Verhandeling

over

De Zichtbare en Georganiseerde Kerk

door

Gijsbertus Voetius

 

Uit het Latijn vertaald door R. J. W. Rudolph, dienaar van het Woord te Leiden,

en Dr. F. F. C. Fisher, rector van het Gereformeerd Gymnasium te Kampen

 

 

 

Hoofdstuk 1. Verklaring van de natuur van de zichtbare kerk, door haar algemeen begrip, haar stof, vorm, bewegende en eindoorzaken, eigenaardigheden, haar tegenstellingen en indelingen.. 1

Hoofdstuk 2. Eerste afdeling van vragen of vraagstukken, lopende over het algemene begrip, de stof, vorm, het object en het doel van de georganiseerde kerk. 14

Hoofdstuk 3. Tweede afdeling van vragen, betreffende de bewegende oorzaken van de kerk. 27

Hoofdstuk 4. Vragen over de vereisten van de georganiseerde, zichtbare kerk. 40

Hoofdstuk 5. Bevattende de vierde afdeling van vragen, over de verdelingen van de georganiseerde kerk, waarbij over de Parochiekerk, de dorpskerk, huiskerk, hofkerk, legerplaatskerk, scheepskerk, schoolkerk en provinciale Kerk zal gehandeld worden.. 53

Hoofdstuk 6. Over de kapittelkerken, de dom- of dioceeskerken, de aartsbisschoppelijke kerken of metropolitaankerken de patriarchale kerken, de oecumenische kerken.. 61

 

 

Verhandeling over de zichtbare en georganiseerde kerk

 

Hoofdstuk 1. Verklaring van de natuur van de zichtbare kerk, door haar algemeen begrip, haar stof, vorm, bewegende en eindoorzaken, eigenaardigheden, haar tegenstellingen en indelingen

 

 

 

1. Om te weten, wat verstaan moet worden onder de heilige regering van de kerk, die het naaste en eigenlijke object is van de wetenschap van het kerkrecht, moet men eerst weten, wat men onder de kerk zelf te verstaan heeft. Nu kan men de kerk, wat haar gesteldheid betreft, beschouwen of naar haar mystieke wezen, of naar haar uitwendige gestalte. Ten opzichte van het eerste heet zij dan onzichtbaar, ten opzichte van het laatste wordt zij zichtbaar genoemd. De zichtbare kerk kan men weer beschouwen ten eerste in het aggetrokkene, zonder te letten op hetgeen daaronder begrepen is, als algemeen begrip (genus) en als een soortbegrip (species), dat zijn naam geeft aan al wat daaronder begrepen is, zowel soorten als eenheden (evenals de naam burgerstaat als algemene begripsnaam gebruikt wordt van de onderscheiden soorten van staten, en van iedere afzonderlijke staat op zichzelf). Ten tweede kan men de zichtbare kerk concreet nemen als een geheel, bestaande uit gelijksoortige delen (zoals het woord zee of verzameling van wateren), welke delen dan al de afzonderlijke, plaatselijke kerken zijn. Bij de regering der kerk nu nemen wij de kerk niet in de zin van het mystieke lichaam van de Heere, maar beschouwen wij haar naar haar uitwendige staat, als een zichtbare verzameling van individuen, en deze zowel als een groot geheel, als in haar afzonderlijke delen, die weer met betrekking tot elkaar en tot hun leden elkeen afzonderlijk geheel vormen met een eigen stof en een eigen aldus numeriek van elkaar onderscheiden worden[1]. Het begrip van de zichtbare en georganiseerde kerk bepalende, noemen wij haar: een vereniging van gelovigen, vrijwillig aangegaan, tot onderlinge oefening van de gemeenschap der heiligen of tot onderlinge mededeling van die dingen, welke op de zaligheid betrekking hebben. Bij de verklaring van deze definitie komen in aanmerking: 1e het algemene begrip van kerk, 2e haar stof, 3e haar vorm of gestalte, 4e haar bewegende oorzaken, 5e haar eindoorzaken, 6e haar eigenaardigheden, 7e haar tegenstellingen en 8e haar indelingen.

2. Naar haar algemeen begrip genomen, is zij niets dan een verzameling van personen. Meer beperkt is zij een verzameling van gelovigen. Er moet dus een bepaald getal of een tot ÈÈn kudde verzamelde menigte van gelovigen of belijders van het geloof zijn, waarmee dus strijdig is het verzinsel van een potentiÎle kerk (ecclesia virtualis), die volgens Bellarminus in ÈÈn mens vertegenwoordigd is, n.l. in de paus, en volgens Viguerius[2] in elke bisschop met betrekking tot zijn diocese. Even dwaas is het beweren van anderen, dat de gehele kerk ten tijde van Christus' lijden bestond in de H. Maria.

De stof van de kerk is een bepaald getal of een menigte van gelovigen, doch onbepaald beschouwd, daar God ons omtrent de juiste grootte van dit getal geen voorschrift gegeven heeft. Het kleinste getal zou dus niet gemakkelijk aangegeven kunnen worden, maar in elk geval moet het getal niet zo klein zijn, dat er ternauwernood enig verschil van gaven en enige verstandige wrijving der gevoelens plaats kan hebben, waardoor moeilijk met enig gezag kerkelijke besluiten ten uitvoer zouden kunnen gelegd worden. Maar hierover beneden bij de vragen.

De delen, waaruit de stof der zichtbare kerk bestaat, zijn de regerenden, n.l. de dienaren of voorgangers, en de geregeerden, n.l. de kerkelijke gemeente, in het pausdom, ofschoon verkeerd, leken genoemd in tegenoverstelling met de geestelijkheid of de geestelijken[3]. De regerenden kunnen Úf afzonderlijk en elk op zichzelf beschouwd worden, al naar hun titels en graden dit meebrengen[4], Úf gezamenlijk naar hun colleges of vergaderingen, n.l. als kerkenraad of als synode en als vergadering van diakenen[5]. Evenzo kan de gemeente beschouwd worden: Úf naar haar afzonderlijke delen en naar haar afzonderlijke leden, Úf als een geheel. In het eerste geval wordt zij verdeeld in eigenlijke bestanddelen, waartoe allen behoren, die in de kerkelijke gemeenschap leven en leden van de kerk worden genoemd (de oude kerk noemde hen gelovigen en onderscheidde ze van de catechumenen en van de boetelingen), en in oneigenlijke bestanddelen, zoals de kinderen der gelovigen, toehoorders, catechumenen, aannemelingen, gevallenen en zij, die na de verzoening wederom zijn gevallen, boetelingen en geschorsten, en voorts allen, die onder censuur zijn gesteld. Toehoorders, hier in ruime zin genomen, noem ik allen, die, niet slechts gewoonlijk of dikwijls, maar op elke mogelijke wijze bij de kerkelijke vergaderingen en godsdienstoefeningen tegenwoordig te zijn de wil en de moed hebben. De zodanigen worden zonder onderscheid in alle kerken toegelaten, behalve in de heimelijke. In de oude kerk verstond men onder toehoorders (Lat. audientes of auditores, Gr. akruwmenoi) hen, die Christenen wilden worden, maar nog niet verlangd hadden de doop te ontvangen. Catechumenen zijn diegenen, welke niet alleen in de godsdienstoefeningen, maar ook in bijzondere catechisaties onderricht ontvangen in de geloofsleer. Dit zijn Úf vreemden, Úf zulken, die in de kerk geboren en opgevoed zijn. In beide klassen onderscheiden wij weer de eerst beginnenden en de meer gevorderden. Maar over deze catechumenen en de catechisatie zal nader gesproken worden, als wij daaraan toe zijn.

Aannemelingen zijn zij, die, na een behoorlijk onderricht in de geloofsleer, verlangen tot de doop of het avondmaal of tot beide en dus tot de kerkelijke gemeenschap toegelaten te worden, zoals thans genoemd worden zij, die zich bij een bedienaar des woords of bij een ouderling of bij de gehele kerkenraad aangegeven hebben.

Gevallenen zijn al diegenen, welke in het geloof of in hun zeden afgeweken zijn, mogen zij boete doen of niet. Wederom gevallen zijn zij, die na de boetedoening en aanneming na een vroegere val opnieuw aanstoot geven en onder censuur komen.

Boetelingen zijn zij, die hun best doen, om tot een behoorlijke verzoening en de weder verkrijging van de kerkelijke rechten te geraken.

Geschorsten of afgehoudenen (Lat. abstenti, ook suspensi genoemd, ofschoon er soms onderscheid wordt gemaakt tussen deze woorden) zijn gelovigen, die, hoewel zij het recht (kthsiV) van de gemeenschap behouden zolang van uitoefening (crhsiV) van de gemeenschap worden buitengesloten, totdat zij de kerk voldoening hebben gegeven[6].

De gemeente, als een vergadering genomen, kan men Úf als ÈÈn groot geheel beschouwen, zonder op sommige verschillen tussen haar leden te letten, Úf naar haar verschillende delen. In het eerste geval wordt zij beschouwd in haar algemene samenkomst, in het tweede geval allereerst als gedeeld in de samenkomsten van parochies of van delen, welke tot het bijwonen van de godsdienstoefÈning zich in verschillende gebouwen hebben afgezonderd, dan ook naar de bijeenkomsten: Ie van de catechumene, IIe van hen, die zich na de godsdienstoefening verenigen tot een gemeenschappelijke nabetrachting, IIIe van hen, die de profetie beoefenen, d. i. die zich oefenen in de uitlegging der Schrift en in haar gebruik bij het onderzoeken van twistpunten of in haar toepassing op het praktische leven Ûf in haar gebruik bij andere oefeningen van de godzaligheid. Hiertoe brengen sommigen nog allerlei scholen, die echter geen gelijksoortige delen zijn, tenzij men ze beperkt tot theologische scholen en colleges. Ook wordt de kerkelijke gemeente nog onderscheiden door een indeling, die berust op bijkomstige hoedanigheden, d. i. door te letten op uiterlijke, niet-kerkelijke verschillen van haar leden, zoals in heren of overheden en hen, die tot de gewone volksklasse en de private burgers behoren en daartussen hen, die wij aanzienlijken kunnen noemen.

De eersten zijn met publiek gezag bekleed, en dientengevolge voedsterheren, patronen en beschermheren van de kerk. Tot de tweede soort behoren alle private onderdanen in de staat, door sommigen plebejers genoemd; terwijl tot derde soort moeten gerekend worden diegenen, welke in bijzondere eer en aanzien staan in de staat (n.l. de adellijken en die van oude familie zijn), of die enig ambt bij de burgerij, de militie, de rechtbank of het onderwijs bekleden. Sommigen menen, dat deze in de Afrikaanse concilies bedoeld worden met de seniores (ouderen), welk woord heren kan betekenen, daar het woord althans bij de schrijvers deze betekenis heeft[7]. Dit nu is de volledige en adequate indeling van de stof, waaruit de kerk bestaat, en in het bijzonder de indeling van de kerkelijke gemeente. De oude kerk verdeelde de gehele gemeente in catechumenen, gelovigen en boetelingen. De catechumenen werden weer onderscheiden in twee soorten, de toehoorders en de aannemelingen[8]. Tot hen, die naar het gevoelen van de oude of van de Roomse kerk tot de oneigenlijke leden der kerk zouden moeten gerekend worden, behoren de bezetenen, melaatsen, barenden, menstruerenden en anderen, die in de een weinig jongere Roomse kerk om enige uitwendige aandoening of toestand van het lichaam van de gelovigen werden onderscheiden[9]. Op gelijke wijze (d. i. oneigenlijk) maken ook deel uit van de kerkelijke gemeente de Asceten en Monniken, gelijk ook de broederschappen en soortgelijke colleges, die door hun bijzondere regels, bestuur, eden en geloften zich van andere onderscheiden[10].

3. De vorm of gestalte van de bijzondere zichtbare kerk kan op twee manieren beschouwd worden: Úf met betrekking tot haar wezen, Úf met het oog op haar organische eenheid. Beschouwt men haar vorm op de eerste wijze, dan is deze een heilige vereniging tot oefening van de gemeenschap der heiligen, door bepaalde uitwendige handelingen, die door God zijn ingesteld. Op de tweede wijze beschouwd, is zij een vereniging in en onder een college van Dienaren of Kerkenraad. Zo er meer van zulke verenigingen zijn, en deze wederom een door feiten zichtbare vereniging en correspondentie aangaan tot een meerdere of mindere Synode, zal hun vorm zijn een synodaal verband of een synodale correspondentie[11].

Ie Gevolgtrekking. De ingestelde, zichtbare kerk is dus niet enig getal van gelovigen of belijders van het geloof, dat zonder een zodanige vereniging en gemeenschap, en wel een door feiten zich openbarende, zich ergens bevindt, hoezeer het geloof en de overeenstemming in hetzelfde geloof en een bloot innerlijke gemeenschap aanwezig mogen zijn. Hierdoor toch maken zij alleen deel uit van de kerk in haar mystieke en onzichtbare staat. Door deze onderscheiding wordt ook duidelijk, hoe men dat bekende gezegde van Augustinus moet opvatten: Vele wolven zijn binnen en vele schapen buiten (dit ziet n.l. op de zichtbare kerk). Zo kunnen in de een of andere stad mensen van allerlei naties tot het bijwonen van de marktdagen of van openbare schouwspelen samenvloeien, zonder nog op die plaats ÈÈn burgerij samen te stellen of burgers van dezelfde staat te worden genoemd. Zij, die de winkel van een koopman bezoeken en de koopwaren bezien of kopen, vormen daarom nog niet zijn huisgezin. Twee of drie deugdzame mensen, die bovendien in karakter of neigingen overeenkomen, kan men daarom nog maar niet vrienden noemen, omdat er geen verbond van vriendschap tussen hen gesloten is. Twee of drie staten, die dezelfde nationaliteit hebben en ongeveer eenzelfde wijze van bestuur, worden nog niet gezegd tot ÈÈn staat of confederatie te zijn samengegroeid, zolang ze zich niet tot ÈÈn geheel hebben aaneengesloten en er geen middelen zijn aangewend en geen handelingen hebben plaats gehad, om tot die aaneensluiting te geraken. IIe Gevolgtrekking. Ook bestaat de vorm van de bijzondere kerk niet in een plaatselijke eenheid van burgerlijke samenwoning en nabuurschap, noch in de politieke eenheid door te leven onder een regering in dezelfde staat: ook kan het ene niet met het andere verwisseld worden. Immers, het ene is van deze wereld, het betreft een onheilig wereldlijk rijk en een wereldlijke regering, het andere is hemels en betreft het rijk en de heilige regering van Christus. IIIe Gevolgtrekking. Evenmin bestaat zij in de vereniging tot een vergadering of bijeenkomst in ÈÈn plaats, om op een en dezelfde tijd en gezamenlijk heilige handelingen te verrichten. IVe Gevolgtrekking. En eindelijk ook niet in de onderwerping onder of het in betrekking staan tot ÈÈnzelfde opziener van een wijk of van een diocese.

4. De bewegende oorzaken worden onderscheiden: 1e in die, welke betrekking hebben op het organiseren, verzamelen en het ontstaan van bijzondere kerken, 2e in die welke het herstel, de reformatie en de vernieuwde verzameling van de kerk als gevolg hebben, enÝ 3e in die, welke bij de instandhouding, het voortbestaan en de voortplanting van de kerk in aanmerking komen. Die, welke betrekking hebben op de eerste organisering van de kerk, zijn: 1. In het algemeen alle belijders van het geloof, zo tezamen als elk op zichzelf, die zich het eerst aaneensluiten tot een kerk en deze instellen en samenstellen; en het akkoord of de overeenstemming van deze is de naaste grondslag van de georganiseerde kerk of van de kerkgemeenschap, evenals door overeenstemming het huwelijk gesloten wordt, en de kerkelijke verkiezing of de eenstemmigheid van de kerk over een dienaar deze tot dienaar maakt. Zo is dan de diepste en algemene grondslag de goddelijke beschikking, die gewild heeft, dat er zulke kerkvormen zouden zijn als gewone hulpmiddelen tot bevordering van de zaligheid. De nadere grondslag is de toepassing van deze goddelijke beschikking en instelling op de bovenbedoelde personen. De naaste en eigenlijke grondslag is de onderlinge overeenstemming en de uitdrukkelijke wilsverklaring van hen, die zich tot een kerk aaneensluiten: zonder tussenkomst toch van deze overeenstemming zou die goddelijke beschikking niet meer op deze mensen of deze menigte dan op elke andere behoorlijk kunnen toegepast worden. Zij nu, tussen wie deze overeenstemming plaatsgrijpt, kunnen van twee soorten zijn: Sommigen zullen n.l. vroeger geen leden van andere kerken geweest zijn, anderen wel; ja, deze laatste kunnen groepen uit andere kerken zijn, of delen, die van andere kerken zich afscheiden en welke na een eerlijke verlating van de vroegere kerken en na als het ware een nieuwe kolonie aangelegd te hebben, in de nieuw te stichten kerk de naaste en behoorlijk toebereide stoffen zijn. Toch gebeurt het vaak, dat het allen zodanigen zijn, die voor het eerst belijdenis doen van hun geloof en naar kerkelijke vereniging en gemeenschap streven. 2. Meer in het bijzonder behoren tot de bewegende oorzaken: IIe De bedienaars van het woord, of de kerkenraden, of de synoden van andere kerken of gedelegeerden, door hen gezonden, zo die althans te vinden zijn. Zo niet, dan moet dit gebrek verholpen worden door anderen, die, met hoe veel of weinig ijver, bekwaamheid, gezag en genadegaven zij dan ook mogen toegerust zijn, in elk geval hierin boven anderen uitsteken. Aan deze is het dan geoorloofd, op hun wijze en naar de mate van hun krachten dit werk te besturen, eigener beweging anderen aan te spreken, op te roepen en te doen vergaderen, punten ter behandeling voor te leggen, hun stemmen te vragen, daaruit besluiten op te maken en tevens in het gebed, de vermaningen en de vereiste verbintenissen voor te gaan, natuurlijk met uitdrukkelijke of zwijgende toestemming van de anderen. IIe. Moet ook de overheid meer in het bijzonder tot de bewegende oorzaken gerekend worden wanneer n.l. de verzameling van de kerk van staatswege geschiedt of door samenwerking van de staat met bijzondere personen, waarbij de overheid wel niet het initiatief heeft, noch rechtstreeks de verzameling en organisering van de kerk moet tot stand brengen, maar toch meewerkt, door dadelijk, bij zowel als na de verzameling van de kerk, dit werk goed te keuren, met haar gezag te steunen en door zekere uitwendige hulpmiddelen, die tot dat werk nodig of er nuttig voor zijn, te verschaffen. 3. De verwijderde bewegende oorzaak is zowel de voorbereiding van vÛÛr de grondlegging van de wereld door de goddelijke uitverkiezing als die, welke in de tijd valt, door de roeping, waarvan het uitwerksel is het ware geloof of althans die belijdenis van het ware geloof in de gemeenschap van de kerk, en wel zo, dat die roeping de onmiddellijke voorbereiding of voortbrenging is van de gelovigen, gescheiden en elk afzonderlijk genomen, en de middellijke van de kerk of van de gelovigen, zoals zij gezamenlijk onder ÈÈn kerkverband zijn gebracht. 4. De middelen en instrumenten of medewerkende oorzaken zijn meer van geestelijke aard, zoals de prediking des woords, vermaningen, huisbezoek en aansporingen bij dit bezoek, oproepingen en samenkomsten, waarin over de kerkelijke vereniging wordt beraadslaagd en besluiten worden genomen; of meer van stoffelijke aard, zoals bijeengebrachte gelden, die voor de dekking van onkosten noodzakelijk vereist worden, en die op elke, mits eerlijke en geoorloofde wijze verzameld kunnen worden (waarover later), voorts huizen of spreekplaatsen en verdere benodigdheden[12]. De bewegende oorzaken, betrekking hebbende op de instandhouding van de kerk en op haar voortbestaan, zoals ook op haar uitbreiding en voortplanting, zijn deels de regerenden, n.l. de dienaren en de kerkenraad, die telkens opnieuw leden der kerk vormen en toelaten, deels de helpende, n.l. alle private gelovigen zonder onderscheid, die bekenden, verwanten en vrienden, ja, wie dan ook, als de gelegenheid zich daartoe heeft voorgedaan of opzettelijk door hen gezocht is, tot de kerkelijke gemeenschap uitnodigen en toebrengen. Wanneer evenwel en onder welke voorwaarden en vereisten deze onder de lidmaten der kerk moeten opgenomen worden, zullen wij straks in ß6 uiteenzetten, als wij aan de bespreking van de eigenaardigheden van de kerk zijn toegekomen[13].

Gevolgtrekking. Uit de tot dusverre geleverde ontvouwing van de oorzaken blijkt, dat drieÎrlei bewering niet van onnauwkeurigheid vrij te pleiten is. 1e Dat de roeping de vorm van de kerk is: dit kan niet, daar zij tot de bewegende oorzaken moet gerekend worden. 2e Dat het geloof haar vorm is: ook dit kan niet, daar de gelovige, die de stof is, waaruit de kerk wordt samengesteld, ook de vorm is, ofschoon hij toch weer formeel niet de kerk is, noch in zijn hoedanigheid van gelovige of belijder van het geloof de vorm van de kerk in zich heeft, tenzij er nog iets anders bijkomt, n.l. een innige vereniging en bond, waarbij de betrokken personen tot ÈÈn kerkelijk lichaam worden door vrije en onderlinge overeenstemming. 3e Dat de roeping Gods, waardoor hij de mens tot het geloof of althans tot de belijdenis des geloofs roept, de naaste oorzaak der kerk is, zodat, als die roeping bestaat, het bestaan der kerk hiervan het onmiddellijk gevolg is: dit kan al evenmin, daar zij de naaste en onmiddellijke oorzaak is van het bestaan van de gelovige, zodat, als de roeping bestaat, nog niet de kerk, maar de gelovige aanwezig is, terwijl de naaste oorzaak van het bestaan der kerk is de onderlinge overeenstemming van gelovigen tot het aangaan van dat heilige verband; waarbij de belijdenis des geloofs een voorafgaand vereiste is. Zo is dus de roeping van elke gelovige tot het geloof en tot de belijdenis daarvan de middellijke oorzaak der kerk, niet de onmiddellijke.

5. Het innerlijke, naaste en eigenlijke doel van de kerk (want de verwijderde en algemene eindoorzaken gaan wij nu voorbij), is de oefening van de gemeenschap der heiligen en de wederkerige opwekking tot het voortdurend blijven en toenemen in de genade Gods. Hierop slaat het woord, dat wij lezen in Hebr. 10 v. 24 en 25, dat te vergelijken is niet Hebr. 3 v. 13. De bijzondere handelingen verder van deze oefening en beoefening zijn alle kerkelijke handelingen en oefeningen, die wij in Deel I en III der Polit. Ecclesiast. ontvouwen. Voorts kan in het doel nog een ander begrip gelegd worden, n.l. dat van object of voorwerp, daar het doel datgene is, waarmee de kerk als zodanig zich bezig houdt. Ook kan het tevens als het effect of uitwerksel opgevat worden, omdat in en door de kerk die gewijde en geestelijke handelingen voortgebracht worden. Echter met dit onderscheid, dat deze handelingen alle en elk afzonderlijk niet door de leden gescheiden en elk op zich zelf verricht worden, b.v. de bediening der sacramenten of de prediking des woords, en dat zij ook niet op elk der leden toegepast worden, zoals de censuur en de verzoening, daar van deze beide handelingen slechts bij gevallenen sprake kan zijn. Hetzelfde geldt van de doop, omdat volwassenen deze niet ontvangen dan voor zoverre zij vroeger buiten de kerk gestaan hebben en later door het afleggen van de belijdenis van het geloof onder de leden van de kerk opgenomen worden. 1e Gevolgtrekking. Het heilige wordt in het onheilige en de kerk in een wereldse instelling veranderd door hen, die Úf zich geheel, Úf althans het grootste belang en belangrijkste gedeelte van hun kerkelijke zorg en ambtelijk toezicht wijden aan de tijdelijke belangen en de en wereldse zaken, zoals b.v.de reguliere en wereldlijke prelaten in het pausdom. 2e Gevolgtrekking. Dientengevolge kunnen zij evenmin eigenlijk en niet recht op grond van deze hun handelingen,Ý ambtsverrichtingen en waardigheden, kerkelijke personen (om nog niet eens woorden te gebruiken als clerus of geestelijkheid en hiÎrarchie) genoemd worden, als de beheerders van kerkelijke inkomsten, of de pachters van landhuizen en landerijen, die aan de kerk behoren, of als zulke overheden, die als voedsterheren der kerk en bewakers van beide tafelen der wet de kerken van het noodzakelijke voorzien en haar hun bescherming verlenen. De Heilige Schrift onderscheidt duidelijk de heilige en kerkelijke handelingen van alle wereldse bezigheden (ook van die, welke gewijd zijn aan de tijdelijke noden van mensen, die tot de kerk behoren); evenzo hen, die in de kerk voor de geestelijke behoeften hebben te zorgen van hen, die het toezicht hebben op de tijdelijke belangen van de leden der kerk. 1 Kor. 4 v. 1; 1 Kor. 6 v. 2, Gal. 6. Zelfs worden de beheerders der kerkelijke goederen, de beschermers van die goederen en zij, die te waken hadden, dat de kerken en kerkelijke gebouwen in een goede toestand bleven, van de geestelijken niet onduidelijk onderscheiden[14], en hoezeer men ook wilde (can. 26), dat de beheerder der kerk of kerkvoogd (welke in het pausdom thesaurier en koster wordt genoemd), uit de geestelijkheid zou genomen worden, wordt toch op diezelfde plaats aan de bisschop verboden, de kerkelijke aangelegenheden in eigen persoon zonder zulk een kerkbeheerder te behandelen. Maar dit was voor de bisschoppen en geestelijken toen bijzaak, later is het een hoofdzaak geworden; gelijk eerlijk bekend wordt door Isidortis Clarius in zijn Aantekeningen op 1 Tim. 3 v. 1 "Als u aan het bisschoppelijk ambt denkt, moet u niet menen, zoals het zich in deze tijd vertoont, waarin de bisschoppen van niets minder afweten dan van die zaken, welke door Paulus aan hun zorgen worden toevertrouwd; en men moet bij het noemen van de naam "bisschop" aan niets anders denken, dan aan inkomsten, opbrengsten en buitensporige eerbewijzen."

6. De eigenaardigheden (Lat. affectiones of propria en adiuncta) van de georganiseerde kerk zijn of van stellige of van ontkennende aard. Geen zijn Úf meer volstrekt, Úf meer betrekkelijk, bij welke laatste wij te letten hebben op de verhouding, waarin de leden tot elkaar staan. De volstrekte eigenaardigheden zijn deels handelingen, die reeds van te voren vereist worden; deels zaken, die aan het bestaan van de kerk steeds verbonden en daarvan het onmiddellijk gevolg zijn. De van te voren vereiste handelingen bij het aannemen van leden en hun toelating tot de gemeenschap van een reeds georganiseerde kerk of bij de eerste oprichting van een kerkelijke gemeenschap onder ongelovigen of nieuwe bewoners van een plaats (ofschoon die handelingen naar gelang van omstandigheden soms kunnen verschillen) zijn de volgende:

I. Dat vooraf ga de onderwijzing door Gods woord. Dit wordt echter niet vereist bij het toelaten van zulke leden, die ergens anders in de gemeenschap van een rechtzinnige kerk hebben geleefd, noch van zulke, die als het ware een kolonie van zulk een kerk zijn; en die, zelf de eerste, met anderen in verband treden en met hen ergens een nieuwe kerk stichten. II. Dat bij de eerste planting van een nieuwe kerk allen, hetzij gelovigen, of wel (als er geen anderen zijn) aannemelingen, tot ÈÈn vergadering bijeenkomen en verklaring afleggen van hun wens, hun overeenstemming en hun voornemen. III. Dat zij, die op het punt staan, opgenomen te worden in die gemeenschap, belijdenis van hun geloof afleggen, openlijk voor de gemeente, of voor de kerkenraad in de kerkenraadskamer der kerk en wel met geopende deuren, zodat alle gelovigen en catechumenen de gelegenheid hebben erbij tegenwoordig te zijn, of voor gedelegeerden van de kerkenraad, hetgeen om dringende redenen en in zekere gevallen soms pleegt te geschieden. Waar verder een kerk reeds is opgericht, daar zal door de. bedienaar des woords een onderzoek ingesteld worden, lopende over alle hoofdstukken van de catechismus, waarbij de aannemelingen of kandidaten voor de kerkelijke gemeenschap de vragen beantwoorden en, waar zij maar kunnen, de voornaamste punten door Schriftuurplaatsen bevestigen. Tot dit doel worde er ook voor gezorgd, dat, indien sommigen niet genoeg geoefend zijn, deze gedurende enige weken voor het doen der belijdenis, enige malen afzonderlijk genomen worden tot oefening en onderricht en dat dit onderricht alle kandidaten door de dienaren bij hun huisbezoek en openlijk bij de bekendmaking van de viering van het Avondmaal aangeboden wordt. Indien dan bij deze private oefeningen en voorbereidingen iemand bevonden wordt, nog niet geheel geschikt te zijn tot het doen van belijdenis, zo worde hem aangeraden, nog een weinig te wachten. Deze prijzenswaardige gewoonte wordt dan ook in onze kerken in acht genomen. Waar echter eerst nog een kerkenraad moet samengesteld worden en de kerk nog niet in het bezit is van een dienaar, terwijl er ook geen naburige dienaar is, wiens hulp men zou kunnen inroepen, daar is geen bezwaar om het belijdenis doen van degenen van wie het zeker is, dat zij tot op dat tijdstip nog nergens belijdenis gedaan hebben, niet alleen wat de hoofdzaken, maar ook wat de bijzonderheden betreft, zo te laten geschieden, dat in het stellen van de vragen, het ontvangen van de antwoorden en in al datgene, wat er verder bij te verrichten is, een van de gelovigen voorgaat, zo er een is, of ook een der catechumenen, die hiertoe boven anderen geschiktheid heeft en door de overigen hiertoe bepaald is aangewezen of aangezocht. Immers, zodanig provisioneel en buitengewoon werk in een dergelijk geval van nood doet niets tekort aan de betekenis en de macht van de heilige bediening. Zo er overigens in het hier besproken geval nog gelovigen zijn, die voorheen elders belijdenis hebben gedaan, kunnen deze het belijdenis doen hierdoor vervangen, dat zij met een attestatie of met getuigen of met enig ander bewijs aantonen, belijdenis gedaan te hebben. Voor het toelaten van gelovigen tot een reeds georganiseerde kerk, waartoe verandering van woonplaats aanleiding kan geven, kan een attestatie voldoende zijn, zonder dat er een nieuw onderzoek ingesteld of opnieuw belijdenis gedaan wordt, tenzij men afwijking in de leer vermoedt. Ook dit is de gewoonte in onze kerken. IV. Dat zij Úf door kerkelijke getuigschriften (zo zij n.l., uit een andere kerk hierheen verhuizen), Úf door geschikte getuigen, die zij bij het onderzoek en het afleggen van hun geloofsbelijdenis moeten meebrengen (van wie de namen ook nevens die van de nieuwe leden in het lidmatenboek opgetekend worden), hun vroomheid en reinheid van leven en zeden bewijzen, nadat de zaak tevoren reeds nauwkeurig onderzocht is door de ouderlingen en de dienaar van de wijk. Ook wordt, naar ik meen, deze zeer loffelijke gewoonte in de grotere kerken van Nederland overal in acht genomen en er bestaan bijzondere redenen, waarom dit eer bij deze dan in enigszins kleine kerken, hetzij deze stads-Ý of dorpskerken zijn, wordt vereist. Althans in deze onze kerk [Utrecht] houdt men zich hier stipt aan, voordat zij in het vertrek, voor de aannemelingen bestemd, worden toegelaten; en nadat zij daar reeds toegelaten zijn, wordt, door op de rij af een catechetisch examen in te stellen, een tijd lang onderzoek gedaan naar hun kennis en rechtzinnigheid. V. Verder wordt een verbintenis of gelofte vereist, waarbij zij aan God en de kerk beloven in de gemeenschap der heiligen te blijven en toe te nemen. Men zie in onze Liturgie het formulier voor het dopen van volwassenen, evenzo het formulier voor de bediening van het avondmaal. Maar meer uitdrukkelijk gaan zij, die op het punt staan toegelaten te worden tot het avondmaal en de gemeenschap der kerk, dit heilig verbond aan, wanneer zij antwoorden niet alleen op de vragen, die in het bijzonder over het schuldgevoel, het geloof en de dankbaarheid gedaan worden, en wel met toepassing op zichzelf, maar ook op die vragen, welke van meer algemene strekking zijn en de rij van vragen sluiten n.l. 1e of zij de leer van onze kerken voor de rechtzinnige leer en voor de weg tot de zaligheid erkennen; 2e of zij beloven, door Gods genade in de belijdenis van die leer tot aan hun dood te zullen volharden; 3e of zij beloven, heilig en op een deze leer waardige wijze te zullen leven; 4e of zij zich onderwerpen aan de kerkelijke tucht. Dit nu is de wijze, waarop in onze kerken de verbintenis aangegaan en de belofte gedaan wordt. Wat het verbinden door een eed of het ondertekenen van een formule of bewijsstuk betreft, dit komt mij voor onnodig te zijn. Een mondelinge verklaring voor vele getuigen is voldoende; toch houden wij de andere wijze niet voor ongeoorloofd, zoals straks zal blijken bij de vragen. Wat het verhalen betreft van de wijze, waarop iemand bekeerd is, en wat aangaat een in bijzonderheden tredende belijdenis van zonden (die misschien zouden verlangen), hierover zullen wij ook beneden bij de vragen spreken. V1. Er is vrijheid, zowel bij het ontstaan, als bij de voortgang. Vrijwillig moet n.l. een ieder bij de eerste verzameling van de kerk of de instandhouding van een reeds verzamelde door het opnemen van nieuwe leden, zijn overeenstemming betuigen en de verbintenis aangaan; niet gedwongen. Dit geldt zowel voor hen, die nog onder de leden opgenomen moeten worden, als voor de opgenomen leden. De kerk toch kan niet gedwongen worden, tot de kerkelijke gemeenschap iemand toe te laten, die zij, om rechtvaardige redenen oordeelt niet te moeten toelaten. Vrijwillig ook moet een ieder in die gemeenschap blijven, zo, dat hij, om eerlijke of dringende redenen naar elders willende verhuizen, haar verlaten en tot een andere plaatselijke kerk (mits van dezelfde belijdenis) kan overgaan.

De eigenaardigheid van de kerk, die onmiddellijk uit haar bestaan voortspruiten zijn: I. Haar inrichting of regering, waarover in de volgende verhandeling zal gesproken worden. II. Haar macht, die men gewoonlijk als een drieledige neemt, door n.l. in haar te onderscheiden een leerbepalende, een wetgevende en een rechtsprekende macht. Anderen maken haar tweeledig als een, die zich uit in de kerkregering en in de kerkelijke rechtspraak. De macht der kerk wordt (en hierin onderscheidt zij zich van elke andere macht) een geestelijke (2 Cor. 10 v. 4), lagere en dienende macht genoemd, niet een hogere of heerschappij voerende (immers heeft de kerk ook geen rechtspraak, die met heerschappij verbonden is, Luk.Ý 22, 2 Kor. 1, 1 Petr. 5), zij is gezaghebbende en bindende in de consciÎntie, niet een, die zich doet gelden door uitwendige dwang. 2Kor. 4.Ý ñ III. De vrijheid, die in haar heerst. Deze wordt beschouwd, zo met betrekking tot de leden elk afzonderlijk (waarover op een andere plaats moet gehandeld worden), als met betrekking tot de kerkelijke gemeenschap: zodat de kerk vrij is in haar handelingen, zoals in het verkiezen van dienaren, het uitoefenen der tucht, enz. Deze vrijheid moet echter niet overgaan in independentisme, zoals men dit noemt, alsof dat tot het wezen van elke bijzondere kerk zou behoren[15]; noch moet zij uitgestrekt worden tot onafhankelijkheid van de dienaren van de burgerlijke overheid, wat aangaat de uitwendige mens en de aangelegenheden van het lichamelijke en maatschappelijke leven, zoals de pausgezinden willen; noch tot die vrijheid of aanmatiging, waardoor zij niet slechts zich en het hunne aan de rechterstoel van de overheid onttrekken, maar ook wereldlijke personen en een groot deel van de wereldlijke zaken aan hun geestelijke curiÎn (zoals ze die noemen) onderwerpen, gelijk onze studenten zullen leren uit hun schrijvers over het canonieke recht, uit het boek van Joh. Choquier over de kerkelijke vrijheid en uit die schrijvers, welke over het bisschoppelijk gezag en de bisschoppelijke praxis geschreven hebben, en uit anderen, beneden in de verhandeling over de lijdelijke belangen van de Kerk geciteerd. Wij verwerpen hier ook de kerkelijke vrijheid van de Wederdopers, volgens welke enig burgerlijk bestuur met het Christen zijn niet kan samengaan.Ý ñ IV. Haar noodzakelijkheid; maar alleen de noodzakelijkheid van het voorschrift, niet van de kerk als middel: immers kan de noodzakelijkheid van de georganiseerde kerk en van een werkzame gemeenschap in en met haar niet groter zijn dan die van de sacramenten. Niet het staan buiten de kerk is het, dat verdoemt, maar het verachten van de kerk. Op deze onderscheiding moet men letten, om goed het bekende gezegde te verstaan: God is voor hem geen Vader, voor wie de kerk de moeder niet is.

