, dat de waardigheid van hun beroep bestaat in de opinie van mensen. Want gesteld, dat er eens iemand was, die niet door een ander gerespecteerd wordt, zoals zijn ambt en gaven dat vereisen, zal hij of zal zijn ambt daarom minder zijn? Och, toch niet. Want de politici geven zelf toe, dat wanneer een waardig persoon geëerd wordt, die eer meer de persoon geldt die ze bewijst, dan die ze ontvangt. Want wie die eer ontvangt, kan daardoor noch beter noch waardiger worden. En zo ook in het tegengestelde geval: Als iemand zo lomp en onbillijk is dat hij aan een waardig persoon niet de hem toekomende eer bewijst, dan komt de schande daarvan meer neer op de persoon die vergeet die eer te bewijzen, hetzij uit domheid dan wel uit boosheid -dan op de persoon die de eer onthouden wordt. Kortom, als wij door de Geest leven, zo laat ons ook door de Geest wandelen. "Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende", Gal. 5 : 25v.

6. Nu volgt nog het zesde en laatste kenmerk, te weten, of wij met een zaohtmoedige en lankmoedige geest de gebreken van onze naaste kunnen verdragen. Want, de zachtmoedigheid is de zuster van de ootmoed. Daarom worden ze veelal bij elkaar gevoegd, zoals met name in Matth. 11 : 29, waar onze Zaligmaker ons vermaant, dat wij Zijn juk op ons zullen nemen en van Hem leren, dat Hij zachtmoedig is en nederig van hart. Zo ook in Kol. 3 : 12, waar de Apostel de gelovigen als volgt vermaant: "Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid", en in vers 13: "Verdragende elkander en vergevende de één den ander, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo".

Hieraan zien wij dus, dat wij niet ootmoedig kunnen zijn, of de lankmoedigheid zal er dadelijk op volgen. Want wie zijn zonden en ellendigheid grondig kent en verstaat, die weet, dat hij in Gods vierschaar niet kan bestaan; en daarom, al gebeurt het wel eens, dat iemand, uit broosheid of uit boosheid, hem enig leed aandoet, dan kan hij toch dat onrecht geduldig vendragen, wanneer hij enerzijds maar let op zijn zonden, en anderzijds op Gods voorzienigheid, zonder welke hem dat onrecht niet aangedaan wordt. En daarom besluit hij er bij zichzelf toe: Ofschoon ik dat tegenover die mens niet verdiend heb, toch heb ik het tegenover God dubbel en dwars verdiend. En bijgevolg zal hij tegenover het instrument (n.l. van Gods voorzienigheid, v. d. Hr.) niet al te zeer ont stellen, maar veeleer acht geven op Gods hand die hem treft, en over zijn zonden treuren, die deze slagen veroorzaken.

Dit maakte koning David zo lankmoedig, toen hij door Simeï, de zoon van Gera gevloekt werd, die de koning tijdens diens vlucht voor zijn zoon Absalom, als volgt nariep: "Ga uit, ga uit, gij man des bloeds en gij Belialsman! De HEERE heeft op u doen wederkeren al het bloed van Sauls huis, in wiens plaats gij geregeerd hebt; nu heeft de HEERE het koninkrijk gegeven in de hand van Absalom, uw zoon; zie nu, gij zijt in uw ongeluk, omdat gij een man des bloeds zijt", 2 Sam. 16 : 7v. Toen nu Abisaï, de zoon van Zeruja, dat niet langer verdragen kon en daarom de koning aldus aansprak: "Waarom zou deze dode hond mijn heer den koning vloeken? Laat mij toch overgaan en zijn kop wegnemen", zo antwoordde de koning vol lankmoedigheid: "Wat heb ik met u te doen, gij zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want de HEERE toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt gij alzo gedaan?" (vers 9 en 10).