Gevolgtrekking. I. Hiermee staan wij dus aan de ene kant lijnrecht tegenover de Libertijnen en Enthusiasten, die elke noodzakelijkheid van een zichtbare en georganiseerde kerk ontkennen. II. En van de anderen kant tegenover de pausgezinden, die haar noodzakelijkheid al te hoog aanschrijven. Wij stellen tegenover de opvatting van de laatstgenoemden de onderscheiding, door Bellarminus gemaakt, in een door feiten zichtbare en een louter innerlijke gemeenschap[16].

Dit nu zijn de volstrekte eigenaardigheden.

Van de betrekkelijke, en die, welke zich voordoen bij vergelijking van de onderlinge verhouding van de leden der kerk, geef ik er thans twee aan: I. De gelijkheid in rechten die er bestaat tussen de zusterkerken onderling, tussen de kerkenraden, evenzo tussen de dienaren als ook tussen de leden van een of van verschillende kerken, weshalve die regel van de Nederlandse kerken, welke bekrachtigd is op de Nationale Synode, gehouden te Embden, aan welke toen de eerste plaats is toegekend, een gulden regel mag genoemd worden[17]. Wij verwerpen hier derhalve: 1e Elke wereldse trots, waarmee de ene kerk zich verheft boven de andere en de ene dienaar boven de anderen dienaar[18]. ñ 2 Evenzo alle vleselijke aanneming des persoons en valse, op toevallige onderscheidingen steunende verheffingen van zulke leden der kerk, die tot de rijken en machtigen behoren, op grond van toevallige, niet kerkelijke hoedanigheden, n.l. wanneer iemand in hoedanigheden, op de wereld betrekking hebbende, boven vele anderen uitsteekt, terwijl hij in het geestelijke verreweg de mindere is, of althans nauwelijks gelijk staat met anderen. Men vergelijke de volgende verhandeling over de macht van de kerken. ñ 3. Bovendien verwerpen wij van de andere zijde anarchie en verwarring, waardoor alle orde en regel wordt opgeheven en het onderscheid weggenomen wordt tussen de voorgangers en hen, die te volgen hebben, zoals wij weldra zullen aantonen. ñ II. De tweede van de betrekkelijke eigenaardigheden, die ik hier noem, is het voorgangerschap en de ijverige handhaving van het bestuur, alsmede de getrouwe verzorging van en het toezicht op de leden, zowel allen tezamen als elk afzonderlijk genomen, n.l. van de kant van de dienaren of van de kerkenraad, 1 Petr. 5 v. 2, Hand. 20 v. 28, en de eerbied, gehoorzaamheid en onderwerping, van de kant van de leden, naar Hebr. 13 v. 17, 1 Thessal. 5.

De eigenaardigheden van ontkennende aard zijn de volgende: 1. De onvolmaaktheid. Deze geldt zowel van het geheel, n.l. van de vorm van de kerk en de kerkelijke bestuursuitoefening, als van de delen, d.i. van de afzonderlijke leden op zich zelf. Daarom verwerpen wij: 1e De leer van de oude Catharen en Novatianen, die de gevallenen uitsloten Men zie Augustinus over de Sekten. 2e Die van de Donatisten, die wegens een minder gestrenge toepassing van de tucht op gevallenen en het verdragen van dezen in de kerkelijke gemeenschap beweerden, dat de kerken van Christus in Afrika haar wezen verloren hadden en dat haar naam haar niet langer toekwam. Hierover zie men de geschriften van Augustinus en van Optatus van Mileve tegen de Donatisten en de Geschiedenis van de Carthaagse Conferentie, uitgegeven door Franciscus Balduinus; evenzo de Handelingen van de Conferentie, uitgever Papyrius Massonnus; eindelijk Augustinusí kort overzicht van dezelfde Conferentie, dat men vindt in Deel 7 van zijn Werken. 3e Verwerpen wij de handelwijze van de Wederdopers, die de voetstappen van de Catharen en Donatisten plegen te drukken, hun vergaderingen uiteenscheurende en elkaar wederkerig uitwerpende wegens de geringste afdwaling en afwijking gevoelen, zelfs bij vragen van feitelijke aard. 4e Verwerpen wij het verzinsel of de dromerij, die wij bij sommige nieuwere ijveraars voor een zekere opvatting van het duizendjarige rijk aantreffen, waarbij zij ons een zichtbare kerk op aarde schilderen zonder een enkele huichelaar, zodat al haar leden alsdan in waarheid heilig zouden zijn. Zij menen dit te kunnen bewijzen uit Openb. 21 v. 27 en 22 v. 14, 15, Jesaja 35 v. 8 en 6o v. 21, Zachar. 14 v. 20 en 21. Hierover wordt gehandeld in het IIe Deel de uitgelezen Verhandelinge, titel: Over het duizendjarige rijk. ñ II. De oplosbaarheid van de kerk, waardoor zij n.l. wettig opgelost kan worden en een ieder zich naar elders kan begeven en daar zich bij een reeds georganiseerde kerk kan aansluiten of tegelijk met anderen een nieuwe kerk (als er in die plaats geen is) kan stichten: dat zich kan voordoen in geval van vervolging, of ook van zulk voortkankerend en heersend bederf, dat er geen genezing meer mogelijk is. In het laatste geval kan ook in dezelfde plaats, waar de vorige kerk ten enenmale, of wel wat haar gezonde deel betreft, opgelost is, een nieuw kerkelijk lichaam verzameld en samengesteld worden, hetzij openlijk, hetzij in het geheim, al naar de omstandigheden dit meebrengen. Hierover zie men het 3e Deel, titel: Over de herstelling en reformatie van de kerken. ñ III. Hiertoe moet ook gebracht worden het verlaten en afscheiden, waardoor een ieder van de leden, hetzij uitdrukkelijk en onder protest, hetzij stilzwijgend, de kerkelijke verbinding en gemeenschap om rechtvaardige redenen kan opzeggen. Hierover hebben wij gehandeld in het IIIe Boek van de Desp. Causa Papatus, 3e Afd. ñ Dit zo zijn de eigenaardigheden van de kerk, welke zich hier tot behandeling voordeden. Door anderen zijn er nog andere aan toegevoegd, zoals onafhankelijkheid, geringheid van ledental, de bepaling van de wijkgrenzen, volmaaktheid en zuiverheid in elk opzicht, een anarchische gelijkheid van allen tezamen en elk in het bijzonder, de voorbereiding door de prediking van het woord als vooraf overal en voor allen vereist, een vernieuwde belijdenis en een onderzoek van allen, die zullen aangenomen worden en elders reeds belijdenis hebben gedaan, enz. Maar dat al het hier opgenoemde niet tot de wezenlijke eigenaardigheden van de zichtbare kerk behoort, staat vast, deels door hetgeen reeds gezegd is, deels door wat weldra bij de bespreking van de vragen nog moet gezegd worden.

7. Strijdig met het wezen van de georganiseerde kerk zijn: I. Door er aan te kort te doen: de begrippen van de buiten alle kerkverband levende Libertijnen en Enthousiasten, die haar noodzakelijkheid, evenals die van de uitwendige dienst van het woord en van de sacramenten geheel ontkennen. II. Door haar teveel gewicht bij te leggen: 1e De vermeende strikte noodzakelijkheid, die de pausgezinden leren en die wij boven terloops hebben aangeroerd.Ý 2e Hun doopkerken, als zodanig onderscheiden van de kapellen. De Collegiaalkerken, onderscheiden van de algemene parochieÝ of wijkkerken; dat de Kathedraalkerken, die weer van beide voorgaande soorten verschillen, voorts nog de Metropolitaan-kerken met de Patriarchale kerken, waarover wij beneden in Hoofdst. 5 meer in het bijzonder zullen handelen. 4e. De representatieve of vertegenwoordigende kerken (een onduidelijke en verkeerde benaming), die met een andere papistische benaming ook ecclesiae virtuales (potentiÎle kerken) kunnen genoemd worden. Zo wordt de paus bij Bellarminus de katholieke of algemene kerk genoemd, en de bisschop bij Viguerius de kerk van de diocese, beide natuurlijk in potentiÎle zin.

8. De zichtbare en georganiseerde kerk wordt ingedeeld of onderscheiden als volgt: 1. In de zodanige, die oorspronkelijk en zelfstandig is, en in de zodanige, van wie het ontstaan en bestaan middellijk van eerstgenoemde afhangt. De eerste in haar gezonde toestand beschouwd, is de verzameling van ÈÈn afzonderlijke gemeente onder ÈÈn kerkenraad. De tweede is de combinatie, vereniging en samenvoeging van meerdere kerken onder ÈÈn synode, hetzij een kleinere (welke men in ons land classis noemt), of een grotere, welke wij in volstrekte zin provinciale of nationale synode noemen. Over deze onderscheiding moet gesproken worden in het IIIe Deel, Verhand. over de classes en synoden.

IIe Wordt zij onderscheiden met betrekking tot de verschillende genadebedeling in die van het Oude en die van het Nieuwe Verbond. De gestalte en regering van eerstgenoemde onderscheiden zich van die van laatstgenoemde hierin, dat een zekere nationale kerkelijke volkomenheid, die aan de stad Jeruzalem en het A”ronisch priesterschap verbonden was, door de afzonderlijke synagogen en bijeenkomsten van buiten af moest verwacht en verkregen worden, niet bij wijze van ophoping (zoals thans bij ons de bijzondere stads- en dorpskerken haar verkrijgen van de nationale of provinciale synoden), maar alzo, dat haar volheid en geheelheid daarvan afhankelijk was[19].

III. Wordt zij onderscheiden met betrekking tot haar onvolkomenheid, waardoor de ene kerk in eigenlijke zin zo heet, de andere in betrekkelijke zin. De kerk, die in betrekkelijke zin zo genoemd wordt, is dat meer of minder, al naar gelang zij meer of minder aan de voor een kerk te stellen regels beantwoordt en meer of minder in het bezit is van al datgene, wat voor de organische volkomenheid en een goede staat van de kerk vereist wordt. Zij kan weer onderscheiden worden in de lichamelijke kerk of kerk onder het kruis, de in beroering gebrachte, de tijdelijke (op schepen n.l. en in legerplaatsen), die, welke steeds van plaats en van leden verwisselt (n.l. in stations van kooplieden en van soldaten), die, welke nog in het tijdperk van wording en eerste planting of van reformatie is, de huiselijke en de wijkkerk. 1e De heimelijke kerk. In deze wisselt de wijze, waarop de dienst van het woord, de kerkelijke verkiezingen, bijeenkomsten, godsdienstoefeningen en andere handelingen plaats hebben, in geen geringe mate, en is aan velerlei gebrek onderworpen, al naar gelang van de plaats en andere omstandigheden. Het ga, zegt men dan, zo goed wij kunnen, wanneer het niet gaan mag, zoals wij willen. Zo was het eens met de onderaardse kerk te Rome, die in verborgen schuilhoeken haar bijeenkomsten hield en haar heilige handelingen verrichtte[20]. Zodanige waren al de kerken ten tijde van Justinus de Martelaar in het Romeinse gebied, die nachtelijke bijeenkomsten hadden, welke voor het aanbreken van de dag geÎindigd werden[21]. 2e De in beroering gebrachte kerk. Zo noemt men die, welke in haar orde, volkomenheid, en in sommige vereisten en handelingen tekortschiet ingevolge hinderpalen, die ontstaan, Úf door ketterij, scheuring en partijzucht (bijv. de Corinthische, 1 Kor. 1, 3, 5, en 15, de Galatische, Gal. 1, 3, 5) Úf door vervolging en verstrooiing, zoals de kerk van Jeruzalem (Hand. 8) en gelijk er vroeger zeer vele waren onder de vervolgingen van de heidenen, van de Arianen en van het pausdom, zoals de Waldensische, Boheemse en andere op vele plaatsen van Europa reeds van Luthers prediking tot op deze dag. 3e De tijdelijke kerk. Deze wordt uit leden en toehoorders van andere kerken, die, althans voor een tijd, naar ÈÈn plaats samenvloeien of op ÈÈn plaats vertoeven, bijeenverzameld tot het oefenen van de gemeenschap van de heiligen. Zij komt voor op schepen en in het leger[22]. 4e Die, welke voortdurende van plaats en leden verwisselt, is een, die bestaat uit leden en toehoorders, die zich slechts voor een tijd bij haar aansluiten, omdat zij geen vaste woonplaatsen hebben, zodat er dus van een vaste kerk bijna geen sprake kan zijn. Er heerst toch een voortdurende stroming onder haar leden, daar er voortdurend leden afgaan en deze even spoedig weer door anderen worden vervangen. Ik zou zulk een kerk ook een stationskerk kunnen noemen, en wel in tweeÎrlei zin. Eensdeels n.l. als een van kooplieden (zoals die van de Nederlandse kooplieden in Rusland, van de Engelse te Rotterdam, Hamburg enz.), anderdeels als de kerk in militaire wachtposten en bezettingen, zoals in Nederland in de grensvestingen en wachtposten, waar Úf na geregeld terugkerende kleine tijdruimten Úf herhaaldelijk bij elke mogelijke gelegenheid de mannen van de bezettingen worden verwisseld. 5e Die, welke nog in een tijdperk van wording of eerste planting, of van pas begonnen vernieuwing en hervorming verkeert. Dat hier in de kerkregering vele dingen geheel anders moeten gedaan en toegepast worden en niet alle formaliteiten stipt naar de regel zijn in acht te nemen, zoals dit bij bevestigde en in goede staat zijnde kerken, die reeds een vaste regeling hebben, het geval is, wordt op verschillende plaatsen in het IIe Boek van het werk Desp. Causa Papatus aangetoond. 6e De huiselijke kerk. Deze blijft besloten binnen de grenzen van een, hetzij groter of kleiner huisgezin. Deze kan weer meer of minder volkomen zijn, n.l. met betrekking tot de bediening van het woord en van de sacramenten. Hier en daar is de adel op het platte land gewoon, in zijn huiselijke kerken, naar een oud privilegie, zoals men wil, huispredikers aan te stellen. Hierbij pleegt men zich soms te beroepen op Rom. 16. Maar beneden in Hoofdst.5 zullen wij aantonen, dat die plaats nog voor een andere uitlegging vatbaar is. Ook nu nog worden zulke oneigenlijke kerken gevonden aan de hoven van de koningen en vorsten, ja zelfs van alle edelen (aan wie dit goeddunkt) in Engeland. Ook hoor ik, dat dit oude gebruik in de laatste jaren nog in acht is genomen door enige vrome mannen van de Engelse adel, om voor de zuiverheid van de religie en de veiligheid en het geweten van vele vrome predikers des te beter tegen hiÎrarchische kwellingen te waken. 7e De parochie- of wijkkerk. Dit is zulk een kerk, die bepaald wordt door de grenzen van een stads- of wijkdistrict, alsmede door de zorg van een eigen bestuurder of wijkopziener, bestaande in de prediking van het woord en de bediening van de sacramenten en die van andere wijkkerken in dezelfde burgerlijke gemeente als een integrerend deel, ofschoon in de gehele kerk onder het bestuur van dezelfde kerkenraad staande, wordt onderscheiden. Zulke wijkkerken zijn er, naar ik meen, te Bremen en elders in Duitsland. Want die, welke vroeger te Londen en in andere steden van Engeland geweest zijn, verschillen niet weinig van deze, daar zij geen gemeenschappelijke kerkenraad hadden, maar genoodzaakt werden, zich nevens de overige kerken in diezelfde diocese aan de bisschop en de bisschoppelijke curie te onderwerpen. Deze moet men om die reden, evenals de parochiÎn onder het pausdom, tot de kerkelijke gebrekkigheden rekenen[23].

Gevolgtrekking. Uit deze onderscheidingen van de zichtbare kerk volgt met klaarheid, dat er onderscheid moet gemaakt worden tussen een meer of minder en een nauwelijks waarneembare en zichtbare kerk; ook komen wij hierdoor tot een bepaling van het geschilpunt met de pausgezinden over de zichtbaarheid van de kerk. Zij maken zich voortdurend aan een valse sluitreden en een valse redenering schuldig, door n.l. te beweren, dat hetgeen slechts in de tweede plaats met een kerk overeenkomt, volstrekt geen deel heeft aan de naam en het begrip van kerk, omdat het niet in de eerste plaats daarmee overeenkomt. Alsof iemand zei, dat bijkomstigheden, betrekkingen en dergelijke van een zwakker wezenheid in het geheel geen wezen hebben, omdat de definitie en vereisten van de substantie op hen gans niet van toepassing zijn.

IV. Wordt zij onderscheiden met betrekking tot haar correspondentie of combinatie en wederkerige afhankelijkheid. De ene kerk staat n.l. buiten classikaal of synodaal verband, de andere in dit verband, en deze weer alleen bij haar eerste ontstaan of wording of ook in haar voortgang en feitelijk bestaan. Ook is hier veel verschil in de toepassing en uitvoering van het bestuur. Dat verder een kerk wezenlijk kerk kan zijn, ook al staat zij niet in een uitdrukkelijke en kennelijke synodale gemeenschap en correspondentie, hebben wij met een enkel woord aangetoond in de verhandeling over de classes, en onderstellen wij hier als reeds bekend.

V. Wordt zij onderscheiden met betrekking tot haar grootte in grote kerken of kerken met een groot ledental en in kleine of kerken met weinig leden. Beide soorten zijn weer groot of klein hetzij met het oog op het aantal inwoners van hetzelfde district en dezelfde plaats, in welk geval men spreekt van stads, dorpsÝ en wijkkerken, of in verhouding tot de meerdere of mindere talrijkheid van de ongelovigen en vijanden. Zo zijn soms bij ons in grote steden de kerken met betrekking tot de menigte van de inwoners klein, doordat de meeste burgers deels zich afzonderen tot verschillende sekten, deels Libertijnen en wereldlingen zijn.

VI. Ten opzichte van het uitwendig verband, waarin zij begrepen is, is de ene kerk in een burgerlijke staat, waarvan de burgers allen tot die kerk behoren, en welke dus, wat de personen aangaat, met haar verwisseld kan worden. De andere is in een staat, die in dit opzicht niet met haar kan verwisseld worden waar n.l. de orthodoxe godsdienst en kerk wel uitsluitend de publieke en die van de staat zijn, maar waar toch ook buiten haar andere afgescheiden groepen mogen vergaderen. Weer een andere is in een staat van een andere gezindte, maar die de ware kerk verdraagt en toelaat. Nog een andere in een staat, die haar tegenwerkt en niet toelaat. Een voorbeeld van de eerste soort heeft de IsraÎlitische kerk gegeven en sommige hedendaagse, b.v. die van GenËve, de Zwitserse kerken en de Engelse onder koningin Elizabeth, waar hetzelfde lichaam de kerk en de staat samenstelde. Een voorbeeld van de tweede soort tonen onze Nederlandse kerken. Van de derde soort zijn de kerken in Frankrijk. Van de soort zijn die kerken, welke zich heden op zeer vele, hier niet te noemen, plaatsen met meer of minder gevaar en onder veel of weinier kwelling staande houden. Zulke kerken noemden wij boven heimelijke kerken. De verzameling, voortplanting, instandhouding, regering, bediening enz. van deze kerken zijn onderwerpen, die tot verschillende vragen en besprekingen aanleiding kunnen geven, doch over deze, alsmede over de hiertegenover staande zending en de heimelijke handelingen van het pausdom en over de wijze, waarop deze door middelen, die zowel de kerk als de staat verschaft, kunnen verhinderd worden, zal in Deel III nog een en ander gezegd moeten worden.

VII. Met betrekking tot haar omgeving wordt zij onderscheiden in die, welke zich bevindt temidden van ongelovigen, afgodendienaars, of ketters; en in die, welke daarvan vrij is, zodat, ofschoon er misschien in die plaats sommigen wonen, die buiten de kerk staan, dezen echter geen vergaderingen en oefeningen hebben, laat staan, dat zij in getal, vermogen en macht de overhand zouden hebben. Ook hier moet de wijze van het houden van de godsdienstoefeningen en van het uitoefenen van de tucht als ook andere kerkelijke handelingen noodzakelijk enigermate verschillen.

VIII. Met betrekking tot de tijd is de ene van de oude tijd, zowel van de tijd van de Apostelen als van een weinig later, de andere van de tijd van de middeleeuwen, de een van de tijd voor de hervorming, de andere van de tijd na deze.

IX.Ý Met betrekking tot de plaats en de ligging in het oude Romeinse rijk vinden wij in de Kerkgeschiedenissen en in de Handelingen van de Concilies de onderscheiding van de kerk in een Oosterse, Westerse en Afrikaanse. Met het oog hierop zei men van de kerken en bisschoppen buiten het Romeinse gebied, die met de kerken en bisschoppen in dit gebied correspondentie hadden, dat zij in de barbaarse landen gevestigd waren[24].

 

 

Ý

Hoofdstuk 2. Eerste afdeling van vragen of vraagstukken, lopende over het algemene begrip, de stof, vorm, het object en het doel van de georganiseerde kerk

 

I. Na ons onderzoek naar de natuur van de zichtbare kerk komen wij tot de vragen, welke wij, voor zover dit mogelijk is, naar vervolg en in het kort zullen beantwoorden. Wij verdelen ze in vier afdelingen, waarvan de 1e zal lopen over de definitie, d.i., over het algemene begrip, de stof, de vorm, het object en het doel van de georganiseerde kerk; de 2e over de bewegende oorzaken; de 3e over de eigenaardigheden en te tegenstellingen, en de 4e over de indelingen van de kerk.

Eerste afdeling. Ie Vraag. Of de georganiseerde kerk kan bewaard blijven in ÈÈn persoon en of Adam, toen hij zich nog alleen in de wereld bevond, de kerk van God geweest is? Antwoord: Neen. Immers, hierin zou opgesloten liggen, dat ÈÈn enige een veelheid is: de kerk toch is een veelheid en een tot ÈÈn kudde verzamelde menigte. Dit blijkt hieruit, dat zij in de Heilige Schrift genoemd wordt een huisgezin, een koninkrijk, een volk, een kudde, en hierin vergeleken wordt met een lichaam, een gebouw, een staat. Zo is een Christen, die onder Barbaren en ongelovigen, of in een woestijn, of op een of ander eiland, buiten alle aanraking met mensen (wat, zo ik mij niet vergis, meer dan dertig jaren lang het geval is geweest met een Hollandse zeeman, die na dat tijdsverloop weer tot de zijnen terugkeerde), in zijne eenzaamheid God dient in geest en in waarheid, nog geen kerk. Vraagt mij, of hij dan niet tot de kerk behoort of een van haar leden is, zo geef ik dit toe, wat aangaat de onzichtbare en mystieke kerk, maar wat betreft de georganiseerde kerk, zo ontken ik, dat hij feitelijk en eigenlijk een lid daarvan is indien hij nooit met enige kerk in een zichtbare en feitelijke gemeenschap heeft gestaan; wil men hem potentieel een lid noemen, zo hebben wij hier niets tegen, mits hij met het gehele hart dit wenst en hiertoe de gegevens heeft. Maar dit blijft oneigenlijk en geheel naar analogie of overeenkomst. Zo iemand vroeger feitelijk in een kerkelijke gemeenschap gestaan heeft, en nu alleenstaande (buiten zijn schuld) en gescheiden van elke zichtbare kerk die gemeenschap, zoveel in zijn vermogen is, voortzet, zo iemand zou men naar het innerlijke een lid kunnen noemen, en zijn gemeenschap een innerlijke of verborgene. En hieruit blijkt tevens wat ons oordeel moet zijn over de katholieke, potentiÎle kerk van de pausgezinden, die in de paus alleen, en over de potentiÎle kerk van een diocese, die in een bisschop zou bestaan.

IIe Vraag. Of de kerk moet bestaan uit zeer weinig of tamelijk weinig leden, opdat n.l. verwarring voorkomen worde, die een groot aantal leden misschien teweeg zou kunnen brengen? Antwoord: Neen. Ten eerste, omdat de bijzondere of plaatselijke kerken, ten tijde van de Apostelen, door deze verzameld en georganiseerd, niet uit weinigen bestonden, zoals de kerk van AntiochiÎ, die van Efese, van Rome, Corinthe, Filippi, Thyatire en Jeruzalem. Zie van de Hand. het 2e, 4e en 13e hoofdstuk. Ten tweede, omdat de meerdere of mindere grootte van het getal niets uitstaande heeft met het wezen van de kerk, noch een wezenlijk vereiste voor haar is. Ten derde, omdat een kerk, uit zo weinig leden bestaande (b.v. uit 7 of 9), ternauwernood geschikt is tot het uitoefenen van haar regerende en rechtsprekende macht, als er n.l. aanleiding is gegeven tot ergernis en de ene broeder een andere tot aanstoot is geweest. Immers, als men de beide partijen met hun getuigen er afneemt, en de dienaren en hen, aan wie het onderzoek is opgedragen, niet meerekent, hoe groot een kerk zal er dan nog over blijven?

IIIe Vraag. Of derhalve ergens onder ongelovigen of op een onbewoond eiland een vergadering, die uit weinigen kerkelijk en op wettige wijze is georganiseerd, de ware kerk is? Antwoord: Ik stem toe, dat het de ware kerk is, niet minder dan een kind, dat een dag oud is, een mens is, en een stadje of gemeente, dat door het bijeenrapen van weinigen ontstaan is, een staat is: mits het er op toegelegd wordt, dat er een dagelijkse wasdom is.

IVe Vraag. Of de menigte slechts zo groot mag zijn, dat zij gemakkelijk op ÈÈn plaats tot het horen van het woord en tot het verrichten van alle kerkelijke zaken zou kunnen samenkomen? Antwoord: Wel is dit het gevoelen van de voortreffelijke godgeleerde Amesius, in zijn werk Medulla, Boek I, Hoofdst. 38, ß 18 en 19. Ook dat van enige hedendaagse theologen, die ijveren voor een onafhankelijke en volmaakte regering van de kerken. Verder is hier ook reeds vroeger op aangedrongen door Robinson in zijne Apologie, pag. 12, en door al die anderen, welke gewoonlijk met de naam van Brownisten en Separatistcn worden aangeduid, in hun Apologie, in het smeekschrift aan de Koning, 8e stelling. Ja, zelfs schijnt Dudlejus Fennerus in het 7e boek van de Theologia sacra, Hoofdst. 1, deze mening te zijn toegedaan, als hij de bijzondere kerk definieert als een vergadering van belijders van het geloof, die tot het volbrengen van alle, althans van alle gewone, ambtsverrichtingen, die uit hun goddelijk bestuur voortvloeien, geschikt tot een geheel kunnen verenigd en afgezonderd worden enz. En kort daarop laat hij volgen: Vanwaar ook de plaat van de bijeenkomsten in het eerst synagoge (Ps. 74 v. 8) en later kerk wordt genoemd (1 Kor. 14). Al deze theologen hebben zonder twijfel het oog gehad op hun Anglicaanse parochiale kerken, aan welke zij gewoon waren. Wij echter zien niet in, dat dit noodzakelijk is, of zelfs altijd en overal nuttig. De redenen, die wij hiervoor kunnen aanvoeren, zijn deze: 1e Omdat de apostolische kerken van Jeruzalem, Korinthe, Efese, AntiochiÎ, Rome en van andere plaatsen niet in een synagoge of privaat huis of de bovenverdieping daarvan (grote tempels of spreekplaatsen hadden de Christenen in die tijd nog niet, zoals beneden in de verhandeling over de kerkgebouwen zal blijken) samenkwamen. Dit zou trouwens de grootte van het ledental niet veroorloofd hebben. 2e Omdat in de kerken, die onmiddellijk op de kerken van die tijd volgden, dit helemaal niet in acht is genomen, zoals vaststaat uit de Kerkgeschiedenis. Men zie de schrijvers over de parochiale kerken, die boven geciteerd zijn, en Onuphrius, Verhandeling over de zeven kerken van de stad, Niemand zal beweren, dat de gehele kerk van Rome binnen de muren van ÈÈn spreekplaats in haar onderaardse toevluchtsoord is bijeengeweest. 3e Omdat de kerken onder het kruis en de heimelijke kerken (die kerken van het lichts zijn) reeds van de tijd van de Apostelen tot op deze dag, hoezeer zij ook gedwongen werden, om in verscheidene kleine vergaderingen het woord te doen prediken en het avondmaal te laten bedienen, toch van deze gewoonte nooit zijn afgeweken, ja wat meer is, haar als noodzakelijk hebben voorgeschreven. 4e Omdat men, wanneer de plaats van de bijeenkomst iets van haar ruimte of geschiktheid, en de stem van de prediker iets van haar helderheid verloor, of wanneer de vervolging in de ene of andere stad weer meer hardnekkig werd, het ledental dadelijk zou moeten doen krimpen en de geheelheid van de kerk zou moeten opgelost worden, althans met betrekking tot een deel van haar, en dat afgesneden deel, dat groter of kleiner zou zijn al naar gelang van de mate, waarin de stem van de prediker mocht afgenomen zijn, zich daarna weer tot een nieuwe kerk zou moeten samenstellen. Ook zou natuurlijk, als op zulk een predikant weer een andere volgde die met een stentorstem begaafd was, datzelfde vroeger afgesneden deel weer opnieuw met de vorige kerk moeten verbonden worden, na de vorm van die nieuwe kerk te hebben afgeschaft. Maar dit is alles even ongerijmd. 5e Omdat daaruit zou volgen, dat tot een getal van gelovigen, hetwelk in ÈÈn bedehuis juist kan samenkomen, zolang al die gelovigen leven, geen anderen zouden moeten toegevoegd worden, om deel te hebben aan de gemeenschap van diezelfde kerk; maar dat uit hun kinderen, knechten en dienstmaagden, zo door deze in het lopende jaar het getal bij geval te groot zou worden, dadelijk een nieuwe kerk zou moeten gesticht worden, totdat zij, door het overlijden of verhuizen van enige leden, bij de kerk van hun ouders of meesters kunnen worden ingelijfd, met opheffing en ontbinding van hun eigen pas opgericht kerkje. 6e Omdat uit deze mening zou volgen, dat het wezen en de eenheid van de kerk, of haar wezenlijke vereisten, zouden te zoeken zijn in toevalligheden en zuivere uitwendigheden en bijomstandigheden, en hierin hun grond zouden hebben. Dit nu is een dwaasheid, daar de eenheid van elke bijzondere volledige en goed georganiseerde kerk afhangt van de eenheid van een kerkenraad, door welke zij wordt bestuurd, zoals wij beneden zullen aantonen.

Ve Vraag. Of de kerkenraad alleen de kerk is te noemen? Antwoord: Aldus oordeelt Beza met het oog op Matth. 18 v. 17 en in dit oordeel stemt met hem overeen het Formulier voor de Bevestiging van Ouderlingen in de Nederlandse Liturgie; evenzo Franciscus Junius in zijn werk Ecclesiasticus, 2e Boek, 3e Hoofdst. en verder nog de Bevestiging van de regering van de Franse kerken, in de Franse taal geschreven (door Antonius Zadeele) en in haar naam uitgegeven tegen Fr. Morelles[25], Deel 4, art. 2, 2e afd., bladz. 174 en 195. Eindelijk komt na alle anderen Gerson Bucerus deze verklaring van de aangehaalde plaats nog uitvoerig verdedigen in zijn Verhandeling over het bestuur van de kerk, bladz. 3, 9, 83. Wij voor ons noemen deze opvatting van het woord kerk onjuist, daar hierbij het besturende deel voor de gehele kerk, (d.i., voor de regeerders en de geregeerden samen en dus een deel voor het geheel wordt genomen. Maar als wij eens aannamen, om des te gemakkelijker alle hiÎrarchische en oligarchische verklaringen aan een kant te zetten, dat op die plaat, onmiddellijk, rechtstreeks en bepaald het gehele lichaam van de kerk wordt bedoeld en niet de kerkenraad alsÝ een korte samenvatting van de kerk (epitome, zoals Fr. Junius zich uitdrukt op de aangehaalde plaats), of als haar oog, oor en mond, welk gevaar of welke dwaasheid zou daarin gelegen zijn? Hier toch volgt nog niet uit, dat wij een absoluut en in alle opzichten democratische kerkregering hebben aan te nemen, zoals terecht wordt opgemerkt door Parker, die voor deze uitlegging is[26]. Er zijn voorgangers door de kerk aangesteld, opdat zij in naam van de kerk zich met de zorg voor de kerkelijke aangelegenheden zouden belasten op zulk een wijze, dat in en door hen de kerk moet gezegd worden voorhaar belangen te zorgen, zoals de mens ziet door het oog. Hieruit volgt echter niet, dat elk lid van het lichaam kan zeggen: Ik ben het oog. Men zie 1 Kor. 12, en vergelijke deze plaats met Efese 4. Deze of een dergelijke onderscheiding heeft onze Catechismus misschien willen aanduiden in Vraag 85 in de woorden: der gemeente of degenen, die van de gemeente daartoe verordineerd zijn. Iemand spreekt tot een rechtbank of raad, wanneer hij dat doet tot zijn voorzitter of burgemeester, ook al spreekt hij niet openlijk en onmiddellijk tot alle leden van dat college tezamen en tot elk afzonderlijk; zo ook spreekt iemand tot de kerk, als hij de zaak overgeeft aan de kerkenraad, aan dewelke ingevolge een opdracht van de kerk de kennisneming van de zaken is toebetrouwd, en aan wie alleen zulks is toebetrouwd, totdat men na de kennisneming van de zaak toegekomen is aan de bekendmaking en uitvoering van het oordeel.

VIe Vraag. Of de gemeenteleden (populus) alleen met de kerkenraad, zonder de dienaar of de dienaren, de kerk kunnen genoemd worden, en bijgevolg de kerkelijke macht, waarvan b.v. de kerkregering en de verkiezingen uitingen zijn, bij zulk een kerk berust? Antwoord: Ja, maar niet in alle opzichten: naar haar wezen is zij de kerk, maar niet de kerk in haar volkomenheid, als wij n.l. letten op haar staat als een organisch geheel. Bijgevolg is zij in dat geval nog in het bezit van de kerkelijke macht[27].

VIIe Vraag. Of daar, waar de dienaar en enkele weinigen, die de kerkenraad samenstelden, door een verderfelijke ziekte of een oorlog of door enig ander onheil weggeraapt of uit die plaats verdreven worden, de kerkelijke gemeente (populus ecclesiasticus) ophoudt de kerk te zijn en alle macht ontbreekt, voornamelijk tot het kiezen van een dienaar? Antwoord: Neen. Want hoezeer de kerk alsdan verminkt mag zijn, en haar organische volkomenheid een einde mag genomen hebben, toch is haar wezen niet vergaan noch bijgevolg de macht om een dienaar te kiezen, iets, wat geschieden kan ook zonder een dienaar of dienaren. Maar anders is de zaak gelegen met de gewone prediking van het woord en de bediening van de sacramenten: hiervoor toch worden organen vereist (n.l. de dienaren) en een organische volkomenheid, en deze mist de kerk in het nu besproken geval. Hetzelfde, meen ik, moet ook gezegd worden van de leden van een kerk, waar de kerkenraad nog niet is samengesteld. Zulk een verkiezing van een kerkenraad door de leden van de kerk is, naar ik mij herinner, door de Zuid-Hollandse synode van Brielle in 1623 verdedigd tegen de classis die de verkiezing, tegen de wil van de kerk geheel en uitsluitend aan zich wilde trekken.

2. VIIIe Vraag. Of de kinderen van hen, die tot het verbond behoren, leden zijn van de zichtbare kerk en haar mede samenstellen? Antwoord: Zij worden leden van de kerk genoemd door de Nederlandse Liturgie in het Formulier voor de bediening van de doop, in de eerste, de ouders voor te leggen vraag, En dit wordt gestaafd door 1 Kor. 7 v.Ý 14 en Hand. 2 v. 39 en door andere plaatsen, die voor de kinderdoop tegen de Wederdopers aangevoerd plegen te worden. Toch moet dit niet enige beperking worden opgevat, gelijk zeer goed is uitgedrukt in hetgeen Amesius hiervan zegt[28]: De kinderen zijn echter niet in die mate volkomen leden van de kerk, dat zij de handelingen van de gemeenschap zouden kunnen uitoefenen, of toegelaten worden tot het deel hebben aan al haar bijzondere rechten, tenzij vooraf blijkt van de opwassing in het geloof; van die dingen echter, die betrekking hebben op de aanvang van het geloof en de intrede in de kerk, mogen zij niet buitengesloten worden. Zij zijn derhalve onvolledige lidmaten, die een zekere overeenkomst hebben met degenen, die in volle zin leden van de kerk zijn, omdat zij, als wel hebbende de geest en de genade van de Wedergeboorte, en dus iets, dat overeenkomst heeft met het geloof, de roeping en daadwerkelijke bekering (door welke men een lid is van de onzichtbare kerk), maar niet hebbende het geloof en de daadwerkelijke bekering zelf, op dezelfde wijze iets hebben, dat overeenkomst heeft met de daadwerkelijke en uitdrukkelijke belijdenis van het geloof, en met de belofte en verbintenis (door welke volwassenen ingelijfd worden bij het volk van God en de zichtbare kerk), n.l. de daadwerkelijke en uitdrukkelijke belijdenis en verbintenis van de ouders. De juiste opvatting van deze zaak hangt geheel af van het goed in acht nemen van het onderscheid tussen de wedergeboorte en de daadwerkelijke bekering, waarop wij in Deel 2 van de uitgelezen verhandelingen, tit. Over de wedergeboorte en over de staat van de uitverkorenen vÛÛr hun bekering nader zijn ingegaan, en wat wij hier als bekend aannemen.

IXe Vraag. Of de kerkelijke zorg en regering zich in alle delen moet uitstrekken tot volwassenen, die vroeger in hun kindsheid gedoopt zijn en of zij zelf tot de gemeenschap aan alle heilige handelingen nevens de andere leden moeten toegelaten of aangespoord worden, zonder dat van hun kant een vrije, daadwerkelijke en uitdrukkelijke toestemming en belijdenis tussenbeide komt, wanneer zij tot de jaren van onderscheid gekomen zijn, zodat die onuitgesproken en potentiÎle verbintenis en belijdenis, die het gevolg is van de doop in de kinderjaren, voldoende zou zijn? Antwoord: Zeker willen de pausgezinden dat, die, hiervan uitgaande, al degenen, die in hun jeugd gedoopt zijn, ook al hebben zij nooit het Roomse geloof omhelsd en in de Roomse gemeenschap gedeeld, aan de kerkelijke macht, en bijgevolg, in geval van ketterij of een zich schuldig maken aan enig ander misdrijf, aan de kerkelijke en burgerlijke straffen onderwerpen, waarvan de heidenen, joden, Mohammedanen, Grieken en andere Oosterse scheurmakers vrij zijn[29]. Onder de hervormden in Nederland is iemand geweest, die voor enige jaren in een door hem geschreven Latijnse Verhandeling over de kerkelijke tucht (welke ook in onze taal overgezet en, maar ten onrechte, een tijd lang aan Jac. Arminius toegeschreven werd) beweerde, dat de kerkelijke tucht zelfs tot alle volwassenen, hoe vreemd zij ook mochten zijn aan de belijdenis van het geloof en de gemeenschap van de kerk, moest uitgestrekt worden, even goed als tot de leden van de kerk, en dit wel op grond daarvan, dat zij in hun jeugd gedoopt waren.Ý Die Nederlandse theoloog, die de schrijver van de genoemde verhandeling is, is er niet in geslaagd, deze en andere overdenkingen bij zijn collega's en de Nederlandse kerken ingang te doen vinden, en dus te maken dat zij hun daartegenover staande praktijk niet meer volgden noch verdedigden. Daardoor heeft die verhandeling zich geen weg kunnen banen en is zij slechts in particuliere kringen door weinigen gezien en gelezen. Wij voor ons beweren, dat onze kerken haar gegronde reden hebben, om die wijze van opnemen van leden (welke ik boven in Hoofdst. 1 heb voorgedragen) en van uitbreiden en uitoefenen van de tucht (welke de Nederlandse Liturgie en de Kerkelijke Verordeningen hebben) vast te houden, en om de onuitgedrukte belijdenis en verbintenis, die in de doop gelegen is, niet in die mate voor voldoende te houden, dat men daardoor het avondmaal des Heeren en de volledige kerkelijke gemeenschap deelachtig zou zijn. De redenen, die wij hiervoor hebben, zijn deze: 1e Omdat aldus het onderscheid zou worden opgeheven tussen volkomen en onvolkomen leden van de kerk en tussen de wedergeboorte en daadwerkelijke bekering. Dit nu zou een dwaasheid zijn. Immers het geval zou zich kunnen voordien, dat iemand, in zijn jeugd wedergeboren en gedoopt zijnde, opgevoed werd in de leer van de Mohammedanen of van de ManicheeÎrs, of openlijk het vlees en de wereld diende tot aan het uur van zijn zaligmakende bekering (zij het het derde, of het zesde, of het elfde uur), terwijl het in hem aanwezige zaad van de wedergeboorte daaronder al die tijd als in de aarde verborgen lag. Maar wie zou zo iemand een lid van de kerk noemen, of hem als een lid van de kerk tot haar gemeenschap en het heilig avondmaal toelaten of hem aansporen, hieraan deel te nemen, indien er niet van zijn kant een vrije en uitdrukkelijke belijdenis en belofte tussenbeide kwam? 2e Omdat de Apostel bij hen, die tot het avondmaal des Heeren toegaan, een onderzoek en bijgevolg een openlijke belijdenis voor de kerk als een voorafgaand vereiste stelt, 1 Kor 11 v. 28. Leggen zij deze niet af, dan moeten zij van de gemeenschap en de tafel geweerd worden, zoals onze Catechismus dit in de Vragen 74 en 80 juist opmerkt. Zo is dus niet voldoende een onbewust, potentieel en oneigenlijk aannemen en belijden van het verbond, al is dit bij kinderen tot het ontvangen van de doop voldoende. En op grond van dit onderscheid alleen, genomen uit 1 Kor. 11 v. 28, staat het bij ons vast, dat aan kinderen het deelnemen aan het avondmaal moet geweigerd worden, tegenover de dwalingen van Augustinus, Innocentius en verscheidene anderen uit de oudheid. Maar hierover later. 3e Omdat het strijdt tegen de staat en de toestand van het volk Gods, dat het personen in zijn getal en rang opneemt, zonder dat zij een vrijwillige en duidelijke belijdenis van hun daadwerkelijke bekering en geloof gedaan hebben. Men zie Ps. 110 v. 3, Jes. 49 v. 18, v. 5 en 60 v. 4. Hoe zullen zich de andere gelovigen verheugen over de geestelijke kennis, die bij hen aangetroffen wordt, over hun stromen van levend water, hun liefde tot de waarheid en hun ontvangen van het genadeverbond (welke dingen zo schitterend worden beloofd in Jes. 11, 44, 60 en 62 en in JoÎl indien een zwijgende en onbewuste belijdenis en verbintenis (die nog van de kindsheid dagtekent en waarvan later door woorden zoomin als door daden getuigenis is gegeven) hier voldoende zou zijn? 4e Omdat zulk een aandrijven en dwingen tot de kerkelijke gemeenschap (wat misschien sommigen willen, dat bij al degenen, die vroeger in hun kindsheid gedoopt zijn, zal plaats hebben) strijdt tegen de staat van het geestelijk rijk van Christus en tegen de vrijheid van geweten, en de kerk vervult met lage huichelaars en haar aan een werelds rijk gelijkvormig doet worden, waarvan zij toch in dit opzicht zo scherp mogelijk wordt onderscheiden[30]. 5e Omdat daaruit zou volgen, dat de kinderen met veel meer recht wegens hun onbewuste verbintenis en belijdenis, die in de doop gelegen is, tot het avondmaal en de volledige gemeenschap van de kerk zouden moeten toegelaten worden, hoezeer zij ook buiten staat zijn, om met bewustheid belijdenis van het geloof te doen en van hun kant de verbintenis aan te gaan. Daarin toch zouden zij meer geschikt te achten zijn boven die andere nog niet tot belijdenis gekomen bondelingen, die reeds volwassen zijn, dat zij niet door gebrek aan kennis of zelfs door een vijandige onkunde, bovendien door achteloosheid en gemeenheid iets zouden doen, dat indruist tegen de eisen van het heilig verbond en de kerkelijke gemeenschap.

Xe Vraag. Zal derhalve de kerk zich van alle handelingen van geestelijke zorg en gemeenschap omtrent kinderen, die door de doop van de zichtbare kerk ingeplant zijn, onthouden, tenzij zij zelf, als zij de volwassen leeftijd bereikt hebben, die kerkelijke zorg en gemeenschap begeren Antwoord: Geenszins. Want juist met dat doel zorgt zij, dat de namen van de gedoopte kinderen in een bijzonder boek opgetekend worden, opdat zij hen voor andere inwoners van die plaats, die ongelovig zijn en vreemd aan de godsdienst, als kinderen Gods en van de kerk, bij het toenemen van hun jaren achtereenvolgens tot het deelnemen aan de catechisaties, het bezoeken van de godsdienstoefeningen en, zodra zij aan de voorwaarden kunnen voldoen, tot de belijdenis van het geloof en de deelneming aan het avondmaal zou kunnen aansporen en hun de weg daartoe openen. Dit zien wij dan ook bij ons gebeuren door ijverige herders en goed samengestelde kerkenraden; ook bestaan er over deze aangelegenheid, als ik mij goed herinner, besluiten van synodes.

3. XIe Vraag. Wordt de kerk ook gevormd door hen, die slechts toehoorders zijn, door die allen zonder onderscheid? Antwoord: De bedoelde toehoorders zijn van zeven soorten. 1e Kunnen het zijn vijanden, die haten. 2e Onverschilligen, die door geen begeerte naar de waarheid geleid en zonder hetzij haat of liefde te koesteren, slechts als de gelegenheid zich eens voordoet of bij toeval of uit gewoonte horen, zonder te weten waarom, en die daarom, gelijk zij komen, zo ook heengaan als een onbeschreven blad. 3e DoortrapteÝ huichelaars, die uit wereldse overwegingen komen horen, om niet algemeen voor AtheÔsten, Libertijnen of scheurmakers aangezien te worden. 4e Catechumene, die met eerlijke bedoelingen komen leren (als lerende is het thans de gewoonte ze van de aannemelingen te onderscheiden), en die hun best doen, om te vorderen in de kennis van Christus en zich voorbereiden, om te eniger tijd de kerkelijke gemeenschap te erlangen. 5e Aannemelingen, die, na voldoend onderricht genoten te hebben, zich als kandidaten voor de kerkgemeenschap aangeven. 6e Van het avondmaal afgehoudenen, door de censuur van de ontzegging. 7e GeÎxcommuniceerden, die echter niet ophouden van tijd tot tijd te komen horen en niet in de gemeenschap van de ene of andere sekte zijn getreden. ñ Die van de eerste soort behoren in geen enkel opzicht tot de kerk.Ý Die van de tweede, derde en zevende soort behoren er slechts toe in naam.Ý Die van de vierde, vijfde en zesde soort behoren er in betrekkelijke zin toe, doch deze laatste naderen meer tot de eigenlijke leden.

XIIe Vraag. Wordt de kerk ook gevormd door de catechumenen? Antwoord: Men onderscheide, overeenkomstig de onmiddelijke voorafgaande bepaling. Ook wordt hierdoor licht verspreid over het geschilpunt tussen ons en de pausgezinden, of de catechumenen in de kerk zijn. Wat de kerk naar haar onzichtbare staat aangaat, kan er geen twijfel bestaan, zo zij tenminste waarachtig gelovigen zijn. Wat de kerk in haar zichtbare staat betreft, is het antwoord: met enige onderscheiding, zoals reeds gezegd is. Ook is de oudheid voorzeker niet van oordeel geweest, dat zij volstrekt moesten uitgesloten worden, daar zij de verkiezing van de catechumeen Ambrosius tot bisschop niet heeft afgekeurd (men zie het Leven van Ambrosius); ook heeft zij over de zaligheid van nog niet gedoopte catechumenen zeer gunstig geoordeeld, gelijk men kan zien uit de Rede van Ambrosius bij de dood van Valentinianus.

XIIIe Vraag. Wordt de kerk mede gevormd door hen, die van het avondmaal afgehouden zijn en aan wie dit ontzegd is? Antwoord:Ý Ja. Want niet het recht van de kerkelijke gemeenschap is hun ontnomen, maar slechts het gebruik of de uitoefening daarvan voor een tijd. Terwijl zij dus het recht behouden, worden zij slechts voor enige tijd afgehouden van en verhinderd in de uitoefening daarvan. En dit is het, wat hen van de geÎxcommuniceerden onderscheidt.

XIVe Vraag. Wordt de kerk mede gevormd door de geÎxcommuniceerden? Antwoord: Neen, volgens Matth. 18 vs. 18, vergeleken met 1 Kor. 5. Zij staan derhalve geheel en al buiten de kerk, en zij kunnen niet bondelingen of medeburgers genoemd worden, dan alleen op de klank af krachtens de oude gewoonte, evenals een lijk wel eens een mens wordt genoemd en verbannenen of met ballingschap gestraften nog burgers genoemd worden van die stad, uit welke zij uitgeworpen zijn.

XVe Vraag. Wordt de kerk mede gevormd door de kinderen van geÎxcommuniceerden? Antwoord: Neen, wat betreft die, welke na de excommunicatie van de ouders geboren zijn, zomin als de kinderen van heidenen of joden. Wat aangaat de kinderen, die geboren zijn, toen de ouders nog leden van de kerk waren, zou ik niet hetzelfde willen zeggen. Als nu echter sommigen bij beide klassen van kinderen met voorbijgaan van de geÎxcommuniceerde ouders tot de grootouders of overgrootouders hun toevlucht nemen, en zo beweren, dat men die kinderen rechtens de doop verschuldigd is, dan geldt hiervan, dat zij hetzelfde zouden moeten zeggen, gelijk ik ook meen dat zij doen, van de kinderen van heidenen en Mohammedanen. Voor beide gevallen mis ik het bewijs uit de Schrift. Maar over deze vraag moet beneden wederom gehandeld worden in de verhandeling over de bediening van de doop. Men zie daar.

XVIe Vraag. Of, en zo ja, in hoeverre de zichtbare en georganiseerde kerk mede gevormd wordt door de vrouwen? Antwoord: In mindere mate en met een zekere beperking. Want gelijk zij, zo goed als de mannen, de onzichtbare kerk door een waar geloof samenstellen, zo stellen zij ook evenzeer de zichtbare kerk samen, wat betreft de gemeenschappelijke verbintenis, belofte en openlijke oefeningen en zijn zij bijgevolg tot alle gemeenschappelijke, zo openlijke als private plichten van de vroomheid niet minder gehouden, en tot het deelnemen daar aan niet minder toe te laten, dan de mannen. Men zie Hand. 1 v. 14; 5Ý v. 14; 8 v. 12; 17 v. 4 en 21 v. 5. Vooral ook moet men opmerken, dat in Hand. 16 v. 13 alleen vrouwen de kerkelijke bijeenkomst samenstelden, voor welke Paulus gesproken heeft, en dat in 1 Kor. 11 v. 11 haar het profeteren in een openlijke bijeenkomst wordt toegestaan als ook (Matth. 3 v. 5, 6, vergeleken met Hand. 16 v. 14, 15, 32) een openlijke belijdenis van het geloof en dat bovendien een zeker ondergeschikt deel van de armenverzorging haar in de kerk kan worden toevertrouwd, waarbij zij als helpsters dienst doen (1 Tim. 5 v. 9 en waarover echter op een andere plaats moet gesproken worden[31]. Hiertoe moet men die vrouwen brengen, welke als het ware als behulpsels, als deurwachteressen dienst deden in het heiligdom, en waarover men de uitleggers op 1 Samuel 2 v. 22 kan raadplegen. Ook is er een belijdenis en martelaarschap van de vrouwen voor de zaak van het Evangelie, Hand. 8 v. 3 en 9. v. 2 (men zie de Geschiedenissen van de martelaars) en het is een feit, dat er uitdrukkelijk ontkend wordt, dat de man en de vrouw, wat betreft de genade en haar middelen in Christus zouden onderscheiden zijn, Gal. v. 28 vergeleken met 1 Tim. 2 v. 15. Maar wat de organische staat en de organische volkomenheid van de kerk aangaat stellen de vrouwen haar niet in dier voege samen, dat bij haar ook zou berusten de macht van bestuur en rechtspraak, wat betreft de uitvoering, hetzij de gemeenschappelijke uitvoering door het stemmen en het openlijk uitbrengen van oordeelvellingen, Hand. 14 v. 23, 2 Kor. 8 v. 19 en 1 Kor. 5 v. 4, moge dit door een persoonlijk afvragen van de stem, door het opsteken van de handen of door luide toeroep plaats hebben; hetzij welke alleen aan de dienaren en aan de kerkenraad toekomt, niet aan de gemeenteleden (populus ecclesiasticus); en wel omdat vrouwen niet tot herders, leraren of ouderlingen kunnen verkozen worden. Het bewijs hiervoor vinden wij zowel in de Apostolische praktijk, als in uitdrukkelijke voorschriften: 1 Kor. 14 v. 34 en 45; 1 Tim. 2 v. 11 en 12. Dit onderscheid tussen man en vrouw kan opgehelderd worden door vergelijking met dat andere onderscheid, waarbij de man en de vrouw beiden naar Gods beeld zijn geschapen en de heerschappij over de schepselen hebben ontvangen; maar zo, dat de man de eerste rang en een bijzondere plaats in deze heerschappij heeft ontvangen, welke aan de vrouw niet toekomt; immers, de man staat boven de vrouw in die heerschappij en de uitoefening daarvan, niet omgekeerd. Twee gevallen doen zich hier echter nog ter bespreking voor. 1e Of de vrouwen van die uitoefening van de regering en rechtspraak, welke openlijk in en voor de gehele vergadering en in gemeenschap met de gemeenteleden plaats heeft[32], geheel moeten uitgesloten worden en dus voor zolang de vergadering moeten verlaten, zoals eertijds in de oude kerk de catechumenen werden weggezonden, voordat de viering van het avondmaal een aanvang nam? Antwoord: Neen. Want indien openlijk de instemming van het volk door middel van stilzwijgen wordt uitgevorst en de vrouwen nevens de mannen toehoren en zwijgen, zo strijdt dit niet tegen het Apostolische voorschrift, noch ook, indien de mannen, om hun stem gevraagd, deze openlijk uitbrengen door te spreken, terwijl de vrouwen er bij zijn en zwijgen. Dit nu is mijn antwoord met betrekking tot reeds gevormde, in gezonde toestand zich bevindende en organisch geregelde kerken. Het 2e geval is dit: Hoe moet men doen, als sommige pas bekeerde Christenen of zulken, die reeds langer gelovigen zijn, door storm op een eiland aangeland of met geweld daarheen weggevoerd zijn, en er zich onder hen geen mannen bevinden, of, zo er enige onder waren, deze allen door een aanstekende ziekte gestorven zijn, of de enkelen, die misschien nog overgebleven zijn, niet kunnen lezen, of in welk opzicht dan ook volstrekt ongeschikt zijn tot het voorlezen van de Schrift en van preken, tot het catechiseren van de kleine kinderen en van de onwetenden en evenzo tot het doen van gebeden? Antwoord: In zulke vergaderingen, zo er althans behalve huiselijke ook kerkelijke bijeenkomsten of zulke, die hierop gelijken, gehouden worden (of dit behoort te geschieden, wil ik hier niet uitmaken), is er niets tegen, dat een van de vrouwen, die hiertoe de meeste geschiktheid bezit, iets voorleest uit de Schrift, uit prekenboeken enz. Dit pleegt evenzo in godsdienstige huisgezinnen door de huismoeder gedaan te worden, als het hoofd van het gezin afwezig is, of van de godsdienst en een vroom leven niets weten wil. Maar zulke handelingen zullen alsdan niet zozeer formeel kerkelijke handelingen zijn, als wel zulke, die de verzameling en vorming van een kerk voorbereiden, of wel tijdelijke en voorlopige, waardoor men in de behoefte voorziet, totdat God een betere gelegenheid zal geschonken hebben[33].

Na de behandeling van het vraagstuk aangaande de vrouwen, komen wij tot deze gevolgtrekkingen: Ie Gevolgtrekking. Wij verwerpen de onzin van de joden, die de vrouwen niet laten deelnemen aan de gebeden en aan de heilige en (volgens henzelf) kerkelijke oefeningen[34]. IIe Gevolgtrekking. Wij verwerpen de misplaatste ijver van de oude ketters, die de hulp en bediening van vrouwen misbruikten, om hun kerkelijke, of liever sekteaangelegenheden en belangen te behartigen en te bevorderen[35]. IIIe Gevolgtrekking. Verdicht en enkel laster is, wat Laingaeus en Cor. Janssenius hun onwetenden volgelingen wijsmaken aangaande de verkondiging van het woord en de bediening van vrouwen bij de hervormden. Dat juist het pausdom zelf aan dit euvel mank gaat, staat vast uit het zo-even gezegde en hetgeen straks nog dienaangaande te zeggen valt[36]. IVe Gevolgtrekking. Voorts verwerpen wij de wanorde van de pausgezinden en hun veelzijdige aanraking met de Collyridianen[37] en anderen[38], waarbij zij toestaan, dat vrouwen zich het recht om te dopen aanmatigen en zich meester maken van de kerkelijke macht van bestuur en rechtspraak; zoals wij dit duidelijk hebben aangetoond in Desp. Causa Pap. op de aangehaalde plaats, bladz. 158. Wij willen dit hier niet herhalen; slechts voegen wij er nog aan toe, dat die godsdienstige vrouwen, die als diaconessen overal rondgaan (men noemt ze in Nederland Cloppen), geen gering deel van de zorg en behandeling van de kerkelijke aangelegenheden op zich nemen, door voor de onwetenden catechisaties te houden, met begeleiding van muziekinstrumenten onder de dienst te zingen, aanhangers van sekten te bekeren, armen, zieken en verdrukten te bezoeken, nieuws van allerlei aard aan de pastoors en priesters mee te delen, en de Roomse kerkelijke zendingen en bemoeiingen, vooral ten gunste van de JezuÔeten enÝ van andere orden, zoveel in hun vermogen is te bevorderen en de mensen er voor te winnen. Zo wordt haar dit laatste gedeelte van machtsaanmatiging verweten en worden zij hierom aangevallen door Philippus Rovenius, die zich aanmatigde, bisschop van Utrecht te zijn, en ook die titel voerde in zijn brief, uit Rome geschreven aan zijn vicarius Wachtelaar, de kanunnik van het Maria-kapittel, welke brief onderschept is en door de Edelachtbare Raad van de stad in het stadhuis alhier wordt bewaard. Ingevolge deze brief en om andere van dezelfde schrijver is de voortvluchtige Wachtelaar, van heiligschennis en verraad overtuigd, na openlijke gerechtelijke uitspraak verbannen. Paus Urbanus VIII, die deze machtsaanmatiging en albemoeiing niet wilde dulden (misschien uit haat tegen de JezuÔeten), heeft enige jaren geleden dat soort van overal rondgaande en omzwervende helpsters onder de naam van JezuÔetessen door een bijzondere bul afgeschaft. Desniettemin blijven zij hier in Nederland bij het oude, maar zonder de titel van JezuÔetessen te dragen, ofschoon men in Keulen en elders niet ophoudt, haar aldus te noemen. Alhoewel zij echter zelf met die naam niet te koop lopen, ontzien zich nochtans de pausgezinden, zomin de geestelijken als de leken, niet, haar, als in het bijzonder van de JezuÔeten afhankelijk, ter onderscheiding van de Cloppen van andere monnikenorden, ìPaterscloppenî te noemen[39].

5. XVIIe Vraag. Wordt de kerk mede gevormd door de slaven? Antwoord: Ja. Dit volgt uit Koloss. 3 v. 11 en 1 Kor. 7 v. 21. En dit is iets, wat onder meer de kerk onderscheidt van de burgerlijke staat, daar in de kerk de slaven worden gerekend burgers, verbonden en broeders te zijn, met gelijk recht als de overigen, terwijl dit in de staat volstrekt niet het geval is. Met het oog op deze kerkrechtelijke gelijkheid echter hebben de Christenen aan die slaven, welke tot het geloof gebracht waren, ook de burgerlijke vrijheid geschonken[40].

XVIIIe Vraag. Wordt de kerk mede gevormd door de melaatsen; of behoort er een afzonderlijke kerk uit hen gevormd te worden? Antwoord: Op het eerste gedeelte van de vraag antwoord ik bevestigend, op het tweede ontkennend. Immers, aan alle oefeningen kunnen zij gelijk met de anderen deelnemen tenzij misschien het avondmaal alleen hier een uitzondering op maakt. Overigens is deze ziekte, zoals zij zich thans vertoont, niet zo besmettelijk, dat zij, die door haar aangetast zijn, wanneer deze met de anderen aan eenzelfde tafel aanzitten en uit een afzonderlijke beker drinken, de anderen zouden besmetten. Indien hun echter niet wordt toegestaan het avondmaal met anderen aan dezelfde tafel te gebruiken, hetzij om liet gevaar van besmetting te vermijden, hetzij wegens de walging of de vrees, die sommigen zouden gevoelen, zo is het stellig voldoende, indien zij volgens het besluit van de Nationale Synode van Dordrecht van het jaar 1578, dat als antwoord diende op de 80e particuliere Vraag, in een hoek of een ander deel van het kerkgebouw afzonderlijk communiceren. Dat men hun in het pausdom bijzondere wijken heeft toegewezen, en hen, als het ware, bijzondere kerken heeft doen vormen met een afzonderlijke eredienst, bestuur en rechtspraak, met hun eigen rechten en voorrechten[41], riekt naar bijgeloof en naar de joodse ceremonies omtrent de melaatsen (Levit. 13 en 14, Num. 12 v. 10, 2 Kron. 26 v. 21), die nu zijn afgeschaft. Immers zijn zij thans ceremonieel niet in meerdere mate onrein, noch derhalve eerder van de lichamelijke tegenwoordigheid en gemeenschap van de kerk af te zonderen, dan andere gelovigen, die aan enige ziekte lijden. En wat aangaat het gevaar van de natuurlijke besmetting, dit is niet zo groot als het gevaar, dat er was bij de aanraking van iemand, die de melaatsheid van de joden had; want de hedendaagse melaatsheid verschilt veel van die van de joden, zoals de ondervinding leert[42].

XIXe Vraag. Wordt de kerk mede gevormd door de bezetenen? Antwoord. Ja. Over de wijze van hun gemeenschapsoefening heeft de oude kerk iets vastgesteld, zoals Photius in zijn Nomocanon, tit. 3. hoofdst. 13 opgetekend heeft. Wanneer zij door een boze geest aangegrepen worden, zijn zij niet geschikt tot het deelnemen aan het avondmaal, maar anders zijn zij gelijk aan de andere gelovigen.

XXe Vraag. Wordt de kerk mede gevormd door de menstruerende en barende vrouwen? Antwoord: Ja. Derhalve kan men van die besluiten van de oude kerk, welke men bij Photius[43] vindt, dat het n.l. een vrouw tijdens haar reiniging niet betaamt, gedoopt te worden of het avondmaal te gebruiken, zeggen, dat zij naar het JudaÔsme ruiken. Dit geldt nog veel meer van het gewone gebruik in het pausdom, waarbij de barenden in haar kraamdagen worden gehouden, onrein en als buiten de gemeenschap van de kerk gesteld te zijn. Zijn die dagen voorbij, dan worden zij weer plechtig daarin opgenomen, en zo ze bij de bevalling het leven verliezen, worden ze niet de kerkelijke begrafenis, althans niet een volledige en eigenlijk gezegde kerkelijke begrafenis, deelachtig, maat wordt slechts het lijk in de aarde gelegd en een wit linnen doodskleed daarover uitgespreid, zonder er evenwel aarde op te werpen (dit noemt men in Brabant ìhet lijck sinckenî), en eerst na verloop van de gewone, daartoe vastgestelde tijd voltooit men de begrafenis en verricht men de plechtige en heilige handelingen en de gebeden, door een lijkstatie te houden, een grafheuvel op te richten, de heilige handelingen en de bij overledenen gebruikelijke gebeden te doen plaats hebben en het dodenmaal te gebruiken. Als reden voor deze bijgelovigheden voert men het voorbeeld van Maria aan, Luk. 2 v. 22, die zich wegens haar reiniging gedurende 40 dagen had onthouden de tempel te bezoeken. Misplaatste ijver en verkeerde vromigheid hebben vroeger enige vrouwkens hier in Nederland er toe gebracht, diezelfde tijdruimte als een na te volgen voorschrift in acht te nemen, zodat zij de kraamkamer niet verlieten, noch de kerk weer bezochten voor de 39e of 40e dag na haar bevalling, hoewel zij al sterker waren en, vooral bij zachter weersgesteldheid, enige dagen of misschien enige weken vroeger hadden kunnen uitgaan. De leraren geven echter toe, dat de Christenen door die reinigingswet, die nu, als zijnde slechts een beeld en schaduw, afgeschaft is, niet gebonden worden[44]. Maar daar zij 1e zien, dat de gewoonte onder hun pausgezinde volk van de canonieke wet afwijkt en dat, met terzijdestelling van de wet, van deze toegeeflijkheid en dit door de vingers zien van Innocentius gebruik wordt gemaakt en dat de langdurige gewoonte dit gebruik als het ware het gezag van een populaire wet (of dwaling) heeft doen verwerven; 2e, dat men zich aldus door die onthouding, die uit een valse vromigheid is ontstaan, niet van de schijn van kwaad onthoudt; 3e, dat bovendien de Christenen aldus leren joodse gebruiken na te volgen (Gal. 2 v. 14); 4e, dat men verder in de zonde van bijgelovige onthouding vervalt, die naar waarde gegispt wordt (Col. 2 v. 2 1); 5e, dat men zich ook nog ver hierdoor verwijdert van de praktijk en de leer van de oude kerk, die wilde, dat met betrekking tot het uitwendige en stoffelijke niemand iets doen of laten zou waardoor de Christenen zonden schijnen overeenkomst te hebben met de joden, gelijk men kan zien in Can. 37 en 38 van het Conc. van Laodic. en zoals verder blijkt uit datgene, wat over de viering van het Paasfeest, tegen de Quartodecimanen, ofschoon ingevolge een valse vooronderstelling, is vastgesteld; 6e, daar er bovendien gevaar is, dat de mensen door die algemene en door de regeerders van de kerk goedgekeurde handelwijze in de mening komen, dat deze handelwijze noodzakelijk is en een geheimzinnige betekenis heeft en zo niet in alle opzichten gelijk aan die van het Oude Verbond, dan tenminste van dezelfde aard en daarmee overeenkomstig is; alsof deze reiniging naar een nieuwe wet de reiniging volgens een oude wet ware opgevolgd, op de wijze, waarop de Pausgezinden zo ongeveer de gehele ceremoniÎle wet weer opdelven, zoals men kan zien bij Thomas 1, 2, qu. 103, art. 3 ad 4, daar eindelijk tot verdediging van die vermeende vromigheid niets door die onwetende vrouwkens en priesters kan aangevoerd worden, dan een ongelukkige navolging van het voorbeeld van de heilige Maria, die aan de ceremoniÎle wet onderworpen was, en wier reiniging zij evenmin moesten navolgen, als het offeren van tortels en duiven, Luk. 2 v. 24; - zouden zij nu, vraag ik, daar niets van dit alles hun onbekend is, niet liever zulke slechte gewoonten, die van ouder op kind zijn overgegaan, moeten berispen, om hun lieden te leren zo ver mogelijk zich af te houden van die zonde, over welke Cajetantis in zijn aantekening op de aangehaalde plaats van Thomas zeer goed schrijft: Daarom kunnen die ceremoniÎle dingen nu niet meer zonder dodelijke zonde in acht genomen worden, noch als nog van kracht zijnde, daar dit een onwaarheid zijn zou, noch als hun bestaan verloren hebbende, daar zij dan voor goed begraven zijn. Het is daarom beter zich te onthouden van die plechtige inleiding van de kraamvrouwen in de kerk, over welke men zie het Rituale seu pastorale Romanum p. 223, waar zij zegening wordt genoemd. Doch in de Besluiten van de Gallicaanse kerk, uitg. v. Bochellus, Boek 3, tit. 1, hoofdst. 46 wordt zij reiniging genoemd. Ja zelfs worden de kraamvrouwen gezegd de reiniging na het baren bepaald nodig te hebben, Boek 6, tit. 4 hoofdst. 79. Alsof zij in meerdere mate van de kerk gescheiden waren geweest dan die een, welke, voor enige tijd door de een of andere ziekte of ongesteldheid teruggehouden, daarna openlijk in en met de gemeente God danken. Deze gewoonte van de pausgezinden gelijk ook van de Aethiopische kerken (welke ý Lapide op Levit. 12 meedeelt), heeft onder de onze Willetus in zijn verklaring op de genoemde laats terecht berispt, maar op diezelfde plaats neemt hij het Engelse gebruik, dat men vindt in hun Liturgie, in bescherming. Wat men hierover moet oordelen, en hoe wij de pausgezinden leraren, die de gewoonte van de hunhen thans met meer eerbied er voor verdedigen, met klem van redenen kunnen antwoorden, dit zullen wij beneden bespreken, waar gehandeld wordt over de Vermeend noodzakelijke kerkelijke handelingen.

XXIIe Vraag. Of het goed is en op het wezen van de kerk berustende, dat de pausgezinden de stof of de leden van de kerk verdelen in verschillende standen, die gezegd worden door God in de kerk ingesteld te zijn, n.l. in geestelijken en leken, en deze laatste wederom in heerschappij voerenden en onderdanen en de onderdanen weer in rechters, krijgslieden, handwerkslieden, boeren[45]. Zo maken zij ook de paus of het concilie tot het hoofd en de alleenheerser van de gehele aarde of van de Christelijke Staat, zoals zij zich soms uitdrukken en plaatsen de staat in de kerk, tegen het voortreffelijke woord van Optatus Milevitanus in het 2e boek tegen de Donatisten, bladz. 33: De kerk is in de staat, niet de staat in de kerk. ñ Antwoord: Zulk een verdeling in delen, welke het geheel, op zich zelf beschouwd, niet bevat, is een zeer oneigenlijke verdeling, evenals wanneer men een rijk of staat volgens kerkelijke graden en staten indeelde. Maar immers is de staat niet van de kerk, noch omgekeerd. Wel is de kerk altijd in de staat, maar de staat, in haar geheel genomen, bevat als zodanig niet altijd de kerk[46].

XXIIIe Vraag. Is het dus wel goed, de leden van de kerk te onderscheiden in met eer beklede en voorname of leden van de eerste rang en in leden van de tweede rang? Antwoord: Hoezeer alle gelovigen een even dierbaar geloof ontvangen hebben (2 Petr. 1 v. 1) en alle broeders zijn en dezelfde Vader hebben (Matth. 23, Maleachi 1), en er niemand onder hen in kerkelijke of geestelijke zin hun meester of overste of heer is noch zijn mag volgens Luk. 22, zo kan er toch overeenkomstig de verscheidenheid en de meerdere of mindere mate van de gaven (1 Kor. 12) enig verschil in graad, eer en achting gemaakt worden. Zo worden zij, die een openbare beroeping of bediening hebben, van anderen, bij wie dit niet het geval is, onderscheiden en moet hun dientengevolge eer bewezen worden. 1 Thessal. v. 12 en 13; Hebr. 13 v. 17. Vandaar worden de dienaren vergeleken met sterren (Openb. 1), leidslieden, bouwlieden, enz. Ook worden deze in het bijzonder mannen Gods genoemd, 2 Timoth. 3. Zo blinken ook weer sommigen uit onder de voorgangers, ja zelfs onder de Apostelen, terwijl echter de macht van allen in wezen zowel als in soort dezelfde blijft. Zo waren (Gal. 2 v. 9) Jakobus, Petrus, Johannes als het ware pilaren van de kerk. En ook onder de schare van de gemeenteleden steekt de een boven de ander uit, al naar verhouding van de gaven, de vlijt en de werken. Men Zie 2 Tim. 1 v. 16, 17 en 18; Rom. 16 v. 10, 12.

6. XXIVe Vraag. Heeft men derhalve gelijk met te zeggen, dat de leden van de kerk, die in de wereld door politieke macht, of het een of ander ambt of enige waardigheid, of door rijkdom en een groot dienstpersoneel, of door wereldse wijsheid en voorzichtigheid of verdiensten jegens de staat uitblinken, om diezelfde reden ook in de kerk de voornaamste of eerste leden zijn, ook al is het dat zij door geestelijke gaven en voorrechten niet uitsteken, en hun evenmin een heilige en kerkelijke taak is opgedragen? Antwoord: Nee. Want al wie dit beweren, geven of aan zuivere zucht om mensen te behagen toe of aan hun eigen hoogmoed en wereldse trots, en doen die een plaats vinden in de kerk; of wel zij verlopen zich in een schandelijke valse sluitrede, die berust op het in rekening brengen van bijkomstige omstandigheden en op het met elkaar in verband brengen van dingen, die niets met elkaar te maken hebben. Even alsof iemand aldus redeneerde: Deze man is goed en is dichter: derhalve is hij een goed dichter. Of wel: Deze musicus bouwt een huis in de hoedanigheid van musicus, omdat n.l. hier het geval wil, dat een bouwmeester tegelijk musicus is. Hierop komen wij beneden nog terug bij de behandeling van de Vraag: Bij wie de kerkelijke macht berust. Maar thans zullen wij de redenen voor onze tegenspraak opgeven. 1e Omdat het op het duidelijkste in strijd is met Jak. 2 v. 1 en 2, waar hij deze verkeerde gewoonte van aanneming van de persoon, waar deze in verband treedt met het geloof in Christus, aanklaagt. 2e Omdat het strijdt tegen de woorden van de Heiland, als Hij zegt: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld (Joh. 18 v. 36) en: De koningen van de volkeren heersen over hen, enz. Doch gij niet alzo, enz. (Luk. 22 v. 25 vgg.) 3e Omdat het niet overeenkomt met wat David zei, die de heiligen wegens hun heiligheid, n.l. op aarde, eerde en bekende, dat in hen al zijn lust was, Ps. 16 v. 3. Derhalve hoe groter heiligheid, des te groter achting. 4e Omdat het ook tegen de leer van Paulus strijdt Coloss. 3 v. 11, Galat. 3 v. 28, waar hij zodanige onderscheidingen door dergelijke uitwendigheden en bijkomstigheden van het rijk van Christus ver houdt. 5e Omdat het ingaat tegen het voorbeeld van Christus en de Apostelen: immers, wij lezen nergens dat zij de zodanigen het meest geacht, ontzien en verheven hebben, noch dat zij hun toegenegenheid en dienstvaardigheid het meest aan die catechumenen of gelovigen hebben betoond, welke naar de wereld het meest vermochten of het meest geÎerd waren. Juist blijkt geheel en al het tegendeel uit hun daden en woorden. Christus heeft het meest de discipelen geacht en bemind, en onder hen weer vooral Johannes; en deze onderscheidden zich niet in de wereld; Paulus achtte vooral Timothe¸s, Aquila enz. (men zie de groeten in het einde van de Brieven); Petrus Simon de lederbereider (Hand. 10). En nu is het wel waar, dat Christus de hoofdman over honderd, Lazarus met zijn zusters en enige rijkere vrouwen; Paulus Philemon, Zena de rechtsgeleerde en Lukas de medicijnmeester; en Petrus de hoofdman over honderd Cornelius boven vele anderen de voorkeur gaf; maar dit geschiedde wegens hun uitstekende kennis en ijver in het geloof en in het evangelie van Christus en in andere werken van de godzaligheid. 6e Omdat, zo deze uitwendigheden en zuiver bijkomstige omstandigheden in het geestelijke rijk van Christus in aanmerking genomen worden, en de burgersÝ van dat rijk hiernaar (ondanks de logica en de Schrift) onderscheiden worden, men tot vele dwaze gevolgtrekkingen zal komen. Ten eerste toch zal hierdoor met de pausgezinden de wereld of het tijdelijke in het rijk van Christus ingebracht worden en de staat in de kerk, iets waarvan wij zo-even in Vraag 22 het verkeerde hebben aangewezen. Ten tweede wordt op deze wijze de kerk met de staat verward en evenzo de macht, regering en voorrechten van beide, zodat of aan de kerk een wereldse gestalte wordt gegeven, of aan de wereld een kerkelijke gestalte, de ene tot de andere wordt vervormd, en de kerk zich geheel en al ontwikkelt naar de wijze en het voorbeeld van de wereld en van de wereldlijke regering. Dit, weleer in de oude kerk toegelaten, heeft met verloop van tijd een het Christendom vijandige richting doen opbloeien en een instorting en ondermijning van de kerk, van de godsdienst en van het vrome leven tot gevolg gehad. Och of er zich voortdurend tegen deze wereldse trots deze noodlottige verwarring stemmen mochten verheffen! Vertrouwt het paard van de TeukriÎr niet. Ten derde zouden op dezelfde wijze de leden van de kerk moeten onderscheiden worden in voorname en minder voorname, naar die uitwendige en bijkomstige titels en graden, die zij in de huishouding van de staat, in de school en in de krijgsdienst dragen, en waar zou dan het einde zijn? De kerk zou dan behoeven dienaren voor de ceremoniÎn en catalogussen, waarin alle wereldlijke eretitels en onderscheidingen met name vermeld staan (zoals Chassaneus er een uitgegeven heeft en die men kan inzien, als men niets omhanden heeft), voortsÝ zouden er herauten of deskundigen, aanwijzers en rechters voor de onderscheidingstekenenÝ nodig zijn en zouden de predikanten, kerkenraden, synoden en de andere vergaderingen van de heiligen zich moeten bezighouden met de geschilpunten over de voorrang, iets, wat wij in het pausdom zo sterk als moge1ijk afkeuren[47]. Ten vierde zou dan volgen, dat de aardse dingen de voorkeur verdienen boven de geestelijke, het onheilige boven het heilige, uitwendige goederen en voorrechten boven de genade van Christus en het allerkostbaarste geloof; als namelijk zij, die arm en van geringe stand zijn, maar rijker dan anderen in het geloof (Jak. 2) en in goede werken, tot de minder voorname; zij daarentegen, die machtig of rijk zijn, maar lager staan in het geloof en in werken, tot de voorname leden van de kerk gerekend worden en voor anderen geÎerd en gehuldigd worden, en dit alleen, omdat zij meer hebben en geven kunnen; en daartegenover Lazarus, die niets, en de weduwe, die slechts twee penninkjes kon aanbrengen, ja zelfs de boven alle anderen heilige Johannes en Petrus, die noch goud noch zilver hadden (Hand. 3), worden geminacht. Dit is een allerschandelijkste aanneming van de persoon, getuige op de plaats, omdat daardoor iets in de kerk en de leden van de kerk in aanmerking genomen wordt, wat geheel buiten de heilige en kerkelijke zaak ligt.