Let hierbij eens op de wonderlijke lankmoedigheid van een voortreffelijk koning tegenover één van zijn onderdanen, die zijn koning het grootste onrecht ter wereld aandoet. (Want David was onschuldig aan hetgeen die gruwelijke mens hem ten laste legde!) En toch verdraagt hij het onrecht met een zachtmoedige en stille geest, aangezien hij aan de ene kant let op Gods voorzienig bestel, en anderzijds, omdat hij in zijn geweten wel besefte, dat hij zoal niet het bloed van Saul, dan toch dat van Uria, die vrome held, ten onrechte gestort had.

Nog veel meer van zulke voorbeelden zouden wij kunnen aanhalen. Maar een ieder die verstand bezit, kan niet ontkennen, dat de ootmoed en zachtmoedigheid als het ware twee zusters zijn, ja tweelingen van één dracht, die onderling niet een half uur in geboorte verschillen. Want het zijn beide vruchten van de Heilige Geest, die op dezelfde tijd in het hart van de gelovigen worden voortgebracht.

Wanneer wij nu deze zes kenmerken eens met elkaar goed overwegen, dan merken wij wel, hoe héél weinigen er zijn onder de zogenaamde christenen, die met de rechte ootmoed begiftigd zijn. Want wie is er, die niet ziet en als met de handen tast, dat de mensen koningen zijn in eigen hart? Zij hebben een grote gedachte van zichzelf en maar een kleine gedachte van een ander. Vandaar ook, dat de gedachten, woorden, gebaren en werken van de mensen vol vermetelheid, roemzucht en staatsiezucht zijn. Vandaar dat zij zo'n genoegen vinden in de grootsheid des levens en in de schittering van deze wereld. Vandaar dat er zoveel getwist wordt om de eerste en voornaamste plaats bij het gaan staan en zitten. Vandaar dat ook de mensen van elkaar niets kunnen verdragen. Want een ieder kent zichzelf als zo goed, of nog beter dan een ander, terwijl wij veeleer, als wij recht ootmoedig waren, met de apostel Paulus zouden moeten belijden, dat wij de voornaamsten waren van alle zondaars, 1 Tim. 1:15. Laat ons dan ons eigen hart aan deze kenmerken goed beproeven. Dan zullen wij bevinden dat wij die les van onze lieve Zaligmaker nog dagelijks ter harte moeten nemen, als Hij zegt: "Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uwe zielen", Matth. 11 : 29.

 

4. De middelen.

Om nu aan deze zo nodige gave te komen, moeten wij, de volgende middelen gebruiken.

1. Wij dienen als vaste regel aan te nemen, dat de mensen van nature allen trots en hoogmoedig zijn. Want de mens is hoog (dat wil zeggen: trots) van hart, Spr. 16 : 5. Een zaak die niemand beter weet dan de Heere, Die de harten kan doorgronden en de nieren proeven, Jer. 17 : 10. Men bemerkt ook, dat dit euvel zich aanstonds bij de kinderen openbaart, zodra zij enigszins hun verstand kunnen gebruiken. Want het is dat oude venijn, dat onze eerste voorouders, Adam en Eva, van de slang hebben ingezogen, en alle mensen weer van hen. Daarom moet niemand zichzelf vrijpleiten, alsof hij zonder hoogmoed zou ,zijn. Want al komt dit gebrek wel niet bij alle mensen in even sterke mate voor, toch is het zeker, dat het zaad ervan in het hart zit; en dat treedt dan het meest aan het licht, wanneer de mens zeer verheven of zeer veracht wordt. Want vanwege die hoogheid of andere gaven wordt het hart gekieteld met een ijdele glorie, en door verachting wordt het gekrenkt en geprikkeld om zichzelf op zijn verachters te wreken. Zoals het daarom het beginsel der wijsheid is om zijn dwaasheid te gevoelen en te erkennen, zo is het ook een beginsel van ootmoed om te gevoelen en te belijden dat onze natuur tot hoogmoed geneigd is. Daarentegen zijn degenen die het allermeest in de ootmoed roemen, er het verst van verwijderd. En zulke mensen kunnen niet genezen worden, voordat zij hun gebrek gevoelen; zomin als de zotten of narren wijs kunnen worden, of zij moeten eerst hun gebrek ontdekken.