7ÝÝ XXVe Vraag. Strijdt het ook tegen de eenheid, het wezen en de volkomenheid van de bijzondere georganiseerde kerk, zo kerken in kerken worden samengesteld, zoals de reguliere kerken van de monniken in de stedelijke kerken (ook in collegiaat, of kathedraalkerken, volgens hun eigen schrijvers) en genootschappen in genootschappen, zoals de kloosters en oefenscholen van het geestelijke leven van beiderlei kunne, vooral die, welke men monasteria exemta[48] noemt en de haast ontelbare broederschappen en verenigingen, die door geloften, eden en bijzondere wetten van het kerkelijke lichaam en onderling zijn onderscheiden? Antwoord: Ja. 1e Omdat zodanige kerken in andere kerken, genootschappen in genootschappen, die men ook wel onafhankelijke ondergeschiktheden en voorbeelden van tweedrachtige eendracht zou kunnen noemen, vreemd zijn aan de apostolische praktijk. Men onderzoeke de staat van de kerk van Jeruzalem, van AntiochiÎ, van Korinthe, van Efeze en van de zes andere kerken in AziÎ: en u zult niets van die aard vinden. 2e Omdat die verkeerde ijver aan een ziekelijke smaak en aan geestelijken hoogmoed doet denken, als iemand, een walg hebbende van de gemeenschappelijke naam, gelofte, belijdenis, vereniging en gemeenschap van het Christendom of daar niet mee tevreden, naar een verhevener en meer bijzondere inrichting streeft. Het doet denken aan de versregel: ìAltijd voortreffelijker willen zijn en meerder dan anderenî (Zie Jesaja 65 v. 5 en 3 Joh. v. 9). 3e Omdat die bijzondere bondgenootschappen niets zijn dan even zovele scheldingen, uitwijkingen, partijen, verdelingen, scheuringen, samenspanningen, of althans daarin ontaarden, zie 1 Kor. 1 v. 12 en 13; Juda v. 19. - 4e Omdat zij talloze verwarringen en moeilijkheden baren met betrekking tot de uitoefening van de kerkelijke macht en regering. Dit kan men zien in het pausdom, waar over de vrijstellingen en voorrechten van de regulieren een oneindig getwist heerst met de bisschoppen en de andere wereldlijke bestuurders van de kerken, waarvan de Roomse curie en keuken zieden[49].

XXVIe Vraag. Stellen de gezelschappen of bijeenkomsten van de Catechisanten en van hen, die zich tot heilige en theologische oefeningen verenigen, bij ons bijzondere kerken in de kerken samen, en kan men hen hiervan met gelijk recht beschuldigen als de asceten, monniken en broederschappen in het pausdom? Antwoord: Nee. Want evenals de huisgemeenten (zoals men ze noemt) of de wijkvergaderingen in sommige hervormde kerken niet een bijzondere kerk of een bijzonder kerkelijk verbond, een bijzondere kerkelijke zelfstandigheid, macht en regering uitmaken, maar ÈÈn en dezelfde kerk in, met en onder ÈÈn en dezelfde kerkenraad samenstellen en bijgevolg een kerkelijke onafhankelijkheid en exemptie van de kerk, in welker gemeenschap zij bevat zijn, volstrekt buitensluiten, zo is dit ook het geval met de bijeenkomsten van de catechisanten en van de tot oefening samenkomenden[50].

XXVIIe Vraag. Zijn de handelingen, die gemeenschappelijk omtrent kerkelijke personen en zaken op gelijke wijze als omtrent burgerlijke, maatschappelijke en militaire personen en zaken, verricht moeten of kunnen worden, rechtstreeks, in eigenlijke zin en formeel heilig en kerkelijk? Antwoord: Nee. Want dan zouden de gehele wereld en alle bezigheden van deze wereld formeel kerkelijk zijn, en er zou niets zijn, dat niet verkerkelijkt of met een kerkelijke gestalte overtogen zou kunnen worden, (gelijk het dan ook geschiedt in de Roomse curie),Ý evenals omgekeerd sommigen heden ten dage menen, dat alles naar verkiezing kan geseculariseerd worden, en op die wijze aan het kerkelijke oordeel en bestuur kan onttrokken worden, wanneer zij n.l. een slechte zaak voor de kerken niet kunnen goedpraten. Voorwerpelijk derhalve en door een bloot overbrengen van de kerkelijke naam op andere zaken, ja indirect of door een zeker in verband staan of enige aanraking met de kerk hoort veel tot de kerk en haar macht en regering, wat formeel en in eigenlijke zin niet kerkelijk is, maar toch met dit onderscheid, dat de kerk, zekere handelingen of door zich zelf, of, zo dit van de kerk meer tot sieraad en opbouwing strekt, door zekere afgevaardigden, door haar zelf aangesteld, verricht of verrichten kan, b.v. de bewaring, verwerving en regeling van de kerkelijke inkomsten, alsmede de noodzakelijke vermeerdering van die inkomsten door ermee te handelen of door een andere eerbare wijze om er winst mee te doen toe te passen; verder de administratie van de kas, de bouw van kerken en van aan de kerk verbonden scholen en de zorg voor die gebouwen, het verzoeken van de bescherming en de gunst van vorsten, het voorkomen van vervolgingen en van andere ongemakken;Ý - maar dat andere handelingen niet verricht noch mogen verricht worden door de kerk zelf of haar afgevaardigden, maar moeten overgelaten worden aan de vorsten en burgerlijke overheden b.v. de verdediging van de kerk[51]. Gevolgtrekking. Door het niet in acht nemen van deze onderscheidingen, is een beklagenswaardige verwarring van de kerkelijke en burgerlijke macht ontstaan, waarvan voorbeelden zijn de dwingende macht van de bisschoppen en van de paus en hun twee zwaarden, verder de heilige soldaten of ridders van de kerk, pauselijke en bisschoppelijke oorlogen, geestelijken die krijgsvoerders, kanseliers, raadslieden en schatbewaarders zijn van koningen en koninkrijken; en omgekeerd de voorgewende koninklijke rechten, investituren en patronaatrechten van koningen, vorsten en beschermheren, bovendien de bisschoppelijke zorg voor de tijdelijke belangen met verwaarlozing van de geestelijke[52]. Wat verder de bewering aangaat, dat dit alles verricht wordt door de kerkelijke personen in hun rang van geestelijke verzorgers, en omdat het met het heilige gepaard gaat, of althans van die aard is, dat zonder dat alles het heilige niet naar behoren kan bediend worden, zo worden al deze handelingen hierdoor niet meer kerkelijk of eerder tot wezenlijke vereisten van de kerk gemaakt dan alle lichamelijke en burgerlijke handelingen en verrichtingen, zoals eten, drinken, slapen, wandelen, bouwen, het veld bearbeiden, klederen verstellen, schoenmaken en de bezigheden, die tot het vak behoren van de lakenvollers, koks, van hen, die het toezicht hebben op afvoerkanalen voor het vuil, van artsen, advocaten, stadsgouverneurs, bedienden en boden van de overheden. Want dat deze en dergelijke bezigheden, deels verwijderd, deels van nabij, deels voorwerpelijk, deels als noodzakelijk van tevoren verondersteld en vereist, deels als uit het bestaan van de kerk volgende, in betrekking kunnen staan tot het geestelijke en kerkelijke, daaraan kan niemand twijfelen.

 

Ý

 

 

 

 

Hoofdstuk 3. Tweede afdeling van vragen, betreffende de bewegende oorzaken van de kerk

 

1. Hier volgt de tweede afdeling van vragen, lopende over de bewegende oorzaken van de kerk.

Ie Vraag. Worden er noodzakelijk gewone en wettig geroepen dienaren vereist tot de eerste verzameling en organisering van de kerk? Antwoord: Nee. Zal het goed zijn, dan wordt weliswaar een geschikt en geoefend dienaar vereist, die de mensen, die vroeger nooit geloofsbelijdenis aflegden, door de prediking van het Woord en een op vrome wijze overtuigen voorbereide, en die de gelovigen, zo die daar zijn, tevens opwekt, aan zijn hand leidt en richt en de leiding op zich neemt bij alle beraadslagingen, besprekingen, het doen van de beloften en het aangaan van de verbintenis. Maar in geval van nood mag, zo er geen dienaar te vinden is, een van de gelovigen of, zo er anders niemand is, een van de catechumenen, die het meeste hiertoe geschikt is, doen, wat hij kan. Wanneer dan alle toebereidselen gemaakt zijn, en de bond is georganiseerd, en er zelfs dan nog niet een dienaar van elders kan opgeroepen worden, zullen de leden een uit hun midden aanstellen, om tot voorlopige voorziening de taak van voorganger in het Woord op zich te nemen en later, naar bevind van zaken, tot gewoon dienaar bevestigd te worden[53].

IIe Vraag. Worden er noodzakelijk gewone dienaren vereist tot de eerste organisering van de kerk, of tot haar voortbestaan, onafgebroken duur en uitbreiding? Antwoord: Ja. Als regel althans en voor de organische volkomenheid moet men die eis stellen. Toch kan in geval van nood een kerk voorbereid en georganiseerd worden en kan ook een reeds geconstitueerde kerk blijven bestaan zonder dat zij, omdat er geen dienaar is, weer behoeft ontbonden te worden. Er zijn zelfs nu nog sommige heimelijke kerken, die herhaaldelijk en wel gedurende vrij lange tijd, zonder dienaren voortbestaan, terwijl zij intussen zich behelpen met de toespraken en vermaningen van een ouderling, ziekentrooster of catechiseermeester[54].

IIIe Vraag. ÝWordt noodzakelijk vooraf het gezag en de leiding van een synode, hetzij dan een nationale of een provinciale, of althans van een classikale vergadering of van genabuurde kerken vereist tot de eerste verzameling en instelling van een kerk, en wel zo beslist, dat, indien zulks er niet geweest of niet voorafgegaan is, die kerk, ook al werd zij onder de leiding van een of meer tot dit werk uitgenodigde die namen geconstitueerd, in geen dele een kerk zal zijn en er van de verkiezing van enig gewoon dienaar door haar in het geheel geen sprake zijn kan, en zal bijgevolg de organisering van de kerk en de kerkelijke verbinding, na reeds in het leven geroepen te zijn, moeten verklaard worden niet te bestaan en opnieuw door een classis of synode moeten begonnen worden? Antwoord: Neen. 1e Omdat zij beantwoordt aan de definitie van de georganiseerde bijzondere kerk: en immers moeten die formaliteiten en samengevoegde waarborgen, of georganiseerde correspondentie en wederkerige afhankelijkheid van de kerken, tot haar welvaren dienende, ook maar niet zo klakkeloos gezegd worden volstrekt noodzakelijke, wezenlijke vereisten te zijn; en dit zo stellig, dat, als dit alles bij een verwarde stand van de zaken of in een geval van uiterste nood ontbreekt, de kerk geen kerk zou zijn. Tot een bewijs beroep ik mij op de bepalingen van de kerk en op de beschrijvingen van de eerste ordeningen en verzamelingen, te vinden bij de gereformeerde godgeleerden en in de openbare liturgieÎn en kerkenordeningen. Ook leert ons de voortdurende en gewone wijze van doen en de onaangetaste gewoonte niet, dat dit zo noodzakelijk moet in acht genomen worden, dat er voor geen enkele uitzondering op de regel plaats wordt gelaten[55]. 2e Omdat een kerk die nadat zij een vaste kerkorde gekregen heeft, reeds een kerk in voortgang is en die bovendien reeds bij een classikale of synodale correspondentie is ingevoegd en ingelijfd, niet gelijk is te stellen met een kerk in haar wording die nog eerst tot een kerk moet verzameld en geformeerd worden en bijgevolg nooit een lid is geweest of deel heeft uitgemaakt van een classikale of synodale correspondentie of combinatie. Mocht de eerstgenoemde zonder medeweten of goedkeurende instemming van de classis kerkelijke zaken afdoen, die zij uit kracht van haar vrijwillig toetreden tot de classikale correspondentie niet zou kunnen afdoen, zij zou zich voorzeker aan ordeloosheid schuldig maken. Maar de toestand van de laatstgenoemde is een geheel andere. 3e Omdat kerkelijke verkiezingen, en hernieuwde reformaties en herhaalde organiseringen van kerken, als de zaak dit vordert en de nood dringt, kunnen en moeten geschieden door alle mogelijke en bijzondere kerken, zonder dat gewacht wordt op de toestemming van corresponderende en verbonden kerken, ja zelfs zonder dat zij zich mogen laten weerhouden door het protesteren daartegen van die andere kerken. Derhalve zal nog veeleer, als het geval zich voordoet, de eerste verzameling en continuering van een kerk kunnen volbracht worden door een of meer dienaren, die hiertoe opgeroepen zijn door gelovigen en toehoorders of onder leiding van enige personen, die door een of meer genabuurde kerken gezonden zijn. Het hier gezegde kan op dezelfde gronden en door toepassing van dezelfde uitzonderingen bewezen en verdedigd worden, als die, waarmee wij van de gereformeerde kerken de schuld van scheuring en onwettige machtstoe-eigening hebben afgeweerd[56]. 4e Omdat, ook al geeft men toe, dat er iets aan de ongeschondenheid en volledigheid van die continuering ontbreekt, daaruit echter nog niet volgt, dat er geheel geen continuering, geen kerk is[57].

 

IVe Vraag. Zal derhalve een kerk geen kerk zijn en geen kerk geconstitueerd kunnen worden, tenzij er eerst iemand tot gewoon dienaar van die ongeboren vrucht of kerk in wording aangesteld en beroepen, en daarenboven een kerkenraad verkozen is, of wel, in omgekeerde orde tenzij er het allereerst een kerkenraad samengesteld worde, vervolgens door die kerkenraad een dienaar beroepen worde en zo eerst de leden van de kerk geconstitueerd worden en uit die leden de kerkelijke gemeenschap of bond? Antwoord: Dat deze methode en deze formaliteiten zo noodzakelijk zijn, dat zij tot het wezen van de kerk behoren en dientengevolge als kenmerken in haar definitie moeten opgenomen worden en daaruit het kenteken en onderscheidingsteken van de ware kerk moet genomen worden, is iets, dat noch gegrond is op de Heilige Schrift, noch op de Overeenstemming van de Belijdenissen en kerkelijke plechtigheden en kerkenordeningen, noch op de mening van enig gereformeerd theoloog. Ik heb er niets tegen, zo eerst een dienaar door een of meer genabuurde kerken op de oogst uitgezonden wordt naar een plaats, waar geen kerk is, maar allen vreemd zijn aan de godsdienst, mits dit maar niet tot een wet van Meden en Perzen wordt of voor een voortdurende noodzakelijkheid, waar geen ontkomen aan is, wordt aangezien, zodat men deze gedragslijn zelfs daar zou gaan volgen, waar reeds gelovigen zijn, ja, waar reeds een kerk van gelovigen is geconstitueerd en mits slechts niet het zwaartepunt van de kerk in de dienaar of in drie of vier ouderlingen en diakenen, wordt geplaatst en vooral, mits men niet meent, dat de vorming en verbintenis van de leden op geen enkele wijze iets aan de betekenis van de georganiseerde kerk af of toedoet. Men moet het wezen van de bijzondere kerk onderscheiden van haar organische ongeschondenheid en volmaaktheid. Het eerste kan er zijn zonder een kerkenraad, de laatste geenszins. Het zal niet verkeerd zijn, een antwoord, door mij de 23e April 1641 uit naam van onze faculteit opgesteld, hier in te lassen. In dezelfde geest is aan hen, die hierin onze raad kwamen inwinnen naar hun zeggen geantwoord door de Theologische faculteit van Leiden. Ons antwoord was als volgt:

Enige Engelsen, wonende in de gemeente N., van welke sommige leden waren van de Nederlandse kerk, anderen niet, hebben, nadat zij op hun dringend verzoek van de overheid van die plaats hadden verkregen, dat deze hen een jaarlijks bedrag zou toestaan tot het onderhouden van een dienaar, naar Engeland geschreven aan Ds. Parke, erkend leraar daar, hem opwekkende, dat hij met zijn huisgezin over mocht komen, en bij hen de bediening van het Woord oefenen, totdat hij onder hen geschikte leden zou vinden voor het vormen van een kerk, daar zij erkenden, dat de meesten onder hen daartoe nog ongeschikt waren, zoals men dan ook nog kan zien uit hun brief aan Ds. Parke.

Bij de eerste prediking van het Woord van Ds. Parke was een van de burgemeesters met een dienaar van het Woord tegenwoordig, om zich op de hoogte te stellen van zijn leer en van de wijze, waarop hij het volk leerde. Later ontving hij op het stadhuis van de H. H. burgemeesters, onder goedkeuring van de Nederlandse leraars, de algemene macht zonder enige beperking, om de Engelsen in de bediening van het Woord te dienen. Ongeveer een tijd van drie jaar verkondigde hij toen bij hen met de grootste ijver het woord van God.

Nadat van deze Engelsen sommigen ondertussen gestorven, anderen naar elders verhuisd waren, zijn er anderen in hun plaats gekomen, die toen, na lang wachten, eisten, dat er een kerk zou gevormd worden en die door belijdenis te doen van hun geloof en de beloften van gehoorzaamheid af te leggen, lidmaten van de op te richten kerk geworden zijn. Hierbij hadden zij de bedoeling, dat alle andere Engelsen, die of reeds in de gemeente N. woonden of van elders daarheen mochten komen, successievelijk aan deze vergadering zouden toegevoegd worden, voor zover zij namelijk bevonden werden hiertoe geschikt te zijn. Toen dezen zich dan reeds aaneengesloten en tot een bond verenigd hadden, verkozen zij Ds. Parke tot hun herder en leraar, van welke verkiezing in de vergadering een openlijke bekendmaking is gedaan.

De Nederlandse dienaren echter erkennen deze verenigde Engelsen niet als kerk, maar dringen er op aan, dat er van nieuws af aan een kerk zal gevormd worden, en dat wel zo, dat er naar hun oordeel een zuivere kerkformatie in het leven wordt geroepen, hetzij door het beroepen van een dienaar, of door de vorming van een kerkenraad of door beide te doen, zonder ook maar te reppen van het vormen van lidmaten, die zich vooraf tot een heilige gemeenschap zouden verzamelen. Zij willen daarom dat er eerst een dienaar verkozen en daarna een kerkenraad samengesteld zal worden, of wel omgekeerd: eerst de kerkenraad en daarna de leraar. Dit is het eerste geschilpunt.

Het tweede is de vraag, op gezag van wie de kerk zou moeten geformeerd worden. De broeders leraren in de gemeente N. nu leggen aan Ds. Parke de keus voor, of hij tot leraar wil beroepen worden door de classis alleen, of door de kerkenraad alleen, of eindelij door de kerkenraad van de Nederlandse kerk onder medewerking met gelijk gezag van de Engelsen. Ds. Parke echter beweert, dat het recht zelf van de verkiezing niet moet ontrukt worden aan hen, die, door zich tot een bond verenigd te hebben, op de wijze, zoals gezegd is, tot een lichaam waren samengegroeid.

Hier wordt dus tweeÎrlei gevraagd:

1. Of zulke verenigde gelovigen, ook al hebben zij aanvankelijk niet tot diegenen behoord, welke verzocht hebben een Engelse dienaar aan te stellen en dit van de overheid verkregen hebben, en al verzamelen zij zich niet onder het gezag van enige kerkelijke vergadering, hetzij van een classikale, hetzij van een kerkenraadsvergadering tot ÈÈn lichaam, maar slechts onder leiding van Ds. Parke, althans wat het wezen betreft, een kerk van Christus kunnen genoemd worden.

2. Of de macht, een herder te verkiezen, hun kan toekomen.

Antwoord op de Ie Vraag.

Ons antwoord op de eerste van de voorgelegde vragen, zonder het oordeel van anderen te na te komen, luidt bevestigend. Wij oordelen namelijk, dat zij, wat het wezen aangaat, een ware kerk van Christus zijn en kunnen genoemd worden, namelijk de kerk als een uitwendige, zichtbare, georganiseerde, parochiale en bijzondere kerk genomen, want een zodanige kerk wordt hier bedoeld. En dit om de volgende redenen:

1e Omdat de definitie van kerk op haar past en omdat nooit zal toegestemd worden, dat de hier vermelde formaliteiten, hoezee men ook mocht toegeven, dat zij zeer nuttig zijn en dat het zelfs een zeer verstandige gewoonte was, ze in acht te nemen, wat op sommige plaatsen het geval is geweest, invloed hebben op de definitie van de kerk, of dat zij eenvoudig en volstrekt noodzakelijk zijn, zo zelfs, dat, zodra deze opgeven werden, terstond het wezen van de kerk zou worden opgeheven. Wat wij zeggen aangaande de definitie van de kerk, zal duidelijk worden door het aanvoeren van alle definities, die maar bij Gereformeerde Theologen gevonden worden.

2e Omdat noch de Nederlandse Geloofsbelijdenis, noch de LiturgieÎn, noch de kerkenverordeningen voorschrijven, dat men al deze zo-even vermelde formaliteiten bij de eerste verzameling en organiseren van een kerk, voornamelijk van een vreemde of niet-Nederlandse, welke nog geen deel uitmaakt van een classikale correspondentie van een Nederlandse classis, nauwkeurig moet in acht nemen. En al nam men eens aan, dat alle of enige voorgeschreven werden, dan zou daar echter nog niet uit volgen, dat door de weglating of schending van deze formaliteiten het gehele wezen van de kerk zou opgeheven worden; immers zijn ook alle kerkelijke verordeningen niet even noodzakelijk noch hebben betrekking op even noodzakelijke dingen.

3e Omdat zelfs niet de gewoonte of gewone wijze van handelen bij de eerste organisatie en formatie van Engelse kerken in Nederland (om nog niet eens te spreken van de eerste formatie van Nederlandse kerken, zoals die reeds van het begin van de Hervorming tot op deze dag plaats heeft gehad) een zodanige regeling noodzakelijk maakt en er toe noopt haar voortdurend in acht te nemen. Wij verwijzen naar de wording van de Engelse kerken te Leiden, Utrecht, Middelburg, Arnhem, Vlissingen, Veere, ís Gravenhage, Delft, ís Hertogenbosch, enz. En ook al zou men ergens een tegenovergesteld wijze van handelen kunnen aanwijzen, toch zou hieruit geen algemene wet kunnen geboren worden, laat staan, dat het wezen van de kerk daarvan zou afhangen.

4e Omdat wij, bij toelating van het tegenovergestelde gevoelen, niet kunnen zeggen, van welke gevolgen dit zou zijn voor die netelige twistpunten van de onzen tegen het pausdom over de onafgebroken voortplanting van de kerken enige eeuwen voor Luther, over de wettige Reformatie van de kerken en haar afscheiding van de Roomse, over de eerste verzameling en ordening van de hervormde kerken en het wettig beroepen van dienaren, zo voor, met en in, als na de Hervorming. Wij zouden willen, dat iemand de proef eens nam en de voetstappen drukte van een Illyricus, Plessaeus, Usserius en van verscheidene anderen.

Antwoord op de IIe Vraag.

Op de tweede Vraag is ons antwoord eveneens bevestigend. 1e. Hier verwijzen wij naar de verhandelingen van de onzen over de kerkelijke verkiezingen bij de eerste verzameling en reformatie van onze kerken. Want welk een tekort in de gewone formaliteit of volkomenheid hier ook zou kunnen voorgewend worden, toch zal men niet kunnen bewijzen, dat daardoor het wezen van de kerkelijke verkiezing geheel gemist wordt. 2e Dat men bovendien het wezen en de wettigheid van enige zaak of verordening in haar ontstaan anders moet beoordelen dan in haar voortgang, dit leert de oplossing van vele vraagpunten omtrent het beroepen van dienaren, de bepalingen van vorsten en overheden, verlovings- en huwelijksovereenkomsten en wat verder als hiermee overeenstemmend hierop kan toegepast worden. 3e Wat eindelijk ook aangaande de hoogste leiding en het opzicht van de classis of synode bij de eerste verzameling en formatie van een Engelse kerk, als ook bij het beroepen van een dienaar of althans bij de goedkeuring van zoín door de kerk uitgebracht beroep, aldaar of ook overal in geheel Nederland, door de wet en de gewoonte vastigheid mag gekregen hebben, toch zien wij niet, hoe de kerkenraad van een bijzondere Nederduitse kerk aan dat recht komt, noch, welke vastgestelde verordening die kerkenraad zou bevelen, met de Engelse leden van de Nederlandse en Engelse kerk, hetzij met gelijke, hetzij met ongelijke macht en stemrecht tot de verkiezing samen te werken. Mocht ergens een verkiezing op zoín wijze volbracht worden, wij zouden niet willen beweren, dat daar het wezen van de beroeping gemist wordt, dat zij verre; slechts zouden wij wensen, dat ons een theologische bewijsvoering, of kerkelijke bepaling, of althans een aan onze kerken algemene of goedgekeurde handelswijze werd aangewezen, welke een zodanige vorm van verkiezing voorschrijft en die macht aan een bijzondere kerkenraad toekent: namelijk door het recht, dat zou voortvloeien uit de onmiddellijke nabuurschap, of door het recht van uitbreiding en het recht om ergens (laat mij het zo eens uitdrukken) een kerkelijke kolonie te vestigen of door welk ander recht dan ook. Als die toehoorders Nederlanders waren en bij een classikale correspondentie ingelijfd en daarmee tot ÈÈn lichaam verenigd waren, dan ja zou zonder enige twijfel overeenkomstig de kerkelijke verordeningen het recht van de beroeping aan de classis toekomen, maar dan nog slechts met toepassing van die beperkende maatregel, dat geen ander zou worden aangesteld, dan degene, die de toehoorders of leden van die vergadering vooraf bij meerderheid van stemmen zouden hebben aangewezen en verlangd, of dat zij een door de classis vooraf aangewezene en voorgestelde boven anderen voor zich uitkozen, zoals het voortdurende in acht genomen gebruik en de kerkelijke handelingen leren, dat men deze beperking moet toepassen. Men zie o.a. de handelingen van de Brielse synode van het jaar 1623, artikel 7, waar over de beroeping te Kralingen gehandeld wordt.

Dit zo antwoorden wij kort op het voorgelegde geval, hierbij de broeders, tussen welke dit geschilpunt ontstaan is, betuigende, dat zij toch van beide kanten het hunne mochten bijbrengen, om de oplossing hiervan te bespoedigen, vooral met het oog op de tegenwoordige tijdsomstandigheden, nu men in Engeland voor het stutten en vasthouden van de bisschoppelijke hiÎrarchie van niets meer te hopen heeft dan van het verachten en blameren van de classikale regering in Nederland en niemand die enigszins van de Engelse toestanden op de hoogte is, zal kunnen twijfelen, of zij, die dwepen met de bisschoppelijke regeringsvorm, ijverig partij zullen trekken van deze en dergelijke geschillen.

Utrecht, 23 April, 1641.

 

Gijsbertus Voetius, Theol. Professor aan de Academie te Utrecht.

Meinardus Schotanus, Theol. Professor aan dezelfde Academie.

Carolus de Maets, Theol. Professor aan de Academie te Utrecht.

 

Ý

Ve Vraag. Wordt de toestemming niet alleen, maar ook een formele en door feiten zich uitende Ûf voorafgaande leiding, Ûf wel een eerst later vol en goedkeuring en bevestiging van de overheid tot het wezen van de georganiseerde kerk vereist? Antwoord: Wat betreft de instemming of toestemming of althans een stilzwijgende toelating, zo geven wij dit toe bij een openlijk optredende kerk, welke zonder dit niet kan samenkomen en haar heilige handelingen uitoefenen, tenminste indien de overheid dit wilde verhinderen. Bij een in het verborgen optredende en heimelijke kerk ontkennen wij dit echter, want in dit geval moet die instemming noch afgewacht noch gevorderd worden. Wat aangaat de eerste Apostolische kerk, deze vergaderde niet alleen heimelijk maar is later ook openlijk uitgebroken, Hand 1, vergeleken met Hand. 2, 4, 5 en 6, zonder enige toestemming, ja, zelfs tegen het uitdrukkelijk verbod van de overheid (Hoofdst. 5). Maar die joodse overheden waren niet de enige of de hoogste of volstrekte, want er werd nog beroep overgelaten op een hogere, n.l. de keizer, ja, ook kon de vrijheid en toestemming verwacht worden van de oversten en bestuurders van de provincie (hoezeer ook tegen de wil en onder morren van de bijzondere overheid). Men zie Hand. 23, 24, 25 en 26. Dit voorbeeld hebben de eerste hervormde kerken in Nederland en in Frankrijk op verschillende plaatsen nagevolgd, daar zij nu eens verlof vraagden aan de hoogste, dan weer aan een lagere overheid. Voorts moet men onderscheid maken tussen de leiding, die aan de inrichting van een kerk voorafgaat, en die, welke eerst na haar inrichting volgt. Wat betreft de leiding, die voorafgaat en met gezag gepaard gaat, ontkennen wij, dat die aan de overheid toekomt. Op de vraag echter, of men een op de organisering van een kerk volgende en als het ware versterkend er bijkomende goedkeuring en bevestiging voor een publieke kerk aan de staat moet toekennen, is ons antwoord bevestigend. Dit toch is een macht, die aan de overheid ten aanzien van kerkelijke zaken eigen is en die wij nauwkeurig ontvouwen in de volgende verhandeling bij het beantwoorden van de vraag, bij wie de macht enz. berust

VIe Vraag. Wordt er noodzakelijk een vrije en uitdrukkelijke instemming, die men verklaart door een oprechte belijdenis van het geloof en een plechtige belofte, vereist zowel van allen, die het verbond aangaan bij de eerste stichting als van elk van hen, die als opvolgers van de oude leden pas aankomen, of wel, is een stilzwijgende of niet in woorden uitgedrukte belijdenis voldoende? Antwoord: Het eerste gedeelte van de Vraag bevestig ik, het laatste gedeelte ontken ik. En hiermee wordt tevens de steeds gevolgde gedragslijn van de Nederlandse kerken, die boven in Hoofdst. 1, ß6 door ons uiteengezet is, aangeraden en verdedigd. En wel 1e omdat, evenmin als een onbewust geloof in het hart voldoende is (zoals de onzen leren tegenover de pausgezinden), even zomin een onbewust geloof, waarvan men door woorden blijken geeft, dat is, een onbewust belijden van het geloof, zonder een opzettelijke en openlijke belijdenis voldoende is. Zie Rom. 10 v. 9 en 10; 1 Petr. 3 v. 15; Hand. 19 v. 1, 2, 3 en 8 v. 37; 1 Joh. 4 v. 2, 3 en 15. ñ 2e Omdat men zich met niemand mag verenigen tot een kerkelijke bond en vereniging, niemand tot die bond mag toegelaten worden, of tot die bond mag blijven behoren, die wij niet door het oordeel van de liefde oordelen te zijn heilig en een knecht Gods, een schaap van Christus en een zoon van het koninkrijk, gelijk blijkt uit de definitie en de kenmerken van de kerk. ñÝ Maar dit kunnen wij niet weten (1 Kor. 2 v. 11), tenzij hij zich zelf doet kennen, zowel door woorden als daden. Geen van deze beide wijzen om zich te doen kennen kan echter stilzwijgend en zonder een uitdrukkelijke verklaring gevolgd worden, tenzij het meer om de naam dan om de zaak te doen is, zodat men de naam van belijdenis aan iets geeft, dat geen belijdenis is. Wat betreft een verklaring door middel van vrome werken en godsdienstige handelingen, deze zal niemand onnodig vinden. Immers, indien er zulk een verklaring niet gegeven wordt, waaruit zal ik dan opmaken, dat iemand heilig en godvruchtig is? Want hier kan men het niet af met wat de rechtsgeleerden aangaande een goed of nuttig burger gewoon zijn aan te nemen: Iemand wordt voorondersteld goed te zijn, zolang men niet kan bewijzen, dat hij slecht is. Maar nog veel minder kan bij de belijdenis van het geloof deze valse sluitreden, die berust op waarschijnlijkheden, voldoende zijn: Iemand is van onze godsdienst en rechtzinnig, omdat nog niet gebleken is, dat hij lasteringen uitbraakt, of openlijk en standvastig voor de leer, dat er geen God is, voor afval of voor een afwijkende leer is uitgekomen. 3e Omdat de kerk is een geregelde slagorde van de legerplaats, het huis Gods, waarin alles met orde en regel moet geschieden, omdat zij is een staat en een op het zorgvuldigst ingericht college, zoals uit de Schrift bekend is. Het zou waarlijk geen geringe verwarring teweeg brengen, indien wij zonder onderscheid een ieder, die maar wilde, zonder keuze, inschrijving, verbintenis en belofte van instemming met alle statuten, kon toetreden of heengaan: iets, wat in vergaderingen, colleges, verenigingen, broederschappen, bondgenootschappen en samenkomsten van deze wereld zelfs niet geoorloofd is. 4e Omdat alle gelovigen moeten zijn een licht in de Heere: maar hoe zullen zij elkaar wederkerig als zodanig leren kennen, indien zij niet door een uitwendige belijdenis het licht van het evangelie voorhouden, Filip. 2 v. 15 en 16. Dit echter kan door een onuitgedrukte of potentiÎle belijdenis en een onuitgedrukte of potentiÎle aanneming en verklaring van het verbond even zo min plaats vinden als men licht kan verspreiden door een kaars, die onder de korenmaat is geplaatst. 5e Omdat verschillende ongemakken en ongerijmdheden hieruit zonden voortvloeien. Ten eerste zou de kerk, indien onbekende en van elders aankomende mensen zich zonder een uitdrukkelijke belijdenis en belofte bij haar voegden, in korte tijd evenals een visnet met slechte vissen, dat wil zeggen, met onrechtzinnige en gemene lieden vervuld worden. Ten tweede, omdat, indien althans allen zonder onderscheid toetraden, gelijk de mensen leden zijn van een staat en bekende en oude inwoners van een stad, hetzelfde nadeel te verwachten was, behalve, dat door die verwisselingen gelijkmaking van de staat met de kerk een ongelijksoortige vermenging en een monsterachtige gedaanteverwisseling hiervan gemakkelijk het gevolg zou kunnen zijn, waarop wij in het vorige hoofdstuk gewezen hebben. Ten derde zou daardoor het rijk van Christus (hetwelk niet van deze wereld is) gelijkvormig worden aan de wereldlijke rijken en staten, in welke een stilzwijgende en niet in feiten zich uitende overeenstemming van de jongere geslachten, die, door de oudere geslachten op te volgen, maken, dat het volkslichaam zijn bestaan kan voortzetten, voldoende is, om de opvolging in de heerschappij in een bepaalde familie te verzekeren, ja, wat meer is, al waren er sommige private mensen, die hun wil zouden willen doen gelden, zij zouden, hetzij dan willens of onwillens, gehouden zijn de rechten van de opvolging te erkennen. Maar geheel anders is het gelegen met de kerk van Christus, welke een gewillig volk is, Psalm 110. Ten vierde schijnt een zodanige mening en handelwijze de halflibertijns-burgerlijke of aan de wereld en aan het tijdelijke gelijkvormig gemaakte kerken te rechtvaardigen, van welke een proef en voorbeeld, dat met de goed geregelde kerken in Nederland rechtstreeks in strijd was, en waarvan de herinnering nog leeft bij onze ouderen van dagen, gegeven is door de vergadering, die in de zogenaamde Jacobikerk in onze stad gewoon was samen te komen, in welke vergadering, ieder, die er zo maar bijkwam, zonder enig onderscheid, desverkiezende aan het avondmaal deelnam, zonder dat er sprake was van een belijdenis van het geloof, belofte en verbintenis, zonder een bepaald type en vaste regel van geloofsleer en eredienst, zonder dat er een onderzoek gedaan werd naar leer en leven, zonder vaste orde, bestuur of tucht. Deze kerkvorm, die eigenlijk alle vorm mist, werd door alle Nederlandse kerken veroordeeld, welke zoveel wisten uit te werken bij de herders van die kerk en bij de Edelachtbaren Raad van deze stad, dat zij tot een vereniging en gelijkvormigheid met deze onze kerk, die toen zuiver gereformeerd was en de presbyteriale kerkvorm had, werd teruggebracht. Ik raad de jongeren, dit eens na te lezen bij de beroemde en ijverige Nederlandse geschiedschrijver Pieter Borre, deel 4. ñ Door de behandeling van dit vraagstuk komen wij tot deze gevolgtrekkingen: 1e Gevolgtrekking. Niet alle inwoners van een stad, die tot een zelfde wijk en nabuurschap behoren en in hun eigen kerken samenkomen, moeten zo maar tot de gemeenschap toegelaten worden, veel minder aangespoord worden, alleen om het feit, dat zij burgers en burgerlijke naburen zijn. 2e Gevolgtrekking. Toch kunnen en moeten zij allen en ieder in het bijzonder, hetzij op vastgestelde tijden of bij elke voorkomende gelegenheid, door geestelijke toespraak en vermaning van de dienaren en ouderlingen aangespoord worden, om op te gaan, n.l. om te horen, of, als ze reeds toehoorders zijn, om naar de behoorlijke orde en wijze hun naam op te geven onder degenen, die aangenomen wensen te worden, en om zich, na voorafgaand onderricht en voorbereidend onderzoek en na een plechtige belijdenis van het geloof gedaan te hebben, bij de kerk als lidmaat te laten inschrijven. Dat dit, overeenkomstig een prijzenswaardige gewoonte, in onze kerken geschiedt, hebben wij boven in Hoofdstuk 1 reeds opgemerkt.

VIIe Vraag. Is een stilzwijgende en onuitgedrukte of potentiÎle belijdenis en belofte van diegenen, welke in de kerk geboren en gedoopt, ja zelfs tot dusverre onder de toehoorders geteld zijn, voldoende voor hun opname? Ik antwoord: Neen, omdat de doopsgenade (zoals sommigen die noemen), en dat onuitgedrukte verbond, ja zelfs het inwendige zaad van de ware wedergeboorte daar aanwezig kan zijn, waar nochtans geen daadwerkelijke bekering en geloof, althans geen daadwerkelijke belijdenis van het geloof gevonden wordt. Gelijk derhalve de zodanigen gehouden zijn, zichzelf te onderzoeken, zo moet de kerk dit ook doen, zoveel zij maar kan. Men zie de Vragen 81 en 82 van de Catechismus.

VIIIe Vraag. Moet de belijdenis van het geloof en de plechtige belofte een duidelijk of uitdrukkelijk afzweren van de afvalligheid of van de ketterij of van de dwalingen, waarin iemand geleefd heeft, bevatten? Antwoord: Waarom zou zij niet? Zo wordt heden ten dage geen enkele jood in de gemeenschap van de kerk opgenomen zonder uitdrukkelijke verwerping van de joodse leer. Dit is ook de gewoonte bij het opnemen van Mohammedanen. Men zie de Thesaurus van Nicetas Chonitas, waar men het formulier van de afzwering vindt. Verder is dit bij ons nog de gewoonte bij het aannemen van Wederdopers, Remonstranten, Socinianen, pausgezinden en in het algemeen van hen, die uit andere sekten tot ons overgaan. Zij, die zich aan de kerkelijke aangelegenheden laten gelegen liggen, kunnen eens raadplegende Besluiten van de Zuid-Hollandse Synoden van de jaren 1619, 1623, 1628 en 1629 (bij welke het mij te beurt viel tegenwoordig te zijn) aangaande het aannemen en de wederverzoening van teruggebrachte Remonstranten, welke besluiten na veel en rijp overleg zijn vastgesteld. Welke alle geheel en al verschillen van een onuitgedrukte belijdenis. Ja zelfs de pausgezinden leggen een duidelijke afzwering van de dwaalbegrippen en een belijdenis van het geloof op aan de vroegere ongelovigen, de Griekse scheurmakers en de ketters (hier worden natuurlijk diegenen bedoeld, welke zij aldus noemen)[58]. Zodanige handelwijze (indien zij tenminste behoorlijk wordt toegepast) wordt ons geleerd door het voorbeeld van de Apostolische kerk, Hand. 19 v. 18 en 19.

IXe Vraag. Moet men ook openlijk betuigen, dat men van zijn zonden zal aflaten, ja, ook de eigen vroeger bedreven zonden belijden en een openlijke verklaring afleggen, dat men over die zonden berouw gevoelt? Antwoord: Wij vervatten ons antwoord in deze slotsommen: 1e Slotsom. In het algemeen is het volstrekt noodzakelijk, dat men van alle zonden, met name van het dienen van de duivel, van het vlees en van de wereld afstand doet, en dit vordert dan ook het formulier en de gewone handelwijze bij het aannemen van leden van de kerk. Men zie in de Oude Nederlandse LiturgieÎn het kort ondersoeck enz. aan het einde. Ook kunnen geen belijdenispredikaties (die bij ons aan de bediening van het avondmaal voorafgaan), noch een onderzoek van de aannemelingen plaats hebben, tenzij het derde deel van onze Catechismus doorlopen wordt, waar gehandeld wordt over de verbintenis tot dankbaarheid en nieuwe gehoorzaamheid. 2e Slotsom. Ook kan men in bijzonderheden afdalen en uitdrukkelijk en plechtig afstand doen van die zonden, welke op die plaats algemeen zijn en als een verderfelijke ziekte rondsluipen en die of een wapen zijn in de hand van tegenstanders en van hen, die geestelijk zwakker zijn, of gelegenheid bieden tot nog dieper zinken. Zo b.v. werd men in de oude kerk niet toegelaten, tenzij men afstand deed van het deelnemen aan optochten en schouwspelen[59]. Vandaar komt het, dat zelfs nog heden ten dage in sommige hervormde kerken die gewoonte wordt bewaard, dat allen, die op het punt staan toegelaten te worden tot de kerkelijke gemeenschap, een voor een moeten betuigen afstand te doen b.v. van het dansen (in onze [Utrechtse] en in andere kerken). Dit geschiedt n.l. daar, waar men vrezen moet, dat dit slechte gebruik, door de gewoonte van een plaats of de omgang met de pausgezinden, ook onze mensen besmetten zal. 3e Slotsom. In het algemeen en zonder in bijzonderheden te treden moeten de vroeger bedreven zonden beleden worden, zo de erfzonde als de dadelijke zonden, ook de onvolmaaktheden, welke iemand nog steeds aankleven, en waartegen men dagelijks te strijden heeft. Anders toch kan het onderzoek en de belijdenis van het geloof niet tot een einde gebracht worden, volgens de leer van de Catechismus, Vraag 5, 8, 12, 56, 60, 89, 114, 126, 127 en volgens het formulier voor de bediening van het avondmaal in de Nederlandse Liturgie. Hiertoe dienen de bekentenissen of zondebelijdenissen in de Franse, Nederduitse en Engelse liturgieÎn; en ook het gebruik, dat vroeger in de Paltz bestond[60] en nu nog in enige Nederduitse kerken bestaat, dat bij de belijdenispredikatie, die aan de viering des avondmaals voorgaat, behalve op andere vragen ook op die over de erkenning en het gevoel van zonden de gemeente met luide stem Ja antwoordt. En deze manier van handelen in de opname van ledematen is overeenkomstig aan de praktijk van Johannes de Doper en van de apostelen. Matth. 3 v. 6. Hand. 2 v. 37, 38 en 19 v. 18 en 19.ÝÝ ñ 4e Slotsom. Dat afzonderlijke personen, die tot leden van de kerk zullen aangenomen worden, hun vroegere zonden bij name en nauwkeurig in tegenwoordigheid van de gemeente of van de kerkenraad of van een dienaar belijden, is niet altijd nodig, en ook doorgaans niet nuttig. Hier moet men de gronden bijbrengen en toepassen, op welke men gewoon is de oorbiecht van de roomsen te bestrijden. Dat het echter wel eens in het een of ander geval en op deze of geen plaats zeer nuttig is, staat vast uit Hand. 19 v. 18 en 19, als men te doen heeft met schrikkelijke en openlijk bekende schanddaden, waarin iemand geleefd heeft, of wanneer de gehele wijze of bezigheid van iemands vroegere leven ongeoorloofd is geweest, of wanneer hij enige zonde of verschillende zonden ijverig gediend heeft overeenkomstig de regel en de levenswet van enig soort van afval of enige sekte, waarmee hij tot nu toe instemde, of wanneer de misdaden van die aard zijn, dat zij een mens voor de wereld en bij de burgerlijk eerbare lieden als geheel en al eerloos brandmerken. Zou b.v. indien een lid van de bloedraad, een vervolger van de kerk, of een inquisiteur, na het pausdom verlaten te hebben tot de gemeenschap van onze kerk wilde toetreden, zulk een niet naar het voorbeeld van Paulus 1 Tim. I v. 13; 1 Korinthe 15 v. 9; Hand. 22 v. 20 en 26 v. 9, 10, 22 openlijk deze zijn speciale zonde moeten belijden en betuigen, dat hij daarvan thans een afscheid heeft? En waarom zou men niet hetzelfde oordelen over een openbaren bordeelhouder, tovenaar, Godslasteraar, voorstander van het Epicurisme enz.? In de oude kerk werden geen toneelspelers en heidense priesters opgenomen, indien zij niet duidelijk hun verkeerdheden beleden en van zich wierpen[61].

Xe Vraag. Moeten zij, die op het punt staan in de kerk opgenomen te worden, de bijzondere wijze van hun bekering openlijk verhalen,Ý wanneer zij n.l. belijdenis afleggen van hun geloof? Antwoord: 1e Slotsommen. Ik ontken, dat dit regel en noodzaak zou zijn, 1e Omdat wij niet zien dat dit in de Schrift voorgeschreven wordt. 2e Omdat de omstandigheden, die het middel van de bekering waren, en datgene, wat het naaste aan de bekering voorafging en andere bijomstandigheden soms van die aard kunnen zijn, dat het niet dienstig is, die openlijk te verhalen, hetzij dan, dat men sommige broeders in gevaar zou willen brengen of wel onszelf, of van de kerk en de godsdienst de belaching van de vijanden op de hals zou willen halen. 3e Omdat dit niet zelden de belijdenis met zich zou brengen van verborgen dingen ten aanhore van mensen, welke hun die dingen verwijten kunnen, terwijl een belijdenis voor God voldoende ware en veiliger zou zijn. 4e Omdat wij geen enkele reden voor de noodzakelijkheid er van kunnen aanvoeren, tenzij de aannemeling dit doe, om op deze wijze uit die kentekenen aan de kerk of de kerkenraad de oprechtheid van zijn bekering te bewijzen. Maar wat zij hier ook verhalen en verklaren, toch blijft dit woord van de Apostel 1 Kor. 2 v. 11: Want wie van de mensen weet, hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand, hetgeen Gods is, dan de Geest Gods. Evenzo dat van Aristoteles in zijn werk peri ermeneiaV: wij kunnen niet in eens anders hart lezen. Zo is dus voldoende een algemene verklaring van berouw, geloof en bekering. 5e Omdat het gevoelen, dat zulk een verhaal noodzakelijk is, dit schijnt te veronderstellen, dat men n.l. altijd de bijzondere wijze van zijn bekering kan weten en verhalen, iets, wat niet in voldoende overeenstemming is met Joh. 3 v. 7 en 8. Er zijn er dan ook, die van hun kindsheid af wedergeboren zijnde, zonder een grote schokking en een plotselinge ommekeer, van hun jeugd af aan langzamerhand bekeerd zijn, zodat zij het vroegste begin en de wijze van ontstaan van hun bekering niet kunnen verhalen[62]. 2e Slotsom. Evenwel kan soms op het voorbeeld van Paulus, Hand. 22 en 26 zulk een verhaal plaats hebben, en dat wel openlijk, vooral dan, wanneer de wijze en omstandigheden van de bekering zeldzaam en buitengewoon zijn geweest, zodat men ze dan verhaalt tot roem van de goddelijke barmhartigheid en macht, tot aanbeveling van de waarheid en tot opbouwing of overtuiging van anderen. Zie het voorbeeld van Paulus Hand. 22 v. 6-21 en 26 v. 12-21. In de Levens der Heiligen wordt soms voor de gehele wereld de wijze verhaald, waarop zij van hun dwalingen of hun zondige leven bekeerd zijn. Ook schaamde een Augustinus zich niet, in zijn Bekentenissen zijn bekering van het ManicheÔsme en andere bijzonderheden aangaande zijn leven en zeden aan het licht te brengen.

XIe Vraag. Moet de belijdenis van het geloof en de belofte, d.i. die heilige verbintenis, door een plechtige eed en de ondertekening van een formulier bevestigd worden? Antwoord: 1e Slotsom. Dit is niet, hetzij overal, hetzij dikwijls, eenvoudig noodzakelijk: ook leert de Apostolische praktijk dit niet, 1e Omdat in de regel die plechtige belofte, welke voor de gehele kerk, of voor de kerkenraad en vele getuigen afgelegd is, voldoende zou kunnen zijn, vooral, wanneer zij geschiedt aangaande en in de dingen Gods voor Zijn ogen en in Zijn huis, d.w.z. de kerk. De eed nu is een einde van alle tegenspraak en is ingevoerd wegens de slechtheid van de mensen. 2e Omdat men zover mogelijk van zich moet houden die slechte gewoonte van de geestelijken in het pausdom, welke al te lichtzinnig hun zaak zoeken te bevestigen door het eisen van schrikkelijke vervloekingen en borgstelling van de ziel. 3e Omdat het gelovigen eigen is, dat zij onberispelijk, oprecht en eenvoudig zijn gelijk de schapen en duiven. Men moet zich derhalve wachten, dat door die overvloedige voorzorg en overmatige plichtsvervulling datgene, wat hun eigen is, niet enigermate in twijfel getrokken worde. 2e Slotsom. Het is echter niet eenvoudig ongeoorloofd, dat het geschiede tot overvloediger zekerheid of ter wille van tegenstanders of wegens buitengewone menselijke slechtheden, bedriegerijen en misleidingen of wegens enige andere rechtvaardige reden. 1e Omdat bij de vernieuwing en herstelling van het heilige verbond iets van die aard heeft plaats gehad 2 Kron. 15 v. 12, 13, 14 en 15 en Neh. 9 v. 38, en 10 v. 1-31. Waarom zou dit dus in het een of ander geval bij de eerste instelling van het verbond niet kunnen geschieden? 2e Omdat het bekrachtigen van de verklaring en de belofte door een eed bij het doen van de bekentenis en van de belijdenis van het geloof en bij het omhelzen van de kerk en haar zaak, geschieden kan naar het voorbeeld van Paulus 2 Kor. 1 v. 23; Rom. 9 v. 1. En dit voorbeeld hebben, na het verbonden te hebben met het voorbeeld van het volk Gods 2 Kron. 15 en Neh. 9 en 10, de Koning en de aanzienlijken in het Schotse rijk in het jaar 1581, alsmede de Franse kerken in de Nationale Synode van Alez van het jaar 1619 nagevolgd, in welke synode zij de leer van de Nationale Synode, die gehouden is in Nederland te Dordrecht, tegen de hedendaagse Pelagianen aannemen en bevestigen. En wederom is dit geschied door de aanzienlijken, de dienaren en het volk van het Schotse rijk in het jaar 1638 en onlangs in 1643 door de aanzienlijken, de dienaren en het volk in Schotland en Engeland, nadat deze rijken door een plechtig verbond waren verenigd[63]. 3e Omdat niet alleen mondelinge verklaringen voor de gehele kerk, maar ook als regel vastgestelde ondertekeningen van dienaren, ouderlingen en diakenen bij ons niet zonder reden verlangd worden, zodat het dus niet dwaas of ongeoorloofd zou zijn, zo in enig geval en wegens zo-even genoemde redenen een ondertekening van de leden van de kerk werd geÎist. 4e Omdat eden en ondertekeningen bij alle soorten van verbonden en samenkomsten van groot gewicht in gebruik zijn, en waarom zou dit dan ook niet geschieden bij heilige en kerkelijke aangelegenheden, zo althans de noodzakelijkheid het aldus vordert? Gevolgtrekking . Wij verwerpen hier de eed op de gehoorzaamheid aan de paus, en op het concilie van Trente; bovendien de afzweringen van de hervormde leer en kerk; verder de eed bij onderzoek, de ambtseed en in het kort alle eden, alle ondertekeningen, waarbij het heilige betrokken is, welke niet geschieden in rechtvaardigheid, waarheid en met oordeel.

XIIe Vraag. Is het beter, dat de kandidaten of aannemelingen hun belijdenis doen door een aaneengeschakelde rede, of wel, verdient het de voorkeur, dat het geschiede door een onderzoek, en door vragen en antwoorden, zoals in onze kerken het geval is? Antwoord: De laatstgenoemde wijze verdient over het algemeen en in de regel de voorkeur; indien er zich echter iemand voordoet, die zelf door een aaneengeschakelde rede zijn belijdenis kan afleggen en op de tegenwerpingen en navorsingen van anderen een afdoend antwoord kan geven, zo willen wij hem dit niet misgunnen noch er ons tegen verzetten. En wel, 1e omdat er op elke twintig of misschien veertig kandidaten nauwelijks een gevonden wordt, die dit op geschikte wijze kan doen. Zo men kandidaten voor de bediening van het Woord er toe kan brengen, het op deze wijze te doen, dar, is het voorzeker te prijzen, doch het is iets zeldzaams, dat eenvoudige aannemelingen of toehoorders een geregelde samenvatting en voorbeelding van gezonde woorden zo nauwkeurig, duidelijk en methodisch kunnen vormen, laat staan behoorlijk uitspreken. 2e Omdat op deze wijze de meesten en daaronder zelfs de vroomste lieden voor vele jaren, of misschien beter gezegd, voor hun gehele leven noodzakelijk moeten afgeschrikt en afgehouden worden van de belijdenis van het geloof. Men moet niet zijn best doen, dat de georganiseerde kerken leeg of bijna geheel geen kerken zijn, evenmin als het er van de anderen kant toe mag komen, dat zij een verzamelplaats van allerlei slag van lieden, een allegaartje en een zwijnenstal of een poel van onwetendheid, lauwheid, huichelarij enz. zijn.

XIIIe Vraag. Moet er niemand worden toegelaten dan alleen zij, die bij het onderzoek en de belijdenis van het geloof op de vragen met hun eigen woorden juist en nauwkeurig kunnen antwoorden? Antwoord. Neen. Want gelijk er in het rijk van de genade trappen zijn van gelovigen, zo zijn die er ook van de kandidaten, wat betreft hun kennis, geloof, voorzichtigheid, sterkte en andere deugden. Derhalve zullen diegenen, aan welke weinig talenten van kennis of van verklarend vermogen gegeven zijn en die zich toch leerzaam betonen, voor die gelegenheid met een oprechte verklaring, gegeven op de meeste of op zeer vele van de voorgelegde vragen, door middel van eenvoudige bevestiging of ontkenning, kunnen volstaan.

XIVe Vraag. Moet de plechtige belijdenis van het geloof, de belofte en de verbintenis volbracht worden in de algemene bijeenkomst of gewone vergadering van de kerk; Ûf in en voor de kerkenraad; ofwel afzonderlijk door middel van een dienaar, die hetzij voor een bepaald geval n.l. voor de aanneming van een bepaald persoon, hetzij tijdelijk voor de aanneming van allen hetzij voortdurend tot het verrichten van deze werkzaamheden door de kerk is afgevaardigd? Antwoord: 1e Slotsom. Dat het openlijk en in tegenwoordigheid van de gehele kerk plaats vind, hetzij na de belijdenispredikatie, hetzij na de voorbereidingspredikatie, hetzij in een andere bijeenkomst, die bepaaldelijk hiervoor is bijeengeroepen, schijnt 1e het meest met de handelwijze van Christus, Johannes de Doper en van de Apostelen overeen te komen, Matth. 3, Markus 1, Joh. 1, Hand. 2, 4, 13, 16 en 17. De 2e reden, om het op deze wijze te doen geschieden, is, dat het zo meer overeenkomt met de vrijheid en de macht, welke, als een bezitting waarop de gehele kerk gelijktijdig recht heeft, door Christus haar is toegestaan; welke n.l. hierin bestaat, dat deze en dergelijke handelingen niet plaats vinden zonder haar medeweten en goedkeuring[64]. De 3e reden is, dat de volwassenen, die zullen toegelaten worden tot de doop en de gemeenschap van de kerk, in de meeste kerken (vooral in die plaatsen, waar zich de sekte van de Wederdopers zeer heeft uitgebreid) openlijk in tegenwoordigheid van de gehele kerk worden onderzocht en hun geloof belijden. De 4e reden is, dat het van het begin in de meeste Nederlandse kerken aldus pleegt te geschieden, en ik herinner mij, dat die oude en vroegste gewoonte nog voor enige jaren ergens in zwang was. Hoe het tegenwoordig in de Duitse, Franse en andere kerken toegaat, is mij nu minder bekend en de tijd ontbreekt mij dit te onderzoeken. Dat deze gewoonte echter althans in de oude kerk reeds sedert de tijd van de Apostelen gedurende enige eeuwen is in acht genomen, staat vast uit datgene, wat wij opgetekend vinden aangaande het gebruik en de wijze van te dopen in de oudheid[65]. De 5e reden eindelijk is deze, dat het voor allen van belang is, de broeders en leden te leren kennen en bijgevolg ook kennis te nemen van hun belijdenis en aanneming. 2e Slotsom. Waar de een of andere kerk om redenen, gelegen in omstandigheden van plaats, tijd en personen, gewoon is, deze plechtige handeling in de kerkenraadkamer in tegenwoordigheid van de kerkenraad te voltrekken, daar moet hiervoor althans gezorgd worden, dat zij geschiede met open deuren en dat zowel voor de catechisanten als voor de gelovigen de toegang vrij staat, en dit om de volgende redenen: 1e Omdat alsdan de overeenkomst des te groter is met een belijdenis in tegenwoordigheid van een kerkelijke vergadering, die openlijk hiertoe verzameld is. 2e Omdat door dit ene werk velen zullen kunnen opgebouwd worden en God door de gebeden en dankzeggingen van velen verheerlijkt en de zaak van de kerk bevorderd kan worden. 3e Omdat dan die toehoorders, welke catechisanten en aannemelingen zijn, zich des te beter en zekerder voorbereiden tot de belijdenis van hun geloof, die zij te eniger tijd of aanstonds zullen afleggen. En dit is bij ons verreweg de rijkste vrucht daarvan. Heden nog houdt, naar ik meen, deze gewoonte in de Nederlandse kerken stand, althans van vele, waaronder ook deze onze kerk, [d. i. die van Utrecht] weet ik het zeker. 3e Slotsom. Waar de kerk om dringende redenen herhaaldelijk er in toegeeft, in het huis van de dienaar, of afgezonderd van de kerkenraad en de toevloed van toehoorders in de kerkenraadkamer door middel van een of meer afgevaardigde dienaren met een paar ouderlingen het onderzoek en de plechtige verbintenis te volbrengen (iets, wat echter, als het regelmatig en gewoonlijk geschieden zou, als verkeerd moet vermeden worden, opdat de voortreffelijker wijze, die zo even beschreven is, niet geheel en al tot ongewoonte worde, of de aanneming des persoons Jak. 2 haar troon bevestigt), daar moet vooral hiervoor gezorgd worden, dat er een paar ouderlingen bij tegenwoordig zijn, en wel 1e hierom, omdat de ouderlingen een deel uitmaken van de afvaardigende kerkenraad, niet minder dan de dienaren. 2e Omdat het de taak van de ouderlingen is, acht te geven op de ongeschonden zuiverheid van leer zowel van de dienaar, die het onderzoek instelt, als van het lid of van de catechisant, die belijdenis van het geloof aflegt[66]. 3e Omdat het de taak van de ouderlingen is, acht te geven op de regering en de goede gesteldheid van de kerk. Een goed deel toch van de regering bestaat in de verkiezing en de aanneming van leden. 4e Omdat men op deze wijze alle oligarchische begrippen, die misschien omtrent de regering van de kerk hetzij bij de dienaren of bij de leden mochten ontstaan, door deze behandeling en uitoefening van de regering zelf tegengaat. 5e Omdat het ook de ouderlingen zijn, aan wier zorg en toezicht en verschillende handelingen van huisbezoek, berisping en vermaning zij, die als leden van de kerk gesteld en aangenomen zijn, in het bijzonder worden toevertrouwd, zodat het ook billijk is, dat de ouderlingen bij de eerste toelating nauwlettend toezien, wat voor lieden wel aan hun toezicht worden toevertrouwd of zullen toevertrouwd worden. Het is toch schandelijker een gastvriend uit zijn huis te werpen dan iemand er als gastvriend niet in toe te laten. 6e Omdat men nauwelijks kan zien, op welke wijze in een dienaar dat meervoudige begrip kan gered worden, hetwelk de onzen met betrekking tot de regering van de kerk en tot de onderdelen daarvan zo streng vasthouden tegenover de voorstanders van de hiÎrarchie, waarbij zij steunen op 2 Kor. 2 en Matth. 18[67]. Ook zou dit een wapen in de handen van de ijveraars voor een hiÎrarchisch bestuur zijn, welke ons voor de voeten zouden kunnen werpen, dat bij de ijveraars voor de Presbyteriaanse leer de kerk niet minder in een dienaar opging, n.l. door afvaardiging of overdracht, en dat nog wel, waar het een voorname bestuurshandeling gold, dan zij bij de voorstanders van de hiÎrarchie opgaat in een bisschop. Hoezeer wij nu bekennen, dat hier een groot verschil zou zijn, zo dient men nochtans toe te zien, opdat niet de bedoelde overeenkomst, hoe groot of gering die dan ook mag zijn, ongemerkt in een vollediger navolging van de hiÎrarchie ontaarde. 7e Omdat op deze wijze zeer ver, zo niet geheel en al, afgeweken wordt van de apostolische praktijk, waarin deze dingen in tegenwoordigheid van vele getuigen (1 Tim. 6 v. 12) of van die gehele kerk (gelijk boven gezegd is) plaats vonden. 8e Omdat het zomin voor de dienaar als voor dat lid voldoende veilig schijnt, bij een zaak van zoÝ groot gewicht zonder getuigen op zich te nemen. Men denke zich b.v. het geval, dat de dienaar de belijdenis van dat lid lasterlijk vertolkt, of dat het lid later ontkent deze of gene delen van de orthodoxe geloofsleer te hebben beleden, dan zal voorzeker voor beiden hieruit een niet geringe moeilijkheid ontstaan. Immers, in de mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. 9e Omdat het bovendien een stilzwijgende aanval schijnt te zijn tegen het ambt van de ouderlingen en het zou zijn, alsof hun bediening nutteloos ware en door onze kerken kon worden gemist, niettegenstaande wij aangetoond hebben, dat het tegengestelde waar is[68]. En eindelijk, omdat, zo deze gewoonte in het verloop van de tijd vaste voet kreeg, het zou schijnen, te eniger tijd aanleiding te zullen geven tot de aanstelling van een dienaar voor de biecht, gelijk in de oude kerk het afnemen van de kerkelijke belijdenis van de boetelingen is overgegaan op een biechtvader voor de boetelingen, waaruit eindelijk de oorbiecht is voortgekomen. Men zie onder de pausgezinde tegenstanders over de oorbiecht Chemnitz, onderz. over de biecht, Deel 2.

 

 

 

Hoofdstuk 4. Vragen over de vereisten van de georganiseerde, zichtbare kerk

 

Vragen van de derde afdeling zijn: 1e Vraag. Of allen, die de kerk constitueren of in haar gemeenschap worden opgenomen, moeten uitmunten door uitnemendheid van kennis? Antwoord. 1e. Krachtens het goddelijk voorschrift moet worden vastgehouden, dat allen van overvloedige kennis moeten voorzien zijn. Filip. 1 v. 9, 10; 1 Kor. 2 v. 15; Hebr. 6 v. 1.ÝÝ 2e. Die eis mag hier echter niet worden op gevat als een voorwaarde, zodat nu allen, die van zodanige kennis ontbloot zijn, zouden worden uitgesloten. En wel 1. Omdat de kerk is het huis Gods en de school van Christus, de pilaar en vastigheid van de waarheid, de plaats, waar onkundigen worden onderwezen en de kinderen met melk gevoed. 1 Kor. 3 v 1; 1 Petr. 2 v. 1; Hebr. 5 v. 12. 2. Omdat de volmaakten in de kerk duidelijk onderscheiden worden van anderen, die niet volmaakt zijn. Filip. 3 v. 15; Hebr. 5 v. 13, 14. 3. Omdat verdraagzaamheid jegens de onkundigen, ja zelfs jegens de dwalenden wordt voorgeschreven. Filip. v. 15; Hebr. 5 v. 11, 12. ñ 3e Het minste derhalve is op zichzelf voldoende; dat wil zeggen, gelijk wat het geloof betreft een mostaardzaad voldoende is (Matth. 17, waarover men zie het traktaat van Perkins), zo is, wat de kennis betreft, voldoende een in eigen woorden gegeven duidelijke verklaring van het voorbeeld van de gezonde woorden en van de beginselen en van de melk (2 Tim. 1 v. 13; Hebr. 6 v. 2, 3; 1 Kor. 3 v. 2); of althans een verklaring van instemming, als door anderen deze dingen verklaard en voorgesteld worden, hetzij door hen, die mede belijdenis van het geloof afleggen, hetzij door de dienaren.Ý ñÝ 4e. Ik zou dus niet willen, dat onder de onvoorwaardelijk eisen werd opgenomen de kennis van alle delen van het kerkrecht of van de bestuursvorm van de kerk of van de kerkelijke bepalingen, hetzij in hun stellingen of veronderstellingen, hetzij theoretisch, hetzij praktisch. En het dunkt mij, dat dit verkeerd gedaan wordt door hen, die de eisen voor opname in het kerkverband zo hoog stellen. Doch hierover later. Want niet allen hebben zin voor bestuur, en niet aan allen in gelijke mate behoort de beoordeling en verzorging van de kerkelijke zaken en godsdienstige zaken en belangen, evenmin als van allen die onder de burgers van een staat zullen opgenomen worden een juiste en nauwkeurige kennis geÎist wordt van de wetten en vrijheden van die staat; noch van allen, die op een schip zullen varen, die bekwaamheid en inspanning, welke van de scheepskapiteins en matrozen geÎist worden. Indien men dit stelt onder de eisen voor het ambt van dienaar, zullen we zeker geenszins van een ander gevoelen zijn.

IIe Vraag. Of allen waarlijk, heilig moeten zijn? Antwoord: 1e. Niemand twijfelt, dat allen hiertoe in hun geweten voor God gehouden zijn. Hebr. 12 v. 4. ñ 2e. Ook moet de kerk niet opnemen of dulden hen, die door woord of wandel openlijk tonen onheiligen te zijn en grove huichelaars. Matth. 7 v. 6; 1 Kor. 5 v. 7, 11; Openb. 2 v. 2.ÝÝ 3e. Veel minder nog moet zij hen opnemen, die zich in dit leven een volmaakte heiligheid toeschrijven. Hoeren en tollenaars toch zullen eerder dan de zodanigen het koninkrijk Gods ingaan. Maar dit behoort tot de controverse over de volmaaktheid van de werken. 4e. Over hetgeen verborgen is oordeelt de kerk niet: evenmin als zij in twijfelachtige en verdachte zaken bevooroordeeld mag zijn overeenkomstig de voorschriften van de liefde. 1 Kor. 13 v. 4 en 5 vergeleken met 1 Petr. 4 v. 8. ñ 5e. Vlekken en vele zwakheden, die ze niet geschikt kan wegnemen, verdraagt ze met vrome en voorzichtige oogluiking, Gal. 5 v. 2, 5, ja zelfs laat ze soms toe, dat het onkruid groeit, totdat de dag het openbaart (1 Kor. 3), en de Heere de huichelaars het masker aftrekt en de bedrieglijke tongen uitroeit (Psalm 12).

De gronden hiervoor zijn deze: 1. Aldus doende volgt de kerk God na, die zoveel in de zijnen verdraagt; en de Zaligmaker Christus, die in zijn discipelen zovele onvolmaaktheden in geloof en liefde verdragen heeft; en de apostelen, blijkens de brieven aan de CorinthiÎrs en de Galaten. 2. Omdat de Heere zulks beveelt. Filip. 3 v. 18; Hebr. 5 v. 3. Omdat de heilige schrift onderscheid maakt tussen de volwassenen of mannen en de kinderkens, de volmaakten of geestelijken en de vleselijken, de eerstbeginnenden en de meer gevorderden, de oudgedienden of bevestigden of, sterken en de nieuwelingen. 1 Kor. 2 v. 6; Gal. 6 v. 12; Thes. 3 v. 15, 16; Hebr. 5 v. 11, 12, 13; 1 Kor. 3 v. 1, 2; 1 Petr. 2 v. 1; 1 Joh. 2 v. 20, 27 vergeleken met 1 Tim 3 v. 6. ñÝ 4. Omdat uit de tegenovergestelde bewering deze ongerijmdheid zou volgen, dat alle leden van het lichaam van Christus in alles gelijk zijn, en dat de gaven van alle gelovigen gelijk zijn, wat strijdt met 1 Kor. 12 v. 20-31; Rom. 12 v. 4, 5, 6. ñ 5. Omdat, indien dit gevoelen en deze praktijk veld won, ik volstrekt niet anders zie, dan dat men het zou moeten gewonnen geven aan de Novatianen, Donatisten en hedendaagse wederdopers; en dat men tegelijkertijd zou moeten verwerpen of ontzenuwen de uitnemende bewijsgronden van de rechtzinnigen tegen deze sekten, welke men kan nazien. ñ 6. Omdat op deze wijze niet zozeer christelijke kerken naar het voorbeeld van de apostolische kerken zouden schijnen gesticht te worden, maar veel meer zekere verenigingen van meer volmaakte richting en meer verheven graad, van gelijke aard als men voeger ook scheen te bedoelen, namelijk de verenigingen van de asceten en vervolgens van de monniken[69].

IIIe Vraag.Ý Of ze over godgeleerde en kerkelijke zaken allen in alles hetzelfde gevoelen moeten hebben? Antwoord: Alle gelovigen ieder naar zijn vermogen, eveneens alle kerken en alle kerkdienaren moeten dit trachten te bevorderen, dat al hun gelovigen en toehoorders hetzelfde gevoelen en hetzelfde spreken. 1 Kor. 1 v. 10. Dit is de eis van het voorschrift. 2e. Maar wij ontkennen, dat hier de eis als voorwaarde bestaat: zodat hij van de gemeenschap zou moeten worden uitgesloten, die in een feitelijke kwestie of in een ritueel of kerkrechtelijk geschilpunt of ook in enig dogmatisch vraagstuk of in de uitlegging van een tekst van de anderen verschilt. 1. Omdat hij, die op deze nauwkeurigheid zo aandringt, in strijd geraakt met Christus en de Apostelen, en hun leer en praktijk geenszins onduidelijk veroordeelt. Zie 1 Kor. 3 v. 1, 2; Filip. 3 v. 15, 16; Hebr. 5 v. 2, 12, 13Ý 2. Omdat daardoor het onderscheid wordt opgeheven tussen eerstbeginnenden, gevorderden en volmaakten. 3. Omdat alle verdraagzaamheid, vrijheid van profeteren en vereniging van de kerken daardoor wordt weggenomen. Hierover moet op de daartoe bestemde plaats, deel 3, opzettelijk gehandeld wordt.