2. Wanneer wij nu dit gebrek zó gevoelen, dat wij ervan overtuigd zijn, dan moeten wij niet gaan rusten, maar dan moeten wij voorts onderzoeken welke onze andere zonden en gebreken zijn, en wel door middel van de Wet. Want de Wet is als een spiegel, waarin wij de vlekken van onze ziel kunnen zien. En dan zullen wij niet alleen grote, innerlijke gebreken in het geloof, de hoop en de liefde ontdekken, die als een nest wormen in 's mensen hart liggen te krioelen; maar dan zullen wij ook uitwendig vele stinkende bloedzweren en doorbraken van persoonlijke, dadelijke zonden kunnen tasten, die wij met woorden en werken bedreven hebben. Dan dienen wij onszelf met het vonnis der Wet te gaan beschuldigen en veroordelen, en tot onszelf aldus te spreken: O, arm en ellendig schepsel, waarop wilt gij trots zijn of u beroemen? Want u bent naar de ziel veel ellendiger dan een worm veel afschrikwekkender dan een melaatse, en veel onreiner dan een dood beest. U hebt tegenover uw Schepper, voor tijd en eeuwigheid, uw lichaam en ziel verbeurd. Uw zonden hebben u uit de hemel naar de hel verbannen. U bent geworpen uit het gezelschap der heilige Engelen, en verstoten naar de duivelen. Met één enkele zonde hebt u de eeuwige dood en verdoemenis verdiend. Waar blijft ge dan met zovele duizenden ronden, die u ten laste gelegd kunnen worden? Lust het u nog om te pronken met de bast om de hals, met de roede op uw rug? En daar ge op de pijnbank van uw consciëntie ligt, lust het u dan nog te roemen, daar ge tienduizend talenten schuldig zijt en zelfs niet één penning hebt om te betalen? Verneder u dan, o mens, en val uw Rechter te voet. Beken schuld, roep om gratie. "Kus den Zoon, opdat Hij niet toorne. Dien den HEERE met vreze, en verheug u met beving; anders zult u door het vuur Zijns toorns verslonden worden", Ps. 2. Zo moeten wij onszelf aanspreken zonder vleien, zonder ons te verontschuldigen, en zonder de schuld op een ander te schuiven; en dat dienen wij dagelijks te doen in onze verborgen overdenkingen en gebeden. Wij moeten onszelf voor Gods vierschaar dagen, onszelf beschuldigen, overtuigen en veroordelen, opdat wij door God niet veroordeeld worden.

3. Zo dienen wij ijverig na te gaan, hoe ellendig wij er in dit leven aan toe zijn: dat n.l. ons lichaam niet anders is dan een vat vol verdriet, vol stank, vol pijn en vol verrotting; dat onze geest vol kwelling, bekoring en onrust is; dat ons leven niet meer is dan een bloem, dan een schaduw, ja, dan een rookdamp, die maar een korte tijd gezien wordt. En met name, wanneer wij van 's Heeren wege bezocht worden met enig kruis in de geest of in het vlees, in het goed of in het bloed, dan moeten wij onze ellendigheid eens ernstig gaan overdenken, en onszelf daardoor onder de krachtige hand Gods vernederen. Want zulke kastijdingen dienen er bijzonder toe, om ons hart te vernederen, als wij ze waarnemen.