IVe Vraag. Of allen, die zullen worden opgenomen, moeten zijn van enerlei karakter, ijver, neiging, en inzonderheid begaafd met een welwillende en zachte natuur in de onderlinge broederlijke gemeenschap en omgang? Antwoord. 1e. Het is wel wenselijk, dat ze zo zijn, en allen zijn hiertoe elk naar zijn mate in hun geweten gehouden. Men moet echter niet verwachten, dat het zo zal zijn. Veel minder moet dit als volstrekte noodzakelijkheid gesteld worden, zodat uitsluiting uit de kerkelijke gemeenschap volgen zou, indien hieraan niet beantwoord werd. 1. Omdat de kring van Christusí apostelen zonder die vooraf gevorderde volmaaktheid werd ingesteld. 2. Onze Zaligmaker zelf verdroeg hen, hoewel zij allerminst van gelijke gezindheid waren; want onder hen had hij Johannes als de meest beminnelijke het meeste lief. 2e. Omdat de apostelen deze voorwaarde niet stelden, en naar haar vervulling ook geen onderzoek konden instellen, toen zij kerken stichtten vooral als zij 3000 op ÈÈn dag opnamen. Zie Hand. 2. ñ 3e. Omdat de apostel niemand onder de dienaren van gelijke gezindheid als Timothe¸s had. Filip. 2 v. 20. Toch sloot hij de overigen van de gemeenschap van het ambt, of zelfs van de gemeenschap van de kerk niet uit. Want dat er ongelijkheid van aanleg, ijver en karakter tussen hem en de andere Apostelen, Evangelisten en dienaren geweest is schijnt toch geenszins onduidelijk uit Gal. 1 en 2; 2 Kor. 2 en Hebr. 15 besloten te worden. 4e. Omdat dezelfde apostel wist, dat er ongeschikte mensen in de kerken waren, welke hij verdroeg, God biddend om van hen bevrijd te worden, 2 Thess. 3 v. 2 vergeleken met Filip. 3 v. 18, 19. 5e. Omdat dit wel de eis is van een meer innige samenbinding en van de christelijke vriendschap, gelijk de zedeleraars en godgeleerden in het hoofdstuk over de vriendschap leren; niet echter van de broederschap of van de kerkelijke gemeenschap. En nu zijn vriendschap en broederschap noch tegenstellingen noch hetzelfde, gelijk vaststaat uit het voorbeeld van Christus, die onder de apostelen Johannes lief had, terwijl ze allen broeders waren, Matth. 23 v. 8 en uit het voorbeeld van Paulus Filip. 2 v. 20. 6e. Omdat deze ongerijmdheid anders schijnt te volgen, dat alle zwartgallige, stuurse, ongezellige karakters uit de kerkelijke gemeenschap zouden moeten geweerd worden, en alleen de joviale en gezellige mensen moesten worden aangenomen. Bovendien zou dan volmaaktheid in maatschappelijke deugden geÎist moeten worden in allen, die tot de gemeenschap van 't heilige zullen worden toegelaten. Het staat vast, dat dit zo dwaas mogelijk zou zijn. Want zij die allerminst beleefdheid, vriendelijkheid, gemakkelijkheid in de omgang, bevalligheid in manieren, hoffelijkheid en welwillendheid bezitten, munten vaak uit door andere gaven en oefeningen, die de wonderlijke en veelvuldige wijsheid tot de eer van Gods en het heil van de kerk Gods weet te gebruiken.

Ve Vraag. Moet men elkaar, voor men in kerkelijke gemeenschap treedt, of iemand in de gemeenschap opneemt, kennen, elkaars zedelijk gedrag onderzocht en doorzien hebben, en moet men tot dat einde gedurende enige tijd samenkomsten tot oefening van de vroomheid en vertrouwelijke omgang gehad hebben? Antwoord. 1e. Het is nuttig, ja zelfs nodig, dat de kerk nauwlettend acht geeft op degenen, die zij in haar gemeenschap zal opnemen; en tot dat einde moet zij, waar oorzaak van twijfel aanwezig is, nauwkeurig naar leven en leer dergenen, die opneming begeren, onderzoeken bij de buren en anderen, die hen kennen. En indien zij van elders aankomen, moet de kerk hen niet opnemen dan op vertoon van getekende bewijsstukken en openbare getuigschriften van de kerken; of, indien wegens vervolgingen en andere moeilijkheden geschreven getuigschriften niet vertoond kunnen worden, moeten ten minste eerst getuigen uit de gelovigen gehoord worden. En dit wordt algemeen in onze kerken in acht genomen. Maar indien van deze dingen wegens de te grote afstand van de plaatsen of om andere redenen niets verschaft kan worden, kunnen zij na behoorlijk onderzoek naar vroomheid en zuiverheid van handel en wandel met anderen, die opneming begeren, opnieuw zich aan een onderzoek onderwerpen, en een geloofsbelijdenis afleggen.

2e. Uitermate nuttig is het, dat de leden van de kerk elkaar zoveel mogelijk kennen, opdat ze aldus op elkaar acht nemen tot opscherping van de liefde en van de goede werken. Hebr. 10. En dit geschiedt altijd of meestal in minder talrijke kerken.

3e. Maar dat in grotere en meer talrijke kerken alle gelovigen ieder afzonderlijk nauwkeurig en in vertrouwde omgang de nieuwelingen doorgrond hebben, voor zij worden toegelaten, is nauwelijks mogelijk en ook niet noodzakelijk. Dit wordt bewezen door de praktijk van de apostelen. Want in de opneming van leden, en dat wel in zo grote getale, in de kerken van Jeruzalem, Korinthe, AntiochiÎ, Rome enz. is dit toen niet in acht genomen, en kon dit ook niet.

4e. Het is niet nodig, dat de getuigschriften en bewijsstukken, waardoor de nieuwelingen ieder afzonderlijk aan de kerkenraad hun zuiverheid in leer en leven bewezen hebben openbaar in de gehele vergadering van de kerk worden vertoond en onderzocht. Het is voldoende, dat de namen van de kandidaten in de kerk bekend gemaakt worden, na de belijdenispredikatie of de voorbereidingspredikatie (gelijk op sommige plaatsen pleegt te geschieden); of dat ten minste aan elk en een iegelijk lid van de kerk de toegang openstaat om de belijdenis aan te horen, welke zij in een vertrek van de kerk in tegenwoordigheid van de kerkenraad afleggen, en dat de gevraagde en bijgebrachte getuigen daar openlijk hun naam opgevende gehoord worden, opdat hun namen tegelijk met de namen van de kandidaten in het lidmatenboek worden ingevuld. Dit laatste heeft plaats in onze meer talrijke kerken. Dan toch zullen, indien door de getuigen of nieuwelingen de kerkenraad bedrogen werd, of de kerkenraad zelf onwaardigen onder het ledental heeft ingeschreven, de gelovigen tijdig genoeg tussenbeide kunnen treden en dit bewerken, dat na meer nauwkeurig onderzoek van de zaak geen onwaardigen tot het avondmaal worden toegelaten.

VIe Vraag. Is het nodig, dat gelovigen, die van elders aankomen, voor zij opnieuw worden toegelaten, aan een nieuwe onderzoeking onderworpen, op dezelfde wijze, met dezelfde graad van nauwkeurigheid en met dezelfde eisen als andere nieuwelingen. Antwoord.Ý Neen. 1e. Omdat hier volgens de gewoonte van de Nederduitse en Franse kerken getuigschriften voldoende zijn. Dit zou even erg wezen, als dat dienaren, die ergens 30 of 40 jaren in de bediening van het Woord gearbeid hadden, en dit met de nodige getuigschriften bewezen, opnieuw als studenten in de theologie, die pas uit de schoolse lucht van de academie komen, onderzocht werden: en dat wel, waar geen grond voor twijfel aanwezig was.

2e. Omdat het al te streng, zo niet dwaas zou zijn, zodanige gelovigen te onderwerpen aan een nieuwe onderzoekingen aanvragen en bedenkingen, die hun zouden worden voorgesteld, niet slechts door de dienaren, maar ook door ieder, die maar wilde, uit de schare van de gemeenteleden. Want om deze redenen zou een groot zo niet verreweg het grootste deel van de van elders komende gelovigen het aanzoek om gemeenschap vaak uitstellen, ja zouden sommigen zelfs door dat uitstel tot afstel komen. Andere ongeriefelijkheden zal ik nu voorbijgaan.

VIIe Vraag. Behoort het tot het wezen van de kerk, of is het althans een noodzakelijk vereiste, dat alle leden van de kerk zoveel mogelijk op een plaats verenigd zijn? Antwoord. 1e. Gelijk dit het gemakkelijkst is, zo moet dit ook in 't algemeen worden in acht genomen, dat de kerk worde geconstitueerd uit leden, die zo dicht mogelijk bij elkaar in een plaats hetzij dorp of stad wonen. 1. Omdat de praktijk van de apostolische kerk dit aanbeveelt. Immers lezen wij niet, dat de inwoners van Kenchrea waren ingeschreven in de kerk van de CorinthiÎrs of omgekeerd. 2. Omdat men op die manier wederkerig het gemakkelijkst op elkaar kan toezien tot opscherping van de liefde en van de goede werken (Hebr. 10), en anderen een voorbeeld geven of aan anderen een voorbeeld kan nemen 3. Omdat men op die wijze elkaar het best kan aansporen, troosten en opbouwen (1 Thess. 5 v. 11, 14) en dat wel dagelijks (Hebr. 3 v. 13). 2e. Het moet daarom niet goedgekeurd worden, indien zonder wettige noodzakelijkheid burgers, bijvoorbeeld van deze onze stad, met voorbijgang van de eigen kerk, zich lieten inschrijven in de kerk van een naburige stad of van het naastbij gelegen dorp en omgekeerd. 1. Omdat dit lastig is, en het te kort schiet in de meeste zaken, die op de kerkelijke gemeenschap betrekking hebben, tot genot waarvan de Heere voornamelijk de kerkelijke verzamelingen en verenigingen heeft ingesteld[70]. 2. Omdat dit voortbrengt verwarringen, twisten en geschillen van de leden en van de kerken onderling; de goede orde, de eendracht en de kracht en werking van de kerkelijke tucht wegneemt. Hier komt het vandaan, dat de oude canones de overgang tot en het hoger beroep op andere kerken zowel van de private gelovigen als van de geestelijken verboden hebben. Men zie daarover de canones van de Afrikaanse kerk, 23, 28, 54, 105, 123, inzonderheid de canones en handelingen van het concilie van Carthago, gehouden in het jaar 419, door welke synode een synodale brief gericht werd aan Bonifacius, bisschop van de kerk van Rome, waarin wordt aangetoond, dat het niet geoorloofd is van de overzeese Afrikaanse kerk in hoger beroep te komen bij de stoel van Rome. De constituties, de besluiten en de praktijk van de Nederlandse kerken verbieden absoluut elke overgang van de ene kerk tot de andere, hetzij van dezelfde of van verschillende taal, zonder verlof en ontslag of een schriftelijk getuigen is van de kerk van welke men lid is. Wat inzonderheid plaats heeft met het oog op die overlopers, op wie de plicht van berisping of tucht wordt uitgeoefend. 3. Omdat dit een scheurziek en sektarisch karakter draagt, of naar vleselijke nieuwsgierigheid, zelfgenoegzaamheid, trotsheid en hoogmoed riekt, op gelijke wijze ongeveer als het was in de kerk van Korinthe. 1 Kor. 1 v. 12 en 1 Kor. 3 v. 3. ñÝ 3e. En indien in enig geval om dringende redenen aan een of meer moet worden toegestaan, dat ze zich laten inschrijven in een kerk buiten de plaats van hun inwoning, of van tevoren in die kerk ingeschreven zijnde in haar blijven, hoewel ze naar een naburige stad of een naburig dorp verhuisd zijn, dan is het nodig, dat dit geschiedt in overleg met en onder toestemming van elke van beide kerken. 4e. Het is een geheel andere zaak, wanneer de kerken niet van een belijdenis zijn, of ten minste zo verschillen, dat de voordelen van plaatselijke tegenwoordigheid en plaatselijk samenwonen moeten worden achtergesteld bij de rust van het geweten en een zekerder en meerder stichting. Hierover moet elders opzettelijk gehandeld worden, en beneden zullen we dit punt terloops aanstippen. 5e. Waar de gelovigen van de voordelen van samenwoning in elkaars nabijheid geen gebruik kunnen maken, moeten de grenzen van die kerk geen maatstaf van afpaling zijn, zodat allen die buiten het kerspel, de stad of het dorp wonen, van haar zouden worden uitgesloten, evenmin als in haar moeten worden samen gevoegd zovelen als daar wonen. 1. Omdat de plaatselijke aangelegenheid en de burgerlijke samenwoning voor de kerk iets uitwendigs en bijkomstigs is, en derhalve niet behoort tot haar gesteldheid en haar wezen. 2. Omdat dit niet is een noodzakelijk vereiste. Immers de handelingen van kerkelijke gemeenschap kunnen toch tussen die leden worden uitgeoefend, al is het niet op zo spoedige, overvloedige, gemakkelijke en uitnemende wijze. Het meer en minder toch wijzigt de soort niet. 3. Omdat de toestand van een heimelijke en door vervolgingen, ketterijen en scheuringen in beroering gebrachte kerk meestal iets van die aard vereist. 4. Omdat het gemis van andere gelovigen of kerken en dienaren in de meeste plaatsen de gelovigen niets anders overlaat, dan dat zij tot dit noodschip hun toevlucht nemen, daar ze toch van de gewone scheepsgelegenheid geen gebruik kunnen maken.

VIIIe Vraag. Kan enige kerk door politiek gezag of staatswetten gedwongen worden, om enig lid op te nemen, dat zij beweert omwille van de consciÎntie niet te kunnen opnemen, of om die allen zonder onderscheid op te nemen, die wettig zijn toegelaten tot het getal van de burgers van die stad? Antwoord. Een christelijke overheid moet dat aan de kerk niet opleggen; en de kerk, indien het al wordt opgelegd, moet dit niet dulden, maar de gulden regel van Hand. 4 en 5 voorhouden, ìdat men Gode meer moet gehoorzaam zijn dan de mensen."

IXe Vraag. Of de kerkelijke verbinding, waarvan wij boven melding gemaakt hebben, nodig is? Antwoord. Over deze zaak bestaat tegenwoordig tussen sommigen geschil. Ons dunkt echter, dat de uiteenlopende gevoelens gemakkelijk tot overeenstemming kunnen gebracht worden, indien maar gemaakt worden drie onderscheidingen, van welke de eerste is de onderscheiding tussen het meer en het minder in uitwendige gestalte naar buiten treden (explicitum). Evenals wij een onderscheid maken tussen de kerk van Christus, die op deze aarde meer, en die welke op deze aarde minder waarneembaar of zichtbaar is. Want gelijk niet kan worden aangenomen, dat de katholieke kerk op deze aarde volstrekt, geheel, overal en bij allen, naar al haar delen, naar haar gehele gestalte en inrichting onzichtbaar is; of dat het ware geloof in het hart en de mond van de gelovigen geheel en volstrekt als onder bedeksels wegschuilt (esse implisitam); zo kan ook niet worden aangenomen, dat de kerkelijke verbinding, wat de volwassenen betreft, in een bijzondere en georganiseerde kerk eenvoudig en geheel voor het oog verborgen (implicitum) is.

De tweede onderscheiding is die tussen de algemene en tot het wezen behorende eigenschappen enerzijds, en de bijkomstigheden, de toevallige zaken, en bijzonderheden van de verbintenis anderzijds; waarvan de eerste tot het wezen, de laatste tot het welwezen, ja enige soms tot het overtollige en overbodige behoren. De verbintenis, en wel een, die meer of minder door uitwendige gestalte zichtbaar is, mag, wat het wezen en de zaak op zich zelf beschouwd, betreft, bij goed georganiseerde of gereformeerde kerken niet ontbreken. Indien ergens een gebrekkigheid is of tot nog toe geweest is, moet deze worden verholpen, op zijn minst genomen naar het voorbeeld van de Franse en Nederduitse kerken. Evenals de Franse, Hollandse en andere GereformeerdÈn de kerken, die ergens zonder kerkelijke tucht en censuur bestaan (zij, die de strijdschriften over de Excommunicatie van Beza et Erastus gelezen hebben, weten, welke kerken ik bedoel) niet van de lijst van de Gereformeerde kerken schrappen, maar toch hun gebrekkigheid in deze dele niet goedkeuren, noch er voor strijden met vele woorden tegen hen, die op betere dingen aandringen. Zo men vraagt, welke de bijkomstigheden en toevallige bestanddelen of die, welke tot het welwezen behoren wel zijn, wijs ik die hier in het kort aan: 1e. Dat zij die toegelaten zullen worden zelf in tegenwoordigheid van de gehele kerkelijke vergadering de geloofsbelijdenis afleggen, en in het verband van de kerk treden. Hierover hebben wij vroeger in hoofdstuk 3 gesproken. 2e. Dat zij de belijdenis van hun geloof en de verklaring van hun toetreden tot het kerkverband afleggen in een door hen zelf gemaakte en aaneengeschakelde rede, en die belijdenis bovendien bij geschrifte en door handtekening en ook met ede bevestigen. Hierover is boven gehandeld. 3e. Dat de aannemelingen eerst privaat onderzocht worden voor zij worden toegelaten tot de publieke belijdenis van het geloof in tegenwoordigheid van de gemeente. Het is veel beter en veiliger dit te doen, opdat niet de toetredenden afwijzing ondervinden wegens onwetendheid. En dit is aldus gebruik in de best georganiseerde kerken ten onzent. Echter is het niet een essentieel of noodzakelijk vereiste; want het kan worden nagelaten wanneer iemands kennis aan een van de dienaren of ouderlingen genoegzaam en overvloedig gebleken is. 4e. Dat zij, die tot de kerkgemeenschap zullen worden toegelaten, eerst door een bijzonder en gemeenzaam verkeer aan andere leden van de kerk meer van nabij bekend worden, opdat die zouden kunnen getuigen, dat zij niet zijn dwazen, lastigen, aanmatigenden, heerszuchtigen, huichelaars en veinzaards in alle dingen, van wie twisten, verwarringen, scheuringen en ergernissen schijnen gevreesd te moeten worden. Dat die overvloedige voorzorg overal worde aangewend kan gemakkelijker gewenst dan verwacht worden. Intussen zouden we haar niet als overal geldige en volstrekt noodzakelijke voorwaarde willen toelaten, zodat uitsluiting van de gemeenschap bij niet vervulling van die voorwaarde het gevolg zou zijn, hoezeer overigens voortreffelijkheid in leer en leven de toelating tot de gemeenschap vorderen zou. 5e. Dat hij, die zal toegelaten worden, de kerkelijke gemeenschap en de opname in het kerkverband zelf moet verlangen en begeren, en dit zijn verlangen aan een van de ouderlingen kenbaar maken. En indien men dit dan zo verstaat, dat de catechumeen of aannemeling het eerst uit eigen inzicht en eigener beweging zich moet aanbieden, verwijs ik dit in elk geval tot het overbodige en overmatige. Hoe? Zouden de dralenden en zij, die naar niets van die aard verlangen, niet moeten worden opgewekt, gelokt, overgehaald, op geestelijke wijze in het nauw gebracht en als vissen in een fuik tijdig en ontijdig gelokt? Dit te doen leren ons de Apostel in de brieven aan Timothe¸s en Titus en de schrijvers over het ambt van de Evangeliedienaar, en de onder de Hollanders als man van de praktijk uitmuntende Willem Teelinck in zijn ìNoodzakelijk betoog" en de praktijk van alle goed georganiseerde kerken. Er zijn nog andere voorwaarden of vereisten van het verbond, die niet zozeer bijkomstig zijn, als wel overvloedig, zo niet tegenstrijdig. 1e. Dat men de wijze van zijn bekering verhaalt, hetwelk wij boven reeds kort in afkeurende zin hebben aangestipt. 2e. Dat alle leden van de kerk tegen dit verhaal en deze geloofsbelijdenis hun bedenkingen en tegenwerpingen te berde brengen, waardoor, indien hij naar hun wens en oordeel niet voldoet, zijn opneming in het kerkverband en in de kerkelijke gemeenschap zou worden uitgesteld. Het is er zover van verwijderd, dat dit een overal geldige en algemene eis behoort te zijn, dat het zelfs niet weinig gevaarlijk, zo niet dwaas schijnt te zijn. Zo ergens een Doctor in de theologie of een dienaar moest worden onderzocht, zou ik in zodanige wijze, ja in een zelfs nog strengere wijze van onderzoek gemakkelijk toestemmen. Vergelijk, wat wij boven gezegd hebben. 3e. Dat het verband met de kerk niet worde losgemaakt zonder de toestemming van die kerk. Hier moet men onderscheiden de onmiddellijke van de middellijke losmaking, die namelijk het gevolg zijnde van iets anders hiermee gepaard gaat. Deze heeft plaats, wanneer iemand naar eigen goedvinden besloten heeft naar een andere plaats te verhuizen, van welke verhuizing het gevolg is, dat de feitelijke en door daden zich uitende gemeenschap in en met die bijzondere kerk ophoudt. Deze mens, vrij zijnde, is aan het goedvinden en oordeel van geen kerk onderworpen; en hetgeen op dit leven betrekking heeft en op het tijdelijke staat buiten de rechtstreekse bemoeiing van de kerk. Tenzij men met de Roomsen de kerkelijke eenheid en macht uitstrekt tot alle wereldse zaken, waarbij dan natuurlijk (zoals zij zeggen) aan de geestelijke de voorrang behoort. Wederom moet men onderscheiden tussen algehele losmaking van de band van de gemeenschap met alle kerken van dezelfde belijdenis, en die, welke slechts een losmaking is met betrekking tot ÈÈn kerk, en slechts van toepassing is op de gelovigen van die plaats, uit welke men verhuist. Aangaande de eerste losmaking stem ik toe, wat geÎist wordt, aangaande de tweede allerminst. De verlating, die gepaard gaat met opzegging en scheiding of afscheiding is een andere dan die door verandering van woonplaats geschiedt, evenals wanneer men in hetzelfde huis van de ene kamer in de andere gaat, of in dezelfde stad van het een huis in het andere. De eerste is onmiddellijk aan het oordeel en de macht van de kerk onderworpen, de tweede allerminst. Want hij, die van de ene kerk naar de andere verhuist, scheidt zich niet af van Christus en de kerkelijke gemeenschap. Maar wel doet hij dat, die door verhuizing alle uitwendige gemeenschap met de kerk opgeeft, of zelfs tot de sekten overgaat. Er zijn nog andere dingen, welke mij in deze strijdvragen over het kerkelijk verband twijfelachtig voorkomen, en die door het maken van onderscheidingen een bevredigende oplossing moeten erlangen. Maar over deze dingen moeten, in het bijzonder vraagstukken gemaakt worden, om zo hun oplossing te erlangen.

Xe Vraag. Is dit kerkelijk verbond zo noodzakelijk, dat zonder hetzelve geen zichtbare en georganiseerde kerk bestaan kan?

Antwoord. De bedoeling van deze vraag is natuurlijk, of het noodzakelijk is als een tussenkomend middel, dat niet kan gemist worden, en niet alleen maar, of het noodzakelijk is ter voldoening aan een voorschrift; of het noodzakelijk is voor het wezen en niet slechts voor het welwezen van de kerk. En dan zou het voorzeker hard zijn overal, waar nog steeds zodanig door feiten zich uitend verband in een verwarde toestand van de kerk niet aanwezig is, alle bestaan van een kerk, of althans enige overblijfselen ervan volstrekt te ontkennen. Maar bij deze strijdvraag moet het gebied van het algemene en meer bespiegelende worden verlaten. Om over te gaan tot het meer bepaalde (ter zake kundigen genoeg bekend) zeggen wij, dat in een door feiten zich uitend kerkverband moeten onderscheiden worden de algemene en tot het wezen behorende bestanddelen van de toevalligheden, bijzonderheden en bijkomstigheden. De laatste worden niet noodzakelijk vereist, de eerste echter gelden op zijn minst als eis bij de herstelling van een tot hiertoe ongeordende, gebrekkige of in beroering gebrachte kerk, waarover later.

XIe Vraag. Is dit kerkelijk verbond onderscheiden van het verbond, dat de mens aangaat of opnieuw aangaat met zijn God? En indien het voor een verschillend verbond gehouden wordt, kan het dan ook gezegd worden een zaak van goddelijk recht te zijn?

Antwoord. Het geschil schijnt hier door het maken van onderscheidingen te kunnen worden opgelost. 1. Gelijk de zichtbare kerk in wezen niet verschilt van de onzichtbare, noch het ware geloof van het hart van ditzelfde geloof met de mond beleden zijnde, noch het uitwendig geopenbaarde en van ouder op kind overgeleverde Woord van God, van ditzelfde Woord zoals het later door de Profeten en Apostelen beschreven is, hoewel zij wat vorm en bestaanswijze betreft in minder belangrijk opzicht onderscheiden worden, zo verschilt ook niet het verbond, innerlijk in het geweten met God en in gemeenschap met de onzichtbare en mystieke kerk aangegaan, van ditzelfde verbond, uitwendig en plechtig door inachtneming van zekere nodige formaliteiten aangegaan om daardoor tot intreden in het verbond en de gemeenschap met een zichtbare en particuliere kerk te komen. 2. Op hoedanige wijze zij dezelfde mogen zijn of onderscheiden worden (want het schijnt dat over die termen niet zozeer moet getwist worden), men kan zeggen, dat dit kerkelijk verbond als zodanig middellijk een zaak is van goddelijk recht, niet direct of onmiddellijk, en dat het aldus het geweten bindt of niet bindt. Wederom kan men zeggen, dat het wat het wezen betreft, of absoluut, op zich zelf, als zodanig en voorwerpelijk beschouwd, onmiddellijk, een zaak is van goddelijk recht; maar dat het wat de omstandigheden betreft, en de toepassing op een bepaalde, afzonderlijke vergadering en bepaalde broeders, met betrekking tot bepaalde mensen op een bepaalde plaats en op een bepaalde tijd, met en onder een bepaalde, uitwendige formaliteit, plechtigheid en wijze van belijdenis of verklaring niet een zaak van goddelijk recht is, maar dat de wil van mensen en de verordening van de kerk tussenbeide treedt. Geenszins anders dan zou moeten geantwoord worden, indien gevraagd werd, of bijv. het huwelijk van Titius met Caja, de kerkelijke beroeping van N. naar die en die kerk, de macht en het gezag van N. als dienaar, de bijzondere verordeningen van de Utrechtse kerk, behoorlijk en goed toegepast, de rechtvaardige wetten in zekere staat, en andere dergelijke dingen zaken van goddelijk recht zijn en of iemand omtrent die zaken gewetenshalve enige verplichting heeft.

XIIIe Vraag. Of het kerkverband, in enige stad of provincie door de voorgangers eenmaal ingesteld en aangenomen, bindt, en dienovereenkomstig alle nakomelingen en opvolgers aan dat verband en die uitwendige orde voor de uitwendige rechtbank van de kerk (om zo eens te spreken) onderwerpt, zonder dat tussenbeide treedt de vrije wilsuiting en toestemming van de enkele personen?

Antwoord. 1. Ik geloof niet dat iemand wil, dat de afzonderlijke geslachten van de mensen de kerk van die plaats, door ouders en voorgangers gesticht, ontbinden, en opnieuw het kerkelijk lichaam naar stof en vorm constitueren, of zonder noodzaak veranderen; want het is voldoende, dat men het verbond met de daarbij behorende formaliteiten door het zich aansluiten en onafgebroken toetreden van nieuwe bondelingen doet voortduren, die metterdaad stilzwijgend, ja zelfs ook uitdrukkelijk, genoeg tonen, dat die georganiseerde kerk en het door haar aangenomen verband door hen als goed wordt aangenomen.

2. Krachtens geboorte in enige provincie of stad of enig dorp of door een privilegie of staatswet wordt niemand formeel opgenomen en moet ook niemand opgenomen worden in de vereniging en het verband van die plaatselijke kerk. Want het koninkrijk van Christus is niet van deze wereld, en dat de vrijwillige toestemming en de geloofsbelijdenis hier tussenbeide treedt is boven (in hoofdst. 2, vraag 2 en 10, en hoofdstuk 3, vraag 4 en 5) bewezen. Ofschoon geboorte, opvoeding en het wonen in die plaats bijna altijd vooronderstelling en onafwijsbare voorwaarde van dat verband is.

3. Noch zijn ze krachtens geboorte uit ouders, die ledematen zijn, en krachtens hun doop in die kerk opgenomen. Zoals wij onderscheiding makende boven bepaald hebben op de pas aangehaalde plaatsen.

4. Het is echter zeker, dat die allen, in het bijzonder die, welke in de kerk geboren en gedoopt zijn, voor de rechtbank van hun geweten en voor God gehouden zijn, om door een uitwendige verbintenis, behoudens de daarvoor te stellen voorwaarden, in het kerkverband te treden, en dit middel tot bewerking en bevordering van hun zaligheid zonder aarzelen aan te nemen.

5. In geval van een bederf van de kerk, dat zo groot is, dat men zich van haar moet afscheiden, of zich zolang van een verbond met haar moet onthouden, is uit wat wij uiteengezet in de Desparata Causa Papatus (boek 3, afdeling 3) duidelijk gebleken, dat niemand, hoewel hij gedoopt en opgevoed is in die kerk, gehouden is, om voor zijn aandeel door zijn toetreden de opvolging te doen voortduren.

XIVe Vraag. Op welke wijze is het kerkverband noodzakelijk? Antwoord. 1e Slotsom. Het is niet noodzakelijk als een noodwendig middel tot zaligheid; wijl de door feiten zich uitende gemeenschap met een bijzondere en zichtbare kerk in die zin niet noodzakelijk is. 2e Slotsom. Nodig als noodwendig middel tot uitwendige gemeenschap met een zichtbare kerk is enig verband, dat ten dele verborgen en stilzwijgend is, ten dele uitdrukkelijk door feiten en woorden zich uitend. 3e Slotsom. Het is nodig voor het welwezen dat is, het is dienstig voor de behoorlijke kerkelijke gemeenschap en voor de wederkerige opbouwing, dat op zijn minst zodanige uitdrukkelijke belijdenis en zodanig door feiten zich uitend verbond bewaard worden, als wij boven verhaald hebben, dat in de best of althans tamelijk wel geordende kerken bewaard worden. 4e Slotsom. Echter zouden wij deze door ons geÎiste vorm, veel min die meer nauwkeurige en met meer moeite verbondene, waarop heden ten dag door enige wordt aangedrongen (naar welker eisen wij een weinig vroeger een onderzoek ingesteld hebben), niet zo volstrekt noodzakelijk willen stellen, dat kerken, die tot hiertoe van die vorm ontbloot zijn, ons geenszins als kerken zouden gelden; dat haar leden geen leden zouden zijn; en dat dientengevolge al die kerken, zowel wat stof of lichaam als wat gestalte of vorm betreft, moesten vernietigd worden, of indien dit niet gedaan werd, dat buiten die kerken (zo niet tegen over haar) door sommige leden, die er zich van afscheidden, en bij wier getal anderen uit andere plaatsen zich voegden nieuwe en afgescheiden kerken in dezelfde stad of hetzelfde dorp moesten worden opgericht. De gronden hiervoor zijn. 1. Omdat die uitwendige vorm van geloofsbelijdenis, belofte en toelating tot de gemeenschap van de kerk in de grond van de zaak wel goddelijk is, maar wat haar zuiverste vorm en uiterste volkomenheid betreft is ze kerkelijk; want ze is de toepassing op de bijzondere omstandigheden van personen, plaatsen en tijden, en dat wel door tussenbeide tredende vrije overwegingen en kerkelijke verordeningenÝ welke onder bepaalde voorwaarden veranderd kunnen of van welke in geval van noodzakelijkheid vrijstelling en dispensatie kan gegeven worden. 2. Omdat aan dusdanige canonieke formaliteiten, al zijn zij ook geoorloofd, ja zelfs uitnemend goed, het wezen van de kerk en daarmee tevens het wezen van de gemeenschap van de heiligen, niet zo nauw moet gebonden worden. 3. Omdat wij na de wegwerping van de canonieke formaliteiten van het Pausdom, ja zelfs van die van de oude kerk zelf (gelijk zij in het wetboek van de katholieke kerk voorgeschreven worden) en na haar statuten gelaten te hebben voor hetgeen zij zijn, en nadat de vrijheid bevestigd is, en de apostolische eenvoud zo zorgvuldig mogelijk hersteld is, - omdat wij na dat alles niet langs omwegen naar dezelfde of gelijke afgronden de schreden moeten richten, en het juk van een nieuw kerkelijk gezag en van kerkelijke verordeningenÝ zo gestreng opleggen, dat wij de schijn op ons laden niets aan het oordeel en de vrijheid van andere kerken, zelfs niet in bijkomstige zaken over te laten. 4. Omdat deze ongerijmdheid en moeilijkheid hieruit schijnen te volgen, dat men op staande voet van die kerken moet wijken, welke die uitwendige vorm van verband en die meest ongerepte zuiverheid niet hebben. Ik kan hier niets anders in zien dan een weer opgraven van het Donatisme, en een versnijden van de kerken in zeer kleine delen, ja zelfs tot gruis worden toe, op de wijze van de Anabaptisten (welke wijze van handelen echter heden bij hen zeer in onbruik geraakt, en verbeterd wordt). 5e Slotsom. Echter is krachtens goddelijk voorschrift elk in zijn geweten gehouden het meest volmaakte en nauwkeurige in deze zaak na te streven en te bevorderen volgens Filip. 3 v. 15; Hebr. 6 v. 1; 2 Kor. 2 v. 2, 3.

XVe Vraag. Is het derhalve geoorloofd te verhuizen en over te gaan uit de ene kerk in een andere meer volmaakte; of moet men voortdurend in de kerk, tot welker gemeenschap men is toegetreden, blijven?

Antwoord. 1. Het is geoorloofd te verhuizen uit een kerk, die lijdt aan dwalingen in de leer (nl. de zodanige die het gehele fundament nog niet wegnemen); in het bijzonder als er scheuring bijkomt, en de dwalingen meer bevestigd worden, en er geen hoop is op verbetering. Zo is de verhuizing uit een Lutherse kerk, of oorspronkelijk Remonstrantse kerk, die zich tot de vijf artikelen bepaalt (want over de Remonstrants-Sociniaanse kerk moet anders geoordeeld worden), naar een gereformeerde kerk nooit door de onzen afgekeurd.

2. Ook is het geoorloofd te verhuizen uit een kerk, die in de leer wel gezond is, maar die scheurziek is, en eindelijk in dwalingen eindigen zal, tenzij ze tijdig zich terugtrekt en daarheen terugkeert, van waar ze zich heeft afgezonderd. Voor zodanige houd ik de vroegere vergadering van de Brownisten, die voor enige jaren te Leiden onder leiding van Robinson, een overigens vroom en geleerd man, die ook zeer op rechtzinnigheid gesteld was, placht gehouden te worden.

3. Het moet niet worden afgekeurd, dat iemand uit begeerte naar betere vordering en naar gewetensrust overgaat tot een kerk, die zuiverder en meer volmaakt is in eenvoud van ceremoniÎn, regering en tucht, en voeg er bij ook in krachtige bediening en prediking, in openbare en huiselijke oefeningen van de vroomheid, en in krachtige en menigvuldiger voorbeelden van vroomheid; indien het slechts geschiede door middel van verhuizing van de ene plaats naar de andere. Verandering van woonplaats toch neemt de schijn weg van scheuring, keert ergernissen, twisten en andere nadelen, die daaruit zouden kunnen voortkomen, af.

4. Maar dat iemand in dezelfde plaats van de een kerk tot de andere van dezelfde belijdenis, of ook van een andere taal, die hem niet onbekend is, naar eigen goedvinden zou overgaan zonder het medeweten en de toestemming van elke van beide kerken, strijdt geheel en al tegen de orde, door Christus ingesteld, en brengt voort twisten, partijschappen, scheuringen en ergernissen.

5. Echter mag niet ontkend worden, dat door de kerk in deze zaak met voorzichtigheid iets moet geduld of zelfs gedaan worden in gevallen van verschillenden aard. Bijvoorbeeld in het geval, dat iemand met een dienaar, of met dienaren, of met de kerkenraad, of met enige broeders in enige kerk bijzondere geschillen heeft, is het beter, dat hij, nadat er een verzoening heeft plaats gehad, of geheel of tijdelijk wordt losgelaten, als hij dit verlangt, opdat en voor zijn rust en voor die van de kerk gezorgd worde, en alle gelegenheden tot een weer ontbranden van de verbitteringen des te beter van tevoren worden afgesneden, of opdat dreigende scheuringen voorkomen worden. Of ook in het geval, dat iemand van andere spraak zich verbonden heeft bijv. aan een Nederduitse kerk, wijl er daar ter plaats geen kerk is van zijn taal, maar nu later overgaat tot een op dezelfde plaats gestichte of te stichten Franse, Engelse of Schotse kerk met toestemming en zelfs op aanraden van de Nederduitse kerk, opdat des te beter de nieuwe kerk gesticht kan worden. Er is ook een ander geval, dat een kerk van een andere taal uit een Nederduitse kerk mannen zich toevoegt of zoekt, die het meest geschikt zijn voor de ambten van ouderling en diaken, en die zij op dat ogenblik in haar eigen vergadering zo niet vindt. Dan staan de Nederduitse kerken deze haar broederen voor weinige jaren af als behulpsels aan de Franse en Engelse kerken. Van dit soort van overgang onderricht ons de dagelijkse praktijk van onze kerken. Wijl echter de grens tussen goed en kwaad gemakkelijk kan overschreden worden, menen zij, dat ze hiertegen zorgvuldig moeten waken, dat niet wereldse en aardse overwegingen er onder doorlopen, of eergierigheid, of onbetamelijke vooroordelen of bedriegerijen; en dat niet boven mannen van de eigen natie en taal, die zeer uitmunten door leeftijd, voorzichtigheid, getrouwheid, vroomheid, ijver en andere gaven mannen uit kerken van een andere taal gesteld worden, die dan niet in hoge mate geestelijk en volmaakt zijn, maar die slechts door vermogen of andere gaven van de fortuin voortreffelijker zijn (in strijd met Jak. 2:1,2), of die misschien door bijzondere listen en kunstgrepen in strijd met de aloude eenvoud van de gelovigen onder het kruis, in strijd met de strengheid van regelmaat en tucht de schijn hebben van meer geschikt te zijn. Inzonderheid moet hiertegen gewaakt worden, dat niet de kerken van een andere taal toevluchtsoorden en schuilplaatsen zijn voor hem, die wegens een gevaarlijke en verdachte godsdienstige denkwijze, of wegens mindere strengheid van zeden in het licht van hun eigen kerken niet durven wandelen, en niet door de poort van onderzoek van leer en zeden tot haar durven toetreden, noch uit vrees voor de tucht in haar durven blijven. De onzen moeten er op acht geven, dat niet zulk een als het ware overzeese verhuizen naar (feitelijk een in hoger beroep komen bij) een kerk, waar en zij zelf en hun zaak niet zo bekend zijn, beide kerken in verwarring brengt. Inzonderheid moet hierbij worden acht gegeven, dat niet buiten weten of zonder toestemming van de kerk, waartoe ze behoren, diegenen in de gemeenschap worden opgenomen, die reeds onder de censuur gesteld zijn; of op wie men vermaningen, broederlijke berispingen of voorlopige afhouding reeds begon toe te passen.

IVIe Vraag. Of tot bewaring van de orde bij deze overgang of deze overschrijving van de ene kerk in de andere, brieven van ontslag en getuigschriften vereist worden?

Antwoord. Ja. Aldus is de kerkelijke regel, die naar een prijzenswaardig gebruik in de Nederduitse kerken voortdurend geldt. De gronden zijn deze: 1e. Omdat dit in de plaats treedt van de onderzoeking en beproeving, die bij de toelating van nieuwe leden moet worden in acht genomen, waarover vroeger gehandeld is. 2e. Omdat anders de kerken zouden kunnen bedrogen worden door het toetreden van geÎxcommuniceerden, of van mensen, die onder de tucht van de kerk gesteld zijn, zonder behoorlijke voldoening; en aldus het heilige de honden zou gegeven worden, de kerk vervuld zou worden met wanordelijke mensen, ja zelfs de ene kerk met de andere in strijd zou gewikkeld worden.

XVIIe Vraag. Moet men om de meerdere zuiverheid en volkomenheid uit de ene kerk in de andere overgaan, ook zonder toestemming van die kerk, die verlaten wordt?

Antwoord. 1e Slotsom. Indien de kerken, tot wier gemeenschap men overgaat, voor het intreden van het bederf, of ook na het intreden of de bevestiging van het bederf, in meerdere reinheid en zuiverheid van leer en ceremoniÎn op zichzelf zijn vergaderd of georganiseerd op dezelfde plaats, n.l. stad, plattelandsplaats of district, dan vind ik geen reden, waarom men niet de door feiten zich uitende en uitwendige gemeenschap van die kerk kan verlaten, waarin men tot nog toe leefde, om het betere en meer volmaakte te verkrijgen. Zo worden in Holland diegenen zonder bezwaar toegelaten, die uit Lutherse kerken herhaaldelijk tot de onzen overgaan; hoewel de onzen zeer goed weten, dat deze niet aldus met het welnemen van de Luthersen van die kerken scheiden. 2e Slotsom. De zaakverhouding is een andere, indien iemand, toen de Lutherse en Gereformeerde kerken zich nog niet ieder op zichzelf georganiseerd hadden, voor het maken van het Eendrachtsboek, een afscheiding van die kerken gemaakt had en nieuwe afgescheidene kerken gesticht had; toen zou ik niemand hebben willen aanraden, om tegen de gemeenschappelijke instemming en uitspraak van e Gereformeerde theologen[71] een scheiding onder de onzen te maken. En wel: 1. Omdat de onenigheid in de leer toen vrijwel tot het ene artikel van de tegenwoordigheid van het lichaam in het avondmaal beperkt was, volgens de verklaring van elk van de beide partijen op het Gesprek van Marburg 1529. 2. Omdat de leerstellingen van de alomtegenwoordigheid met haar aanhangselen, en de voorwaardelijke voorbeschikking met de leer van de gehele afval van de waarachtige gelovigen toen nog niet algemeen vaste voet hadden gekregen; laat staan dat zij toen reeds tot de rang van kerkelijke leerstellingen en grondwaarheden zouden geklommen zijn 3. Omdat de oudere Luthersen zelf de formele scheuring toen nog niet voltooid en de Gereformeerden nog niet als met een schervengericht uit hun kerken geworpen hadden. 3e Slotsom. Wanneer iemand in de leer overeenstemt, maar op het punt van ceremoniÎn en kerkregering op goede grond afwijkt, dan kan hij desniettegenstaande de gemeenschap in die kerk uitoefenen zonder rechtstreeks of zijdelings die gebreken goed te keuren. Ik zou hem niet willen aanraden om van zijn kerk zich af te scheiden, hetzij door een negatief schisma, zodat hij ging leven buiten kerkelijke gemeenschap, hetzij door een positief, doordat hij op dezelfde plaats een andere en afgescheiden kerk stichtte, tegen de wil van de kerk aan welke hij onderworpen is, en die hem zijn vrijheid gunt. Indien iemand echter door verhuizing naar een andere plaats, waar men tot een kerk van dezelfde belijdenis en leer zonder die misbruiken en zonder de last en de moeite van dulding van die misbruiken kan toetreden, van zijn kerk zich afscheidde, is dit een ander geval. Het zo-even genoemde is, naar ik meen, de kwestie die vroeger behandeld is tussen de Engelse theologen en de Afgescheidenen of Brownisten (zoals men ze noemt). De bepaalde toepassingen daarlatende, keuren wij met Pagetus, Amesius en anderen, die toch ook afkerig zijn van de ceremoniÎn en het bisschoppelijk bestuur van de Anglicaanse kerk, de algemene en voornaamste beweringen van de Brownisten tegen de Anglicaanse kerk af. 4e Slotsom. Het is echter allerminst mijn bedoeling van schisma te beschuldigen de rechtzinnige en vrome broeders, die in deze laatste jaren, sedert wijd en zijd door de Anglicaanse kerken en de kansels een semi-papisme woedt, en nieuwe ceremoniÎn zijn opgedrongen tot stichting van hun geweten geheime en van de openbare afgescheidene vergaderingen herhaaldelijk gehouden hebben, zo echter, dat zij van de Engelse kerken niet de vrede opzegden, maar betere tijden van hervorming, en erkenning en overwinning van de waarheid intussen van de Heere verwachtten. Met gelijk recht is het hun geoorloofd geweest dit te doen, als aan enige Nederduitse kerken in de tijd van de Arminiaanse twisten[72].

XVIIIe Vraag. Kan men voor een tijd de gemeenschap met enige bijzondere kerk uitstellen, en zo van alle uitdrukkelijke kerkgemeenschap zich onthouden, intussen slechts van huiselijke oefeningen gebruik makende? Of wel moet men zo spoedig mogelijk de gemeenschap met een kerk, die in regering en ceremoniÎn gebrekkig is, aangaan? Of moet op dezelfde plaats een bijzondere en afgescheidene kerk gesticht worden?

Antwoord. 1e. Ik neig er toe het eerste te bevestigen, indien althans de toestand van die kerk tussen hoop en vrees is, dat is, indien er gegronde vrees is voor verval en voortgang tot erger, of goede hoop op verbetering en herstel. De gronden zijn: 1. Omdat de uitdrukkelijke gemeenschap met enige bijzondere georganiseerde kerk niet volstrekt als middel tot zaligheid nodig is; noch ook nodig is in die zin, als zou ze een goddelijke voorschrift zijn, indien tenminste voor de gewetensrust, de uitoefening van de vroomheid, en de christelijke vrijheid beter zorg kan gedragen worden buiten de kerk dan in de kerk. Die derhalve nooit in die kerk geweest is, waarom zou hij zich onderwerpen, en niet liever vrij en onafhankelijk zich houden? Want indien hij zich bij haar laat inschrijven, moet misschien elk ogenblik verwacht worden, dat hij haar verlaat, of uit die kerk wordt uitgeworpen of ingewikkeld in pas begonnen en in volle werking zijnde misbruiken, twisten en scheuringen. 2. Omdat de uitwendige gemeenschap intussen en voorlopig (om zo te spreken) ook kan onderhouden worden met alle kerken van dezelfde belijdenis, en die aan die ontaarding en dat gevaar allerminst blootstaan. 3. Omdat hij de door feiten zich uitende en nauwste gemeenschap kan aangaan met enige zuivere kerk buiten die plaats.

2e. Bijaldien iets dergelijks niet kan gedaan worden, zou ik niet willen aanraden om op dezelfde plaats op eigen gezag een nieuwe en afgescheiden kerk te stichten tegenover de bestaande kerk, maar moet men liever naar elders verhuizen, en daar bij de kerk zich aansluiten, daar men toch niet altijd zonder kerkelijke gemeenschap leven moet.

XIXe Vraag. Wat moet gedaan worden, waar tweedracht is, en het ene deel van een kerk, die lijdt aan enig gebrek in de ceremoniÎn en het bestuur, wil, dat zij worde ontbonden, en dat opnieuw andere kerken wat stof en vorm betreft worden verzameld en georganiseerd; het andere echter beweert, dat die kerk moet in stand gehouden worden, wijl immers een ware kerk. Antwoord. 1e. Het is zonder twijfel waar, dat kerken en kerkelijke verbonden wel eens moeten worden opgelost, hetzij men tijdelijk in de afzonderlijke huisgezinnen God dient, hetzij men zich terzelfder plaats of elders in behoorlijk georganiseerde rechtzinnige kerken laat inlijven. Gevallen van verschillende aard kunnen zich hier voordoen, zoals het geval van vervolging, van vrees voor aanwezige verleiding en aanwezig bederf door een vleselijke en onweerstaanbare macht. Een voorbeeld van het laatste geval is gegeven in het terstond opschorten en ontbinden van de synodale vereniging en correspondentie van de Engelse en Schotse kerken in Nederland, die begonnen was met behulp van de gedeputeerden van de Nederlandse synoden ingesteld te worden en door de Staten van overheidswege bevestigd was in het jaar 1628, op dezelfde voorwaarden als waarop de Waalse of Frans Hollandse kerken Synodale correspondentie houden. Dit geschiedde wegens een gevaar, hetwelk juist voorzien werd door de dienaren en ouderlingen van de Hollands Engelse kerken van Amsterdam en Leiden, weshalve zij in een samenkomst van alle Engelse dienaren, zowel van de legerpredikanten als van de plaatselijke kerkdienaren, in welke samenkomst tot die eenheid en correspondentie besloten werd, niet verschenen. Zelfs ook later, toen zij door gevolmachtigden van die samenkomst ernstig werden uitgenodigd, hebben zij die synodale correspondentie standvastig afgewezen, zich vergenoegende met de classikale correspondentie met de Nederlandse kerken in dat district. Tot ditzelfde redmiddel hebben later meeste andere Engels Hollandse kerken (van de burgers namelijk) de toevlucht genomen. De enige reden, waarom deze synodale correspondentie opgeschort, ja zelfs in haar eerste ontwikkeling zelf afgebroken is door diegenen, die haar hadden ingesteld met goedkeuring en zelfs op raad van de gedeputeerden van de Nederlandse synoden was deze,dat de Gezant van de Koning van Groot-BrittanniÎ enige gedeputeerden van de nieuwe Engels Hollandse synode bij zich liet komen en hun te kennen gaf, dat dit de wil des konings was, dat uit die synodale dienaren ÈÈn door hem gekozen zou worden tot kerkelijk deputaat of gevolmachtigde. Toen dit aan de synode bericht werd, en hieruit gevaar voor het mettertijd opdringen van een hiÎrarchisch en ceremoniÎc1 bestuur gevreesd werd, waar nog bij kwam, dat het een ander land was, waaruit dit streven voortkwam, zodat er vooruitzicht was dat de hoogste overheden in troebelen en onderlinge strijd zouden gewikkeld worden, hebben zij het raadzamer geoordeeld, wegens de ongunst van de tijden, de begonnen vereniging af te breken. Ik kom tot het besluit dat hetzelfde moet gedaan worden, als de vereniging van een bijzondere kerk tot stand is gebracht. Immers deze vereniging geschiedt tot opbouwen en niet tot afbreken. 2e. Dat echter niet bij gelegenheid van ieder gebrek of iedere tweedracht omtrent ceremoniÎn of bestuur, ja zelfs niet omtrent sommige leerstellige punten de vereniging dadelijk moet worden opgeheven, leren de voorbeelden van de kerk van Korinthe en van GalatiÎ; en aan het gezonder deel heeft de apostel dit ook niet te raad gegeven. Voeg hierbij het voorbeeld van de kerk van AntiochiÎ, Hand. 15. 3e. Waar de orde in het begin van de stichting van de kerken, en in haar voortduring, en in de opname van de leden, niet uitdrukkelijk en nauwkeurig genoeg bewaard geweest is, moet echter niet gezegd worden, dat daar geen kerken zijn, geen verbintenis is. De eenheid en het verband is daar, waar de verbintenis, het intreden en het opnemen in het verbond meer stilzwijgend, minder uitwendig zichtbaar, en meer uit de aard van de zaak voortvloeiend, dan in woorden uitgesproken, in uitwendige vorm zichtbaar, door vormen bekrachtigd geweest zijn. Dat dit nu een waarachtig en wezenlijk, hoewel verzwakt verbond is, niet slechts een hersenschimmig of slechts in naam bestaande, staat hieruit vast, dat hoewel zij het aangaan van dit verbond niet met in een formulier samengevatte woorden verlangd en beleden hebben, zij echter door hun daden zelf hiervan verklaring hebben afgelegd, n.l. door het aanhoren van de prediking, het gebruiken van het avondmaal, het ten doop aanbieden van hun kinderen, het genot hebben van de broederlijke liefde en de gemeenschap van die parochieleden, bovendien door het gebruik maken van de dienst van een gewoon dienaar in vertroostingen, raadgevingen in godgeleerde zaken, vermaningen enz. 4e. Het is derhalve niet noodzakelijk, dat de lichamen en verenigingen van de kerken daar ontbonden worden; maar zij moeten slechts verbeterd worden, met behoud van wat behouden moet worden, onder een algemene belofte en plechtige verbintenis aangaande de leer, het leven en de kerkelijke onderwerping, door de dienaren openbaar aan alle toehoorders voorgesteld, waarmee ze na de prediking hoofd voor hoofd in tegenwoordigheid van de dienaren en van de ouderlingen of van anderen die hiertoe volmacht ontvingen, hun instemming betuigen. Hun namen moeten dan in de kerkelijke registers worden ingeschreven, terwijl alleen die vroegere leden tijdelijk afgesneden of verwijderd worden, die of zelf twijfeling opwerpen, of volstrekt onwetenden zijn, of wat leer of zeden betreft openbaar verdacht zijn. Maar wanneer zij beter onderwezen zullen zijn en zich aan de bestuurders van de kerk als aannemelijk bewezen hebben, moeten zij behoorlijk worden opgenomen; zo niet, dan moeten zij uitgesloten blijven. Deze manier van herstel en verbetering van de kerken is in de regel gevolgd geweest in Nederland na de Remonstrantse troebelen. 5e. Als aldus het lichaam van de kerk verbeterd is kan in het vervolg nauwkeurig en met zorg die orde bewaard worden, die het veiligst en voor de zaken en bijzondere omstandigheden het meest passend zal schijnen te zijn, zoals bijv. die van de Nederlandse of Franse kerken, enz., of een andere orde, indien men er een, die voor enig volk meer passend is, of misschien in zekere bijkomstige zaken meer uitgewerkt is dan die alle, hebben kan.

 

 

 

Ý

 

Hoofdstuk 5. Bevattende de vierde afdeling van vragen, over de verdelingen van de georganiseerde kerk, waarbij over de Parochiekerk, de dorpskerk, huiskerk, hofkerk, legerplaatskerk, scheepskerk, schoolkerk en provinciale Kerk zal gehandeld worden

 

Ie Vraag. Of de parochiekerk, zoals zij door de Roomsen, n.l. Filesacus en de gewone schrijvers over het canonieke recht beschreven wordt, een eigenlijk gezegde georganiseerde kerk is. Antwoord:Ý Neen. Omdat zij geen organische eenheid heeft in het aannemen van voorgangers en leden van de kerk. Want de voorgangers zijn er niet, noch hun gezag, dat er wezen moet. Evenmin is er aanwezig de onderwerping en vrijheid van de leden van de kerk, eindelijk noch van elk van beiden te samen de kerkelijke macht. Want hoewel de parochiekerk bepaald wordt als een, die ÈÈn bestuurder heeft, wordt echter het bestuur zelf inderdaad opgeheven door de onderscheiding van in- en uitwendig bestuur (waarvan het laatste de pastoor ontzegd wordt), en door de algemene bisschoppelijke praktijk. Maar deze dingen moeten hier niet fijner uitgesponnen worden. Men raadplege slechts de schrijvers over de rechtsmacht van de priesters, over de kerspelpastoors, de bisschoppen en hun macht, die elders door ons zijn aangewezen. Aan deze kerspelkerken en kerspelpastoors kennen zij rechten, voorrechten en eigenschappen van verschillende aard toe, en allerlei strijdvragen en twistpunten werpen zij hen betreffende op, waarvan wij enkel toeschouwers zijn; want hier wordt voor ons niets gezaaid of geoogst. Men kan deze nazien bij Filesacus in de aangehaalde verhandeling en bij Barbosa in zijn Collect. ad conc. Trident. en in zijn andere collectanea ad Bullarium. De weetgierige lezer kan echter uit dat ontuig enige dingen uitkiezen, die voor de kerkelijke vrijheid en macht kunnen te berde gebracht worden tegen de hiÎrarchische machtsaanmatiging, tenminste tegen de Roomsen zelf. Maar deze dingen behoren hier niet thuis. Het zal voldoende zijn de voorraad van hulpmiddelen aangewezen te hebben. Voeg hier nog bij de Nomocanon van Photius, tit. 8, hoofdst. 1, en de Codex van Canones van de Katholieke kerk, can. 9 van het conc. van AntiochiÎ, en de 17e canon van het conc. van Chalcedon.

IIe Vraag. Of de kerspelvergaderingen, die op sommige plaatsen in gereformeerde steden voortdurend bestaan, en aan een bepaald kerkgebouw en aan een bepaalde prediker van dat kerkgebouw op enige wijze verbonden zijn, afzonderlijke, eigenlijk gezegde kerken zijn? Antwoord. Neen. Omdat deze enkele vergaderingen niet hebben een afzonderlijke kerkelijke macht van bestuur en rechtspraak, op volledige wijze in die vergadering zetelend, en door een eigen uit meerdere samengelezen kerkenraad van die vergadering uit te oefenen. Daaruit volgt, dat daar niet is een volmaakte vorm van vereniging en gemeenschap van een georganiseerde kerk. Want de ene prediker, opziener of bestuurder van dat kerkgebouw of die vergadering, maakt niet een college uit, een kerkenraad, een veelheid, door welke met gemeenschappelijk overleg die kerk naar het voorbeeld van de apostolische kerken (bijv. de kerk van Korinthe, 1 Kor. 5: 4 en 2 Kor. 2: 6, van Efese, Hand. 20:17, van Filippi, Filip. 1: 1) bestuurd zou moeten worden.

3e Vraag. Of de afzonderlijke vergaderingen van over de verschillende kerkgebouwen verdeelde toehoorders in de gereformeerde steden van Nederland even zovele afzonderlijke kerspelkerken moeten genoemd worden? Antwoord. Neen. Omdat er tussen die toehoorders geen bijzondere en tot hen beperkte eenheid, gemeenschap, en verbintenis is. Want de enkelen worden slechts plaatselijk, op die ene plaats en op dat bepaalde uur verenigd tot een geheel van toehoorders, tot die enkele en voorbijgaande handeling van horen met wat er bij komt gedurende een of anderhalf uur. Zij maken daarom geen bijzondere, georganiseerde kerk uit, in onderscheiding van de andere verzamelingen van toehoorders in al de andere kerkgebouwen van dezelfde stad. Evenmin als Romeinse of Atheense burgers, bij gedeelten in verschillende delen van de stad de schouwburg bezoekend of wandelen, elk een afzonderlijke stad en staat uitmaken, of studenten, bij gedeelten in verschillende gehoorzalen op dezelfde, of verschillende tijd college bezoekend, elk een afzonderlijke academie samenstellen, omdat de plaatselijke vereniging ophoudt als de vergadering of de voorlezing geÎindigd is, waarna elk zijns weegs gaat en andere gehoorzalen of kerkgebouwen naar goedvinden bezoekt.

Hieruit blijkt, dat dit nijdig en ongerijmd verzinsel van sommigen, uiteengezet in prullige redeneringen vol grote woorden, dat het niet geoorloofd is deze of die predikers meer dan anderen te volgen of altijd te horen, en enige keuze in de preken te hebben, van steun in de Schrift en de rede ontbloot is. Immers is hier zelfs niet de minste schijn van scheuring of partijzucht, als waarvan sprake is 1 Kor. 1: 12: ìIk ben van Paulus, ik van Apollos", enz. Onze gronden zijn deze: 1e. Omdat in een ieder de beste gaven te erkennen, en van die gaven tot onze meerdere opbouwing in de Heere gebruik te maken, niet slechts geoorloofd maar ook noodzakelijk is. Vrome toehoorders houden er voor, dat de beste gaven van een prediker bestaan 1. in een luid klinkende stem, die door allen gehoord kan worden; 2, in een duidelijke, nauwkeurige, vurige, het gemoed aangrijpende voordracht; 3, in een ernstige, deftige, zedige versiering van de stijl, op een wijze, die passend is bij de gewijde stof; en niet in een ijdele en ongewijde valse opschik; 4. in een regelmatige, doorzichtige, schriftuurlijke en degelijke tekst- en zaakverklaring, zodat ze door de hoorders zeer goed verstaan, in het geheugen geprent, onthouden, thuis herkauwd en met anderen herhaald kan worden; 5, in een meer geschikte krachtige, voelbare, voorzichtige oprechte toepassing op het geweten. 2e. Omdat de Schrift nergens de gelovigen vermaant, om zonder onderscheid te maken, zonder oordeel, zonder keuze, zonder rekening te houden met hun aard, hun vordering, hun gemoedstemming en hun inwendige toestand alles zonder onderscheid van iedereen altijd te horen. Maar daarentegen raadt de Schrift aan het hebben van keuze, oordeel, onderscheiding, voorzichtigheid (Luk. 8: 18. 1 Thess. 5: 21), in de levenswijze ten opzichte van het lichaam wat spijzen, lucht, water, woonplaats, huizen betreft, enz. In het gebruiken van geneesmiddelen en geneesheren, in het gebruiken en lezen van godgeleerde boeken, wordt aan geleerden en ongeleerden de raad gegeven onderscheid te maken. En waarom zou men dit dan niet moeten doen in het horen van preken en voorlezingen over heilige zaken, in het inroepen van de hulp van dienaren of andere troosters en vermaners bij gevallenen, of bij mensen, die lijden aan beproeving en geestelijke aanvechtingen, bij zieken en bij stervenden? 3e. Omdat Christus zelf Johannes lief had boven de andere discipelen, en drie discipelen in voorkeur boven de anderen met zich nam (Matth. 17: 1), en Paulus onder al zijn leerlingen en de rechtzinnige leraars niemand had, die gelijk stond met Timothe¸s (Phil. 2: 20); hoe zou het mij dan niet geoorloofd zijn zonder scheuring te maken, haat op te wekken tegen de dienaren, of het dienaarambt te verachten, de openbare preken of huiselijke samensprekingen van zeker dienaar te verkiezen boven de preken en samensprekingen van anderen, indien ik gevoel door geen beter gesticht te worden? 4e. Omdat degenen, die tegen dit onderscheid maken herhaaldelijk betogen, zelf het onderscheid maken van anderen, die hun bediening van het avondmaal en hun preken volgen, en die van de andere dienaren in dezelfde stad niet slechts voorbijgaan, maar zelfs met ijver ontvluchten (met welke vroomheid, op welke rechtvaardige grond, weet de Heere, en is hun zelf misschien niet onbekend) met een kalm gemoed verdragen; ja zelfs daarin een behagen schijnen te hebben. Want als hier niet de razernij van nijd en zelfzucht aanzet dan blijven hun publieke en private smadende vermaningen hiertegen rusten, en de orakels van de socratische en nutteloze verhandelingen verstommen; hoewel ze deze voorbijgaan, genen de voorkeur geven niet slechts op die dagen, als meerdere predikingen op hetzelfde uur in verschillende kerkgebouwen gehouden worden, maar bovendien de collega's zelf hardnekkig en voortdurend zo ontvluchten, dat ze ook buiten hun kerk ergens op het platteland naar preken gaan horen, en het avondmaal des Heeren gaan gebruiken, zo dikwijls in hun stad de beurt van prediking of avondmaalsbediening niet aan die dienaar of een van die dienaren, die zij zich gekozen hebben (in welke geest en met welke vroomheid die gekozen is, kan ik niet zeggen) gekomen is. De gehele kersverse of beschimmelde redeneringen van hen die hierover anders denken (hoedanige redenering ik mij herinner eens niet zonder walging gehoord te hebben) steunt op deze valse onderstelling, dat aan de enkele gelovigen en toehoorders in de grotere steden van Nederland naar goddelijk recht, of naar het natuurrecht, of naar kerkelijk recht een zeker kerkgebouw is toegewezen, wat zij gehouden zijn te bezoeken op iedere dag des Heeren, en geen ander gebouw. Wanneer deze veronderstelling, als zo vals mogelijk, ontkend wordt, valt geheel die in de lucht hangende redenering. Want waar, wanneer, door wie, met welk gezag, door welke algemene of bijzondere verordening is deze denkbeeldige verdeling van de toehoorders over hun kerkgebouwen, zodat elk zijn eigen heeft, vermeld? Indien dit niet duidelijk aangetoond wordt, zal het met recht geoorloofd zijn de bepalingen van dusdanige ongelukkige casuisten te verwijzen naar de klasse van de redeneringen over het niet bestaande (van dezelfde aard dus als de redenering van de pausgezinden over de verdienste naar het oordeel van Amesius in de Bellarminius ontzenuwd). De kerspelen van het canonieke recht en het pauselijke gewoonterecht zijn bij ons afgeschaft, en even zovele collegiaatkerken of presbyteriale kerken naar het aantal van de steden, zelfs van de grotere ervoor in de plaats gesteld. Zelfs gesteld, wat niet wordt toegegeven, dat ergens overblijfselen van de kerspel-inrichting nog zijn blijven bestaan, dan zou echter daaruit niet volgen, dat de leden van het kerspel voortdurend verbonden zijn om de prediking in hun kerkgebouw te horen, omdat in het pausdom zelf de vrijheid weliswaar beperkt is omtrent begrafenis en sacramenten, enz., maar het omtrent de prediking wordt toegestaan haar te gaan horen in de kerspelkerken en de collegiaatkerken, de reguliere of kapittelkerken zonder onderscheid. En indien iemand, uit deze stelling verdreven, droomt, dat de nabijheid van het kerkgebouw grond kan geven voor een rechtsvoorschrift om daar altijd of meestal gewoonlijk de prediking te horen, dan werp ik hem tegen, dat nooit in enige stad van Nederland door een kerkenraad of door een synode zulk een grond gegeven is. Bovendien door deze vondst van de nabijheid is nog niet voldaan aan het geweten van de gelovigen, voor wie twee of drie kerkgebouwen nagenoeg even nabij zijn; noch ook aan de niet-burgers en vreemdelingen, die op de Zondagen in die stad verwijlen. Laat iemand eens tot de stadbewoners zeggen, dat zij hun benodigdheden in de naastbij gelegen winkels van kooplieden, bakkers, kleermakers, bierbrouwers, wijnkopers enz. moeten halen, en dat wel alleen op grond van de nabijheid. Hij mocht eens hetzelfde zeggen over het zenden van de kinderen naar de Hollandse, Franse en Latijnse scholen. Maar laat ons ten overvloede de gronden van deze krachteloze bespiegeling aanhoren. 1e Grond. Omdat alle predikers Gods Woord prediken, wettig daartoe geroepen zijnde. De gevolgtrekking ligt voor de hand.Ý Dit betekent even veel, alsof iemand zei, alle schoenmakers, kleermakers, smeden., apothekers, heelmeesters, notarissen, advocaten enz. oefenen ieder hun beroep uit naar kennis en vermogen, en zijn tot dit beroep wettelijk toegelaten derhalve is het u niet geoorloofd onderscheid te maken, wiens dienst gij gebruiken zult. Vier of zes professoren onderwijzen tegelijk aan enige hogescholen op hetzelfde uur hetzelfde vak (bijv. logica of fysica enz.); derhalve is het niet geoorloofd de een in voorkeur boven de anderen te horen, omdat allen hetzelfde vak naar dezelfde methode en volgens dezelfde schrijver (bijv. Aristoteles) naar hun vermogen onderwijzen. Hieruit volgt eindelijk nog iets, dat, indien de een in voorkeur boven de anderen niet gehoord moet worden, ook geen ander uit de vijf overigen gehoord moet worden, om niet in dezelfde dwaasheid te vervallen, daar toch zes op hetzelfde uur niet tegelijk kunnen gehoord worden. Maar een ander voorbeeld mag de tegenstanders in hun eigen strik van hun waanwijsheid verstrikken. De heilige schrijvers zijn allen onfeilbaar en geÔnspireerd. Derhalve is het de gelovigen niet geoorloofd met enige onderscheiding en met toepassing op elks eigen toestand of op het bevattingsvermogen en de toestand van het volk, de teksten van de Heilige Schrift te lezen en te overdenken noch de predikers voor de prediking ze uit te leggen. Van elke spijze wordt gezegd, dat alle schepsel Gods goed is, 1 Tim. 4. En wie zou nu hieruit afleiden, dat alle onderscheid maken ongeoorloofd is? Over het hebben van keuze in het lezen van godgeleerde boeken, hebben wij boven gesproken. 2e Grond.. Omdat dan de preken van de overige predikers geminacht worden. Antwoord. Indien men dit zo opvat, dat de preken, die in zich zelf beter of tenminste aan enige hoorders aangenamer zijn, onwillekeurig aanleiding geven hetzij tot die minachting, of wel tot die lagere schatting, wordt dit toegestemd. Maar dit is geheel door een bijkomende omstandigheid, en daarom moeten de betere preken en het horen ervan niet belet worden, evenmin als grotere ontwikkeling, voorzichtigheid, moed en andere deugden van meer verheven graad. 3e Grond. Omdat zij dan op onwaardige wijze de dienst van de overige dienaren in dezelfde stad minachten en ontvluchten, en daarvan geen gebruik willen maken, terwijl toch allen gemeenschappelijk hun herders zijn, aan wie van Godswege de zielzorg is opgelegd. Antwoord. De gevolgtrekking wordt ontkend. Indien iemand met deze bedoeling en in die geest de preken van de een dienaar liever dan die van de anderen, die op hetzelfde uur in andere kerkgebouwen leren, wil horen, die zal aan God rekenschap hebben te geven. Maar iemands daad of misbruik moet niet de zaak zelf, dat is de geestelijke onderscheiding van de betere gaven, veroordelen. Dit moet hun worden ingeprent, die de overige dienaren, als zij op een morgen of avonduur op Zondag of op een uur in de week alleen prediken, niet willen horen; echter niet hun, die alle preken van elk van hun predikers, indien zij alleen preken, graag willen bijwonen; slechts kiezen zij hem, door wie zij menen beter gesticht te worden uit meerderen uit, die op hetzelfde uur tegelijk preken. 4e Grond. De predikers, van wie de preken niet gehoord worden, kwellen hun ziel en doen hun zuchten tot God opstijgen, wanneer zij zien dat de prediking van anderen boven de hunne gesteld wordt. Antwoord. 1. Hoe zou het zijn, indiens eens omgekeerd de toehoorders menigvuldiger bij hem toestroomden en een of meer van de collega's dan zuchtten; op welke wijze zou hij hen troosten? 2. Aan zodanige predikers zou kunnen toegevoegd worden dat woord tot Jona, dat we vinden Jona 4: 4, 9, 10, 11. Het is u geoorloofd smart te gevoelen en u te verootmoedigen voor God, dat uw gaven, indien zij gelijk zijn aan de gaven van de andere predikers of ze overtreffen, door de toehoorders buiten uw schuld gering geacht worden. Intussen is het u niet geoorloofd tegen uw collega's verontwaardigd te zijn of hen te benijden, noch om tegen God te murmureren. Indien uw gaven minder zijn, moet de Voorzienigheid Gods erkend worden, die deze mindere mate van gaven u ten goede zal doen medewerken, aan elk de mate van de genade gevend naar zijn welbehagen. Prijs de goedheid Gods in uw collega's. Dank Hem voor de mate u gegeven. Hij zou immers minder of niets kunnen gegeven hebben. Vraag van Hem vermeerdering. Vergoed datgene, wat u door predikgaven niet kunt geven, door enige andere kerkelijke plichten getrouw en met vurige ijver waar te nemen. Maar indien de predikgaven door gebrek aan ijver, vlijt of vroomheid uwerzijds minder zijn dan die van de anderen moet het hart worden gericht tot vurige gebeden, oprecht berouw en gedurige vlijt, en worden afgekeerd van alle wereldse rust of bezigheid. Kortom, mits er niet aanwezig zij onwetendheid, zorgeloosheid, hoogmoed, nijd, dan zal ook de twist in de schoot bergende afgunst er niet zijn, welke niet zelden in grotere steden de collega's in dezelfde dienst verontrust en kwelt. Maar meer dan genoeg tegen deze ruwe en onnutte redetwist van sommigen.

IVe Vraag. Of de kerken van het platteland of van stadjes van die van de steden zo onderscheiden worden, dat die van de steden alleen of in eigenlijke zin kerken zijn? En of wegens volkrijkheid, of wegens politiek gezag of politieke onderwerping, of wegens de voortplanting van het geloof door en uit de stadskerk in de kerken van het platteland of door vrijwillige toestemming van de plattelandskerken hieruit een recht geboren wordt om voorschriften te geven? Antwoord: Neen. Want geen van die redenen kan dit recht vestigen. De eerste reden niet, omdat een groter of kleiner getal het wezen van een zaak, die uit een verzameling van gelijksoortige wezens bestaat, (bijv. van een stad, een rijk, een leger, een school) niet verandert. Vervolgens gebeurt het wel eens, dat in dorpen aan een stad onderworpen de kerk talrijker is dan in de stad zelf. De tweede reden niet, omdat het rijk van Christus niet van deze wereld is; en gelijk in Christus het onderscheid tussen meester en slaaf niet bestaat, zo ook niet dat tussen een stadskerk en een plattelandskerk. Vervolgens, heel dit onderscheid tussen dorpen of kleine steden en steden, tussen steden en moedersteden heeft de trots van de wereld tegelijk met de bisschoppen en aartsbisschoppen in de kerk gebracht. De derde reden niet, zoals wij in het volgende hoofdstuk over de kathedralen en aartsbisschoppelijke kerken tonen. De vierde reden niet, omdat geen kerk het gewone recht en de gewone macht, door Christus haar toegestaan, op een andere kerk kan overdragen; noch een andere kerk die ontvangen kan, indien ze aangeboden worden. Vervolgens zeggen wij met meer recht aangaande de geestelijke zaken en voorrechten, wat de leraars van het canonieke recht aangaande de tijdelijke dingen van de kerk zeggen, dat zij geen verjaring van enige aard toelaten. Want het rijk van Christus is niet van deze wereld en wordt niet naar de burgerlijke rechten van deze wereld beoordeeld.

Ve Vraag. Of een kerk in het leger een kerk is? Antwoord: Ja, maar met een beperking. Ze is n.l. een tijdelijke kerk, vergaderd uit leden van verschillende kerken, die na weinige jaren deels elk naar hun eigen kerk terugkeren, deels naar andere kerken verhuizen. Dat ze echter van de naam van kerken niet beroofd kunnen worden, staat daaruit vast, dat de zorg en gelegenheid voor de lezing van het woord en van preken, voor de bediening van de sacramenten, voor het bestuur bovendien en de rechtspraak door dienaren en opzieners, voor de kerkelijke verbintenis en toelating van de enkelen door voldoende getuigschriften, en bovendien door afgelegde geloofsbelijdenis, indien ze voor het eerst toetreden, daar aanwezig zijn.

VIe Vraag. Wat moet geoordeeld worden over de scheepskerk? Antwoord. Ongeveer hetzelfde als over de kerk in het leger, indien toch dezelfde orde ongeveer bewaard wordt.

VIIe Vraag. Wat over de huiskerken, aan de hoven van de groten, of in de huizen van de aanzienlijken en edelen? Antwoord. Na vooraf de onderscheidingen gemaakt te hebben, dat zij gebruik kunnen maken van de gemeenschap, en de vereniging van de kerk van de plaats, of dit niet kunnen; en dat de laatste wederom beschouwd kunnen worden als bij de kerk van de plaats ingelijfd of als niet er bij ingelijfd, maar er van afgescheiden, bepalen wij dit met deze gevolgtrekkingen 1e. In het O. T. voor de organisering van het IsraÎlitische volk, waren er huiskerken in de gezinnen van de patriarchen, en na de organisering van dit volk in de gezinnen van de gelovigen, die onder de volken verstrooid waren; zo echter, dat een bijzondere kerk niet binnen de enge grenzen van ÈÈn huisgezin noodzakelijk besloten is geweest, maar dat uit de buren, ja ook uit de ververwijderde zich diegenen bij haar gevoegd hebben, die God vreesden. In het nieuwe testament wordt melding gemaakt van een kerk in het huis van iemand te Rome, Rom. 16 Aangaande welke echter gevraagd kan worden, of zij een volledige en eigenlijk gezegde kerk geweest is; en niet eerder een deel of deeltje van de kerk van Rome, die daar voor de gewone heilige plechtigheden vergaderde. Want het is niet aannemelijk dat het een kerk geweest is, die van de kerk van Rome geheel onderscheiden was, en niet een eigen en volledige macht en regering, bovendien met een bijzondere dienst en kerkenraad voorzien. Maar hierover in de volgende vraag. 3e. De vergaderingen, welke weleer door een voorrecht en gebruik onder het pausdom in de huizen van de edelen bestonden, en die vroeger kerken genoemd werden, zijn geen volledige en eigenlijk gezegde kerken geweest, noch in werkelijkheid, noch volgens het pauselijke recht en de pauselijke opvattingÝ maar slechts samenkomsten tot viering van de godsdienstplechtigheden in de bijzondere bedehuizen van de groten en edelen, deels gemakshalve, deels uit eerzucht gevraagd en vergund[73]. 4e. Allerminst moet er aan getwijfeld worden, dat de geheime kerken volledige kerken zijn, die ergens in de huizen van de edelen uit het naburige platteland samenkomen, omdat ze geen openbare of half private en half openbare bedehuizen hebben, noch ergens elders veilig samen kunnen komen. 5e. Wanneer het houden van prediking in de paleizen of bijzondere gezinnen van de edelen toegestaan wordt, omdat ze niet herhaaldelijk geschikt naar de openbare kerkgebouwen kunnen gaan, volgt daaruit echter niet, dat de toehoorders ervan afgescheiden en afzonderlijke kerken vormen, buiten de gemeenschap en de inrichting van de kerk (de rechtzinnige n.l.) van de plaats. Want dit zou zijn een zonder noodzaak kerken in de kerken, ja tegenover de kerken stichten. 6e. Zelfs schijnt dit niet toegestemd te moeten worden, al is het dat zij al de gezinnen van hun onderhorigen en medeburgers zich toevoegen. Want de dienstbaarheid, de onderwerping en de afhankelijkheid van deze wereld vestigen niet de heilige eenheid en gemeenschap van de kerk; vooral niet onder het nieuwe testament, waar de kerk allerminst aan een volk, een natie, een streek, een stad, een gezin gebonden is.