Daarom zegt de profeet David: "Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest (of: vernederd), opdat ik Uwe inzettingen leerde", Ps. 119 :71. Een uitnemend voorbeeld bezitten wij daarvan in Manasse, de koning van Juda, die zich vroeger in zijn regering zeer gruwelijk had gedragen met afgoderij, toverij, onkuisheid, kortom, met allerlei afschuwelijke misdrijven tegen de eerste en tweede tafel (der Wet). Maar nadat hij door de koning van Assyrië gevankelijk naar Babel gevoerd, met twee koperen ketenen gebonden, en zo in grote benauwdheid gekomen was, toen bad hij het aangezicht van de HEERE zijn God ernstiglijk aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht van de God zijner vaderen, "en bad Hem; en Hij liet Zich van hem verbidden en hoorde zijne smeking, en Hij bracht hem weder te Jeruzalem in zijn koninkrijk. Toen kende Manasse, dat de HEERE God is", 2 Kron. 33 : 11-13. Ziet, hoe geschikt het kruis is om ons hart te vernederen, wanneer wij maar de tijd van onze bezoeking waarnemen.

4. Als wij door God gezegend zijn met wijsheid, geleerdheid, welsprekendheid, gezondheid, schoonheid, eer, rijkdom enz., of dergelijke gaven naar ziel of lichaam, dan moeten wij ons daarop niet verheffen, maar ons des te meer vemederen. Want het zijn Gods gaven, en wij zijn er slechts de rentmeesters van. En als wij die gaven misbruiken voor trots en hoogmoed, dan zal de Heere ze ons ontnemen, zoals Hij dat bij Nebukadnézar, de koning van Babel deed, die zeven jaar lang als een beest werd, zonder vernuft of ver stand, Dan. 4 : 30 en 33. Of Hij zal ons de mate van onze zonden laten vervullen, om aan het eind een schat des toorns over ons uit te schudden. Laat ons dan met vreze wandelen en ons voor de Heere vernederen. Want naarmate wij meer gaven ontvingen, des te meer zal er van ons geëist worden, Luk. 12 : 48. Ook moeten wij eraan denken, dat wij niet zó begaafd kunnen zijn, of er zijn er meer die ons daar in evenaren, ja, nog ver te boven gaan. En bijgevolg is het een teken van grote dwaasheid, wanneer wij met Gods gaven gaan pronken en onze mindere verachten. Want dan zijn wij waardig, om ook door onze meerderen veracht en bespot te worden.

5. Als ons iemand prijst, dan moeten we nooit den ken, dat wij die lof waard zijn, maar dat wij moeten proberen om die lof waardig te worden. Als iemand ons laakt en veracht, dan moeten wij in ons geweten overleggen en nagaan, of wij op dat punt niet schuldig staan; en zo ja, dan moeten wij ons vernederen en béteren; zo neen, dan moeten wij bedenken, dat al heeft onze vijand dan ook geen gelijk in die zaak, wij niettemin met andere zonden tegenover God, die smaad wel verdiend hebben.

6. En tenslotte, wij moeten onszelf steeds de dood en het oordeel Gods voor ogen stellen. Want die kunnen wij niet ontgaan. En wij moeten er eens heel ernstig bij stilstaan, waarop wij reden hebben trots te zijn, aangezien de dood niemand, hetzij hoog of laag, rijk of arm, edel of onedel, wijs of dwaas, meester of knecht ontziet. En als wij dan ontbloot zijn van ootmoed en godzaligheid, dan zullen wij voor Gods gericht moeten beven en bij de duivelen in de eeuwige pijn en schande verstoten worden. Dit middel prijst de profeet aan, Ps. 49 : 7-11: Niemand van "degenen die op hun goed vertrouwen, en op de veelheid huns rijkdoms roemen, zal zijnen broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven; (want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden); dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien. Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen en hun goed anderen nalaten". Zo ook Ps. 82 : 6: "Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden, en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten; nochtans zult gij sterven als een mens, en als een van de vorsten zult gij vallen" (vers 7).

Tot zover over de eerste trap. Nu gaan wij over tot de tweede.