VIIIe Vraag. Hebben zij enigermate de natuur van een kerk, en kunnen zij in waarheid georganiseerde kerken genoemd worden? Antwoord. Men onderscheide. Zo niet eigenlijk, dan tenminste oneigenlijk; zo niet volledig, dan tenminste onvolledig; zo niet gewoon, dan tenminste buitengewoon, en in geval van noodzakelijkheid. Gelijk een huisgezin, naar een eiland overgebracht, van de gehele maatschappij van de mensen afgescheiden zijnde, daar een volk zou vormen, en gelijk bij dat enkele gezin de openbare en staatsrechterlijke macht zou zijn, zo lang totdat het na verloop van tijd tot meerdere huisgezinnen aanwies; zo zou ÈÈn huisgezin in gelijk geval van noodzakelijkheid de kerk kunnen zijn, bij hetwelk enig bezit en gebruik van de kerkelijke macht was. Zodanige kerken schijnen geweest te zijn in de huis gezinnen van alle patriarchen tot Jakob incluis; eveneens in die van de zonen van Abraham uit Ketura, van sommige nakomelingen van Ezau, inzonderheid van Job (die waarschijnlijk gezegd kan worden een van de nakomelingen van Ketura of Ezau geweest te zijn), bovendien van Melchizedek, Jethro, en andere waarachtige gelovigen, die in de heidenwereld geleefd hebben vÛÛr de afzondering van de staat en de kerk van het IsraÎlitische volk, en voordat de ware dienst van God openbaar en nationaal gevestigd was, en bestond. Ja zelfs toen de IsraÎlitische kerkstaat bloeide, hebben onder de heidenen verstrooide gezinnen van gelovigen niet ontbroken; die, indien zij niet waren ingelijfd in de kerken van de synagoge onder elke natie (Hand. 2:5), gelijk alle niet aldus bij die synagogen ingelijfd zullen kunnen zijn, tenminste er niet in zijn samengekomen, een synagoge op zich zelf of een synagogekerk zonder twijfel vormden, en oefeningen van de vroomheid of synagogedienst (die noodzakelijk moeten onderscheiden worden van de oefeningen en de dienst enkel aan de tabernakel of de tempel verbonden) elk in hun huis of in hun gezinnen waarnamen. Dat zodanige huiselijke kerk of synagoge geweest is in het huisgezin van de kamerling (over wie in Hand. 8:27), wordt niet zonder grond vermoed; die echter, wat de tempeldienst betreft, evenals alle andere IsraÎlieten, onder de heidenen in synagogen verzameld (zie Hand. 13 en 17: 1, 10, 17), rekening hield met de plaats, welke God had uitverkoren; gelijk de kamerling (Hand. 8:27) en de Grieken (Joh. 12: 20) daarheen vertrokken waren om het feest te vieren. En men moet zich voorstellen, dat er gelijke kerken geweest zijn in de huisgezinnen van Adam, Seth, ook van Noach na de zondvloed, voordat meer gezinnen daaruit waren voortgekomen. Danacus in zijn boek over de eerste tijd van de wereld, boek 1, hoofdstuk 4, heeft aan Adam en Eva voor de val en hun kinderen, indien zij die in die staat zouden hebben voortgebracht, de naturen de naam van kerk en een kerkelijke gesteldheid toegekend. Betreffende de inrichting, de macht, het bestuur en de tucht van deze kerken, kunnen geen moeilijkheden ten berde gebracht worden wegens de bijstand van de buitengewone dienst en de onfeilbare profetische geest van de patriarchen; en zelfs niet betreffende de huiselijke kerken van de onder de heidenen verscholen zijnde gezinnen, aan welke die onfeilbaarheid ontbrak. Daarom hebben wij in het begin gezegd, dat zodanige kerken geweest zijn en genoemd kunnen worden oneigenlijke, onvolledige kerken, of kerken uit de noodzakelijkheid voortgekomen, of voorlopige kerken. Wij oordelen, dat ditzelfde moet toegepast worden op de hedendaagse kerken, zo die er zijn en zo genoemd worden, aan hoven, in gezinnen van edelen, op schepen, in legerplaatsen enz.

IXe Vraag. Of uit Rom. 16: 5 stellig kan bewezen worden, dat de naam en natuur van kerk past aan een vergadering of aan mensen in een gezin in hetzelfde huis verenigd, en tot gemeenschappelijke of onderlinge oefeningen van de vroomheid gewoonlijk samenkomende? Antwoord. Slechts met waarschijnlijkheid. Omdat de regelmaat van het geloof en het tekstverband ons niet dwingen om dit te verklaren van een kerk, enkel uit de huisgenoten van Aquila en Priscilla vergaderd; want even goed kan het verstaan worden van die vergadering die in dit huis pleegt samen te komen; aan welke, als een deel van de kerk van Rome, de naam van kerk gegeven wordt. Dit is de verklaring van Beza in zijn aantekeningen. De Hollandse uitleggers stellen beide uitleggingen voor.

Xe Vraag. Of, indien in de kerk van de plaats of van het kerspel de ware dienst met ketterij of afgoderij besmet wordt, ÈÈn huisgezin, dat van de rechtzinnigheid getrouw blijft, met zijn huis elke dienst en huiselijke oefeningen liever tevreden moet zijn dan de dienst uit te oefenen in gemeenschap met genoemde kerk. Antwoord. Ja, op deze voorwaarde: 1e Indien het van de oefeningen geen gebruik kan maken in gemeenschap met die kerk zonder het bedrijven van of deelnemen aan afgoderij of ketterij. 2e Indien geen andere meer zuivere kerk daar of in de buurt op die tijd aanwezig is, aan de oefeningen van wie het uitdrukkelijk, hetzij in het openbaar of in het verborgen, deel kan nemen. 3e. Indien het de bedoeling heeft en bereid is, zodra dit geschieden kan, vandaar naar elders waar een kerk is, te verhuizen. Tot de afscheiding van een bedorven kerk, zij het ook dat iemand alleen of een huisgezin alleen gedwongen zou zijn met de huiselijke oefeningen voor een tijd tevreden te zijn, maant het antwoord van Jozua, hoofdstuk 24:15. Aan wie dit goeddunkt, die vergelijke hetgeen door ons uiteengezet is boek 3, afd. 3 van de Desparata Causa Papatus.

XIe Vraag. Of de huisvader noodzakelijk de taak van voorganger in de huiselijke oefeningen, of van onderwijzer in de Catechismus, of in geval van noodzakelijkheid van prediker vervullen moet? Antwoord. Hoewel hem dit ten zeerste past, en zonder zijn gezag en toestemming de gemeenschappelijke oefeningen in dat huis in het openbaar geenszins, in het geheim nauwelijks kunnen gehouden worden, zo geloven wij echter niet dat zulk een ambt en werk, hetzij van onderwijzer in de Catechismus, hetzij van plaatsvervullend prediker aan zijn huiselijke macht en plicht onafscheidelijk verbonden is. Immers kan zich voordoen het geval van onbekwaamheid en onvermogen van de kant van de uitwendige zintuigen of van het verstand en het geheugen, of van enige zware ziekte en verval van krachten, of het geval van gebrek aan opvoeding en onervarenheid in geestelijke zaken. Opdat ik niet hiervan spreke, dat na de dood van de vader de gezinnen niet zelden door de moeder, weduwe zijnde, gedurende vele jaren, bestuurd kunnen worden. Deze en dergelijke gevallen bewijzen overtuigend dat op de meest geschikte wijze in een huisgezin dikwijls de leiding en het voorgangerschap in de huiselijke oefeningen moeten overgedragen worden. Danaeus schrijft op de aangehaalde plaats: Adam was bij zijn vrouw bedienaar van dit door God geopenbaarde woord, en daarom zouden ook de overige mannen voor de vrouwen en de echtgenoten voor hun wederhelft en de ouders voor de kinderen bedienaars en predikers van hetzelfde woord van God op dezelfde wijze geworden zijn, enz. En een weinig verder: De plaats, aar de kerk was en waar de toekomstige samenspreking van God zelf met Adam en zijn nakomelingen zou zijn, was de hof, enz. De plaats van de gedachtewisseling van de ouders met de kinderen en van de mannen met hun vrouwen over hetzelfde Woord van God was het onderling verkeer en de huiselijke samenleving. Dat deze dingen voor de staat van de rechtheid passen, ontkennen wij niet, omdat de pas gemelde beletselen toen afwezig zouden geweest zijn. Maar na het intreden van de zonde hebben deze dingen zich gans anders toegedragen. Daardoor is gemaakt, dat de aard van de georganiseerde, bijzondere kerken en van de bedieningen en beroepingen een andere was, evenals van de ingestelde eredienst. Dientengevolge waren ook in de gemeenschappelijke oefeningen, die door de huisgezinnen moesten in acht genomen worden, niet altijd de vaders en echtgenoten, maar soms de meer geschikte in dat gezin tot leiders in dit opzicht aangesteld. Uit deze bepaling blijkt, wat geantwoord moet worden op de volgende vraag.

XIIe Vraag. Of door huisvaders of huismoeders, of door regenten en opzieners van wezen in een weeshuis uit dienaren des woords, ziekentroosters, kandidaten tot de heilige dienst, schoolmeesters of welke andere vrome, hiertoe geschikte mensen ook, mannen kunnen worden uitgekozen en gevraagd om in hun huis of hun weeshuis de hunnen in de beginselen van, de godsdienst en van de vroomheid te onderwijzen, zonder enig nadeel voor de kerkelijke macht, of enige verstoring van de goede orde? Antwoord: Waarom niet? Daar toch volgens de handelingen van de synode van Dordrecht van 1919, 17e zitting, bij ons een drievoudige catechisatie voorondersteld wordt, n.l. in huis, in de school en in de kerk, is het derhalve zonder enige schijn van te kort doen aan het kerkelijk bestuur aan elke huisvader en elke huismoeder geoorloofd, hetzij een bijzonder persoon of een, die in een openbaar ambt gesteld is, aan te nemen, om hun plaats te vervullen in het in huis catechiseren van de onontwikkelden en in het verrichten en uitspreken van de gebeden. Bij uitstek zwak is, wat ik mij herinner, dat door onervaren en strijdzuchtige mensen, die zelf niets voortreffelijks willen of kunnen doen, en niet toelaten, dat anderen het doen, gezegd is, n.l. dat deze huiselijke en gemeenschappelijke oefeningen nadelig zijn aan de eenheid, vereniging en bestuursmacht van de kerk of van de kerkenraad. Even alsof het huiselijk of huishoudelijk bestuur van de gezinnen op zich zelf nadelig zou zijn aan de macht en het bestuur van de stedelijke overheid, van de koningen en vorsten. Naar dezelfde gevolgtrekking zou kunnen belet worden elk gesprek over de Schrift en over heilige zaken tussen twee of drie thuis, in een herberg of op hetzelfde schip zittende of naar het voorbeeld van de discipelen samen wandelende (Luk. 24) personen. En waarom zou het dan ook niet zo zijn met alle bijzondere en eenzame lezing en overpeinzing van de Schrift, wegens de ongemakken van scheuringen en ketterijen, die daaruit, maar door een bijkomstige omstandigheid; zouden kunnen voortkomen, en niet zelden er uit voortgekomen zijn? Dit mogen de pausgezinden willen, die aan de leken de lezing van de Schrift verbieden. Maar gesteld, iemand dringt er op aan, dat ieder tenminste de voorafgaande toestemming, de bevoegdheid en de regeling voor de catechisaties, het voorlezen van de Schrift, en het herhalen van de preken van zijn kerkenraad zou moeten afwachten en vragen; hem antwoorden wij dan, dat dit verzinsel een tweelingbroer is van het verzinsel van de Roomsen dat de bijbels door de leken in huis niet mogen gelezen worden, tenzij men hiertoe schriftelijke vergunning heeft van zijn bisschop. Zie de regels van het concilie van Trente over de verboden boeken, regel 4, en de uitlegging er van in de Index van verboden boeken van Urbanus VIII. Toen de Dortse synode in de 17e zitting de catechisatie drievoudig gemaakt heeft, heeft zij niet gewild, dat voor de catechisatie in huis of op school opnieuw de vergunning van de classis of synode gevraagd zou worden. Want dit zou even erg zijn, als dat een dienaar, geroepen tot de prediking van het Woord, opnieuw vergunning voor de prediking van zijn kerkenraad zou vragen; terwijl de taak van de prediking hem door wettige beroeping is opgedragen. De aard van de kerkelijke en openbare catechisatie is een andere dan die van de bijzondere, hetzij in huis of op school. Tijd, plaats, wijze en orde van de kerkelijke worden met toestemming van de kerkenraad vastgesteld of veranderd. Van die op school of in huis wordt dit door de hoofden van de afzonderlijke scholen of gezinnen gedaan.

XIIIe Vraag. Of het eigenlijk gezegde kerken zijn, die men begonnen is academische en provinciale kerken te noemen. Antwoord. Wat deze benaming te betekenen heeft, zal door hen moeten worden uitgelegd, die haar gebruiken. Indien naar de schrijftrant van de schrijvers over het canonieke recht in het pausdom door kerk verstaan wordt een kerkgebouw of enig ander gebouw, voor de academische voorlezingen, promoties of andere meer plechtige handelingen bestemd, in hetwelk ook enige preken gehouden worden voor de tot de academie behorende personen of voor allerlei toehoorders, is er in alle gevallen in deze benaming weinig gevaar; evenmin als in de benaming van koninklijke, hertogelijke kerk, rijks-, provincie-, of hofkerk enz., waarin, hetzij op gewone, hetzij op buitengewone wijze, preken worden gehouden voor de koning, de hertog, de provinciale Staten, de senaat of de volksraad, de hovelingen enz. Maar indien iemand dit verstaan zou van een eigenlijk gezegde, georganiseerde kerk, die tot onderscheiding van andere kerken academische of provinciale kerk genoemd zijnde, van de Leidse of Utrechtse of Harderwijkse kerk onderscheiden werd, evenzeer als de Utrechtse van de Harderwijkse, of de Leidse van de Leidse Waalse of Franson-Nederlandse kerk, en elke kerk haar eigen en afzonderlijk bestuur had, zodat beroepingen en de dienaren en de leden er van met hun werkzaamheden, censureringen niet aan de regeling en het bestuur van de kerkenraad, van de classe en van de synode, maar slechts van de academiÎn, vorsten of Staten onderworpen zouden zijn, dan zou het de schijn hebben, dat een kerk in of naast of tegenover de kerk werd opgericht, of een nieuwe vorm van independentistische of congregationalistische kerken tegenover de presbyteriale vervaardigd werd.

 

 

 

 

 

Ý

Hoofdstuk 6. Over de kapittelkerken, de dom- of dioceeskerken, de aartsbisschoppelijke kerken of metropolitaankerken de patriarchale kerken, de oecumenische kerken

 

Tot hiertoe hebben wij een klein onderzoek ingesteld naar de kerken, waaraan iets ontbreekt. Thans rest ons te handelen over die kerken, die iets te veel hebben. Het pauselijke canonieke recht heeft verscheidene onderscheidingen van de kerk, zoals de oecumenische kerk, de potentiÎle kerk, de consistoriaalkerk, de patriarchale kerk, de metropolitaankerk, de kathedraal-, dom- of dioceeskerk, de collegiaat-, collegiaal- of kapittelkerk, de voorname kerk, de aan gewoon opzicht onttrokken of geÎximeerde kerk, de kerk, wier kapittel een bepaald getal kanunniken telt, de kerken, waaraan een prebende verbonden is, de parochiekerk of de kerk, waaraan zielzorg is verbonden, de reguliere kerk, de moederkerk, de kerk, waarbij een vereniging van prebenden had plaats gehad, de doopkerk. Maar dewijl men naar Roomse schrijftrant door kerken meestal zogenaamde potentiÎle of vertegenwoordigende kerken of kerkgebouwen verstaat, en wij later over de kerkgebouwen handelen moeten, evenals over de patriarchen, aartsbisschoppen en bisschoppen, zullen wij, om niet tweemaal hetzelfde te behandelen, hier voornamelijk onderzoeken naar collegiaalkerken, domkerken en metropolitaankerken. Wij stellen hier voorop een beschrijving van de kapittelkerk volgens het canonieke recht en naar de pauselijke mening. Een collegiaat-, collegiaal- of kapittelkerk is een kerk, waarin uit de vereniging en vergadering van geestelijken een lichaam wordt samengesteld, dat de naam van college draagt.Zij staat tegenover de kerk zonder college, dat is, de gewone parochiekerk of de kerk, waaraan zielzorg is verbonden. I. Zij wordt ook genoemd conventuele collegiaalkerk, en kerk bij uitnemendheid. II. De stof, waaruit de collegiaalkerk wordt samengesteld is deels elke parochiekerk, deels zeker getal geestelijken, die met en onder een voorzitter als college over deze kerk staan, haar verzorgen en regeren. De goed gestelde en zuivere staat van deze kerk vereist een kapittel, dat is kanunniken met de daarmee gepaard gaande waardigheden en bedieningen, waarover in deel 2 moet gehandeld worden. Overigens zijn, wanneer de noodzakelijkheid het meebrengt, drie voldoende om dit college samen te stellen, indien zij namelijk collegevergaderingen houden, een gemeenschappelijk zegel en een gemeenschappelijke kas hebben, en onder elkaar de broederband onderhouden[74]. III. Kanunniken worden genoemd dienaren, die goddelijk dienstwerk verrichten. Hun dienstwerk bestaat in deze twee dingen, in het zitten op de kapittelbank in het koor met deelname aan het goddelijk dienstwerk, en in het stem hebben in het kapittel. Het hebben van een zetel in de rij van de koorstoelen sluit in het deelhebben aan de kerk, koor en altaardienst, dat ze n.l. niet door een plaatsbekleder, maar zelf persoonlijk tegenwoordig zijn bij de mis en de getijgebeden, zowel de hymnen en lofzangen van God als de koormissen zingen, de missen voor de afgestorvenen en de gebenedijde Maagd Maria opzeggen, de boetpsalmen en liederen van de opgang zingen, de bisschop bijstaan, als hij de heilige plechtigheden zal vieren, of bij de goddelijke dienstverrichtingen toehoorder zal zijn (wat inzonderheid betrekking heeft op de kathedrale kanunniken). Hun kerkelijke macht wordt uitgedrukt door het bekleden van een domheersplaats of het hebben van stem in het kapittel. Het hebben van een plaats in het kapittel omvat de behering en besturing van de geestelijke en tijdelijke goederen van kerk en kapittel[75]. IV. Die vereniging en orde tussen de kerk en het kapittel of college van geestelijken maakt de vorm uit. De nadere grondslag van die collegiale vereniging is de schenking aan die kerk, waardoor haar de middelen verschaft worden voor de dagelijkse uitdelingen, evenzo voor de preuven en beneficiÎn van haar geestelijken. Hier wordt ook vereist de toestemming van de patroon, indien de kerk onder patroonrecht staat. De naaste grondslag is het gezag en de wil van de bisschop, die de parochiekerk tot een kapittelkerk verheft[76]. V. Haar eigenschappen zijn: 1e, dat ze hoger en waardiger is dan de niet-collegiale kerk of eenvoudigre parochiekerk, en haar behoort voor te gaan, hoezeer deze ouder was en haar voorging, voordat ze kapittelkerk was[77]. 2e Dat de kapittelleden van dat college gemeenschappelijk de koordiensten vieren. 3e Dat ze derhalve gemeenschappelijke voordelen trekken en gemeenschappelijke uitdelingen ontvangen uit alle vruchten, inkomsten en opbrengsten[78]. 4e Dat het kapittelrecht bij een enkelen blijft berusten en bewaard kan blijven, als de anderen gestorven, van hun ambt beroofd of geschorst zijn[79]. 5e Dat een kanunnik van de kapittelkerk, al was hij een zeer ervaren doctor, niet kan worden aangesteld tot gedelegeerde van de paus of synodaal rechter[80]. 6e Dat ze wat gebruiken en ceremoniÎn betreft de loffelijke en oude gewoonten van andere gelijkvormige kerken van haar provincie moet houden[81]. 7e Dat de kanunniken van de kapittelkerk een eigen kruis kunnen dragen in processies, mits zij slechts de waardiger en de voortreffelijkste plaats overlaten aan de geestelijkheid van de kathedraalkerk[82]. 8e Dat zij niet op dezelfde wijze en op dezelfde dag het feest van de toewijding viert, als het gevierd wordt in de metropolitaankerk[83]. 9e Dat ze niet het gebied van de parochiekerk mag betreden om daar de zegen te geven en de kaarsen en palmen uit te delen[84]. 10e Dat de collegiaalkerk haar bestaan als zodanig, in geval van onzekerheid over het begin van de stichting, mag bewijzen uit vermoedens en aanwijzingen. De sterkste vermoedens of aanwijzingen nu zijn deze: het prelaatschap van de eerste rang, hetwelk de kroon van het kapittel is, waardoor de leden van het kapittel kanunniken worden, en op welks verlangen zij vergaderen, en wel op het gelui van de klok; een gemeenschappelijk zegel, een gemeenschappelijke kas, zodat de vruchten gemeenschappelijk verdeeld worden; het geven van geschenken voor de kanunnikdijen, en toewijzingen van de koorbank en de kapittelplaats, gedaan door de kanunniken, kapittelsgewijs vergaderd en van een kanunnikplaats voorzien zijnde[85]. 11e Dat, al is het ook in rechten niet uitgemaakt, welke kerk voorname kapittelkerk moet genoemd worden, de rechter toch veilig uitspraak kan doen over deze hoedanigheid, omdat ze bestaat in een aanzienlijke, voorname en uitstekende plaats, en dat dit aldus volgens het algemene gevoelen van de menen vaststaat, of omdat ze een moederkerk is, een oude kerk, boven andere de voorrang heeft, een uitstekenden bouw heeft, of voorzien is van een groot getal bedienaren[86]. 12e Dat nieuwe kanunnikdijen in deze reeds gestichte kapittelkerk kunnen gesticht en toegevoegd worden door de bisschop, n.l. met een behoorlijk vast inkomen; want kanunnikdijen boven het bestaande getal met het oog op een toekomstige preuve te stichten staat niet aan de bisschop, noch aan het kapittel, maar alleen aan de paus[87]. VI. De kapittelkerken worden verdeeld 1e in voorname en eenvoudige of niet voorname. De eerste gaat de laatste voor al was deze ook vroeger gesticht, en de latere stichting van de eerste ook zonder benadeling van de laatste gedaan[88]. 2e In de kapittelkerken in en buiten de diocese. 3e In reguliere en seculaire. De reguliere kerk is die, welke bestuurd wordt door een college van monniken of kanunniken van reguliere Benedictijnen, CisterciÎnsen, Cluniacensen, Praemonstratensers, Augustijnen en Kruisdragers. Hierbij merke men op, dat heden ten dage het grootste deel met de opheffing van de kloosterlijke samenleving is overgegaan in een seculaire staat[89]. 4e Zo worden de kapittels verdeeld in bevoorrechtte of aan gewoon opzicht onttrokken kapittels en die, welke dit niet zijn. Wederom in die, welke een quasi-bisschoppelijke rechtspraak hebben, en die, welke dit niet hebben[90]. De macht van visitatie van een aan gewoon toezicht onttrokken kapittelkerk kan de bisschop weer overdragen, maar er is een bijzondere overdracht nodig[91]. Eindelijk zou de verdeling van de kapittelkerken in volstrekt bijzondere soorten, of zo men liever wil in eenheden bijna oneindig zijn. Aubertus Miracus heeft in een bijzondere verhandeling getracht het getal van de seculaire kapittelkerken te berekenen. Het getal van de reguliere heb ik nog niet bij enig schrijver aangegeven gezien. Alhoewel ik niet twijfel, of een schrijver van de monnikorde van de Benedictijnen, CisterciÎnsen, Praemonstratensen, Augustijnen en Kruisdragers heeft wel het getal van de over de gehele wereld verspreide kloosters elk van zijn eigen orde opgeteld.

2. Na deze voorafgaande beschrijving van de kapittelkerken volgt een beoordeling of onderzoeking van deze kerken, welke wij in drie slotsommen samen vatten.

Ie Elke particuliere, zichtbare, eigenlijk gezegde, dat is plaatselijke kerk, hetzij van een stad of een kleine stad of dorp, kan en moet zijn en genoemd worden collegiaalkerk; echter niet tot onderscheiding en in tegenoverstelling van de meeste andere parochiekerken, zodat n.l. met toekenning van deze bijzondere uitstekendheid aan enige weinige kerken de vrijheid en macht van anderen teniet gaat, en de wording van de een verslechtering van de andere is. De grond hiervoor is deze, dat alle particuliere, georganiseerde kerken gelijkslachtig en gelijk zijn als gelijksoortige delen van een ongeschonden geheel, hetwelk is de over heel de wereld verdeelde kerk, of als onderdelen van de ene, gehele, algemene kerk. Wat derhalve passend is voor en toegekend wordt aan de ene, dat moet tegelijkertijd aan de andere worden toegekend.

IIe Hierom moeten alle plaatselijke kerken (welke men met een gewone naam parochiekerken noemt), niet de verminkte, wel te verstaan, maar de ongeschonden en goed georganiseerde kerken collegiaalkerken zijn, en dat zijn onze gereformeerde kerken in Frankrijk, Nederland, Schotland enz.

IIIe Verkeerd of oneigenlijk derhalve worden in het pausdom zodanige kerken collegiaalÝ of kapittelkerken genoemd, die een college van geestelijken of een kapittel hebben; en wel om de volgende redenen. 1. Omdat zij tot onderscheiding aldus genoemd worden tot nadeel en onderdrukking van andere kerken, aan welke het niet wordt toegestaan collegiaalkerken te zijn, tenzij ze tot zodanige kerken verheven worden[92]. Aldus wordt de trots van de wereld in het heiligdom gebracht, en wordt de oligarchische priesterheerschappij bevestigd en bevorderd, zodat deze tenslotte eindigt in alleenheerschappij en tirannie; terwijl toch de ene kerk niet boven de andere staat, en de macht van allen gelijk is, ook in de instelling en het gebruik van die colleges, en daarom ook in de gehele en volledige openbare eredienst, zo ook in het bestuur en de uitwendige kerkelijke regering. Zie Matth. 18: 17, 1 Kor. 5 vergeleken met 2 Kor. 2: 6, 1 Tim. 4: 14. Vergelijk deel 2, waar over de ouderlingen gehandeld wordt. 2. Omdat de grondslag van deze kerkelijke macht en bevoorrechting verkeerd is; derhalve is ze ook zelf verkeerd. De nadere grondslag is de verrijking en begiftiging van de ene kerk boven de andere. Even alsof Christus de heilige en kerkelijke eenheid en macht had afhankelijk gemaakt van de macht van de onrechtvaardigen Mammon[93]. De naaste grondslag is de macht van de paus, die naar goddelijk recht en het oud kerkelijk recht over andere kerken in 't geheel niet bestaat. Het gevoelen dergenen, die dit toekennen aan de hiÎrarchische, alleen heersende bisschop is nauwelijks een halve cent beter. 3. Omdat de verrichtingen of handelingen van het genoemde college onwettig zijn ingesteld; deels wegens de zeer grove misbruiken, daarin tot wet gemaakt, als bijgelovigheden, afgoderijen en ketterijen in de eredienst; deels wegens de aanmatiging van macht en van het recht van monopolie; want die zogenaamde geestelijken eigenen zich de macht van het geestelijk en kerkelijk bestuur toe, en ontnemen die aan hen, die als plaatselijke opzieners, als predikers, of onder enige andere naam die kerk dienen in Woord en Sacramenten, aan welke die macht echter naar goddelijk recht toekomt. Ef. 4: 11, 12. 1 Thess. 5: 12. 1 Petr. 5:1, 2. 1 Tim. 4: 14 en 5: 17 . Want in een gewone herder van de zielen kan de prediking van het Woord en de bediening van de Sacramenten met de (zogenaamde) inwendige rechtspraak op het gebied van de consciÎntie niet gescheiden worden van de macht van de (zogenaamde) uitwendige regering en rechtspraak. Bovendien ontnemen zij aan de gemeente of aan het gehele lichaam en eisen voor zichzelf alleen op de dienst om openbaar God aan te roepen en te prijzen, in strijd met 1 Kor. 14: 16, 26. Kol. 3:16[94]. Voeg hier bij, dat zij aan andere kerken ontnemen en zichzelf, als hadden zij hierop uitsluitend recht, toekennen die volledige openbare eredienst, waardoor God collegesgewijze en in koor geÎerd en geprezen wordt[95]. 4. Omdat het college op verkeerde en onwettige wijze samengesteld wordt, alleen uit sommige geestelijken, op welke wij dit aan te merken hebben: Allereerst, dat de verkiezing nauwelijks de schaduw is van een kerkelijke verkiezing, maar op velerlei wijze bezoedeld is. Bekend zijn bij de leraars van het canonieke recht de zo vaak voorgekomen pauselijke handelingen tot opdringing van personen, evenzo de pauselijke maanden, [de acht maanden waarin alle beneficiÎn aan de paus werden voorbehouden], de benoemingen bij toerbeurt, enz., daarbij het doen van afstand van een prebende en andere soorten van koophandel. Ten tweede, dat de hoedanigheden en vereisten van de te kiezen personen met geen zaak minder overeenkomen dan met de zielzorg en de kerkelijke bediening. De meesten toch zijn luie buiken of niet meer dan knapen of wereldse mensen, gelijk niet onduidelijk erkend wordt door degenen, die verhandelingen schrijven over de kanunniken z. a. Molanus, Barbosa en anderen[96]. Ten derde, dat, al gedragen zij zich in hun soort ook nog zo goed, hun ambt toch een louter menselijk gewrocht is, loutere machtsaanmatiging, waardoor zij zich boven de broederen verheffen; en dat zij, terwijl zij in het minst de zielen niet kunnen of willen leiden en verzorgen, toch de herders van de kerken en de dienaren van het Woord mitsgaders hun kerken besturen. Dit argument klemt te sterker, indien het college of kapittel bestaat uit kloosterlijk samenlevende geestelijken, dat is monniken, waarover later op de daartoe bestemde plaats. 5. Omdat de rechten en gewoonten, die gewoonlijk bij het begin van de oprichting van de collegiaalÝ of kapittelkerken, onder het pausdom en in hun voortdurend bestuur in acht genomen worden (zie hierover boven in de eerste stelling), niet met de Schrift en het oude recht en de praktijk van de kerken overeenkomen. Laat men slechts de rechtvaardiging ervan beproeven en men zal zien, dat het louter nieuwigheden zijn en paaps beuzelwerk, die in de tijden van verval ontstaan zijn.

3. Wat het woord katheder [stoel] in het burgerlijke leven betekent, is bekend. Op het kerkelijke overgebracht is het een oude naam voor het ambt van leraar of kerkbestuurder. Toen de aloude eenvoud afnam, en de jacht op de katheder, de bisschoppen in de kerk gegeven, toenam, begon deze overdrachtelijke benaming meer bijzonder toegeÎigend te worden aan de aldus genoemde bisschoppen, zodat hun bediening, bestuur en opzieners ambt met de naam van zetel, katheder en zitting aangeduid werden[97]. Zo wordt de kerk kathedrale kerk genoemd ter ere van de bisschoppelijke katheder, en omdat in het bezit van die kerk de katheder is, waarnaar de grote waardigheid van die leermeesters wordt aangeduid[98]. Zo wordt ook genoemd: 1. De grote kerk, zoals de rechtsgeleerden aantekenen op L 8. C. de Episcopis et clericis. 2. Wordt zijÝ kortweg zonder nadere bepaling, de kerk, genoemd, met weglating van de verdere benaming naar enige heilige of van de bijvoÈging van het woord kathedraal[99]. 3. In het Hollands en Duits wordt zij genoemd de domkerk, wat men meestal afleidt van Dominicum [van de Heere]. Molanus in zijn verhandeling over de kanunniken, boek 3, kapittel 3, wil het liever afleiden van het woord bisdom door afwerping van de lettergreep bis, zodat men voluit zou zeggen bisdomkerk.

De nadere grondslag van deze uitnemendheid van de kathedrale kerk of van de kathedrale waardigheid bestaat in de volgende zaken: 1e Dat ze een kapittelkerk is. 2e Dat de plaats, waar ze moet gesticht worden een aanzienlijke en talrijke bevolking heeft, zodat zonder dusdanige verheffing het volk in geestelijk opzicht gebrek zou lijden, in welk geval die verheffing er toe zou moeten medewerken, om gemakkelijker in de geestelijke behoeften te voorzien. 3e. Dat het volk daar uitmunt in goede zeden en eerbaarheid. 4e. Dat daar zij een overvloed van priesters, opdat de bisschopszetel zijn waarde niet verliest. 5e. Dat ze niet blijft zonder diocese, zodat, indien een voldoend aantal kerken ontbreekt, die haar onderworpen kunnen worden, enige kerken, hetzij in hetzij buiten de diocese georganiseerd, met haar verenigd worden. Deze vereniging noemt men dotatie of schenking, welke behoort bij de verheffing tot kathedrale kerk als een noodzakelijk bestanddeel er van, daar geen kerk zonder begiftiging kan zijn[100]. De naaste grondslag is het gezag van de paus alleen, die enige kerk tot kathedrale kerk verheft, gelijk vaststaat uit de praktijk (waarvan wij beneden enige voorbeelden zullen opnoemen), en volgens het algemeen kerkelijk recht, en volgens de theologie in het pausdom[101].

De wezenlijke bestanddelen van de kathedrale kerk, waarin ook de kentekenen en bewijzen voor haar kwaliteit moeten gezocht worden (volgens de aangehaalde plaats van Barbosa) zijn deze 1e Dat ze het kerspel is van de gehele stad of diocese[102]. 2e Dat ze de zetel heeft van een prelaat, hetzij van een reguliere of van een seculaire. 3e Dat ze tot kathedrale kerk verheven en geconstitueerd is door de paus van Rome. Dat dit tot zijn bevoegdheid alleen behoort, dit leren onder de leraars van het canonieke recht Rebuffus[103] en onder de theologen Azorius[104]. 4e Dat ze worde benoemd (of zeker benoemd moet worden) met de naam van de diocese, niet van een heilige[105]. 5e. Dat ze het feest van de wijding viert, welk zeer oud gebruik immers niet had kunnen geduld en bewaard worden, tenzij de eigenschap van kathedrale kerk was toegelaten[106]. 6e Dat ze de bevoegdheid heeft tienden te eisen, die op het grondgebied van de stad alleen aan de kathedrale kerk toekomen[107]. 7e Dat ze het recht heeft lijken uit andere kerspelen te halen en die te begraven. Dit toch wordt alleen aan de kathedraalkerken toegestaan, en is aan de andere kerken rechtens verboden[108]. 8e Dat ze heb de bediening van alle sacramenten zonder onderscheid (tenminste als een gewoonte)[109]. 9e Dat het dragen van het lichaam van Christus en de gehele processie bij het feest van het lichaam van Christus [Sacramentsdag] van de kathedrale kerk moet beginnen en daar eindigen[110]. 10e Dat ze in waardigheid gaat voor alle niet-kathedrale kerken, en dat haar kanunniken de kanunniken van de kapittelkerken moeten voorgaan[111]. Welke onmetelijke afstand het gewoon gebruik en de trots van de mensen nu tussen die kanunniken gemaakt hebben, blijkt uit het antwoord van een Leidse kanunnik aan de kanunnik de Boxtehoede (die hem in zijn brief met de naam van medebroeder begroet had): medebroeder, zei hij, met hetzelfde recht als waarmee vliegen vogels genoemd worden, zoals ik mij herinner gelezen te hebben bij MolanusÝ over de kanunniken, boek 1 c. 3. 11e Dat de geestelijkheid van de kathedrale kerk bij de begrafenisplechtigheid ook van gestorvenen van de eigen kapittelkerk van de parochie over de gehele weg zowel door haar eigen rechtsgebied als door dat van de andere kerken vooraf moet gaan aan de geestelijkheid van andere kerken, ook van de zelfstandige bevoorrechte die een eigen rechtsgebied hebben, onderscheiden van dat van de kathedrale kerk[112]. Echter is er op deze regel ÈÈn uitzondering, n.l. dat de kanunniken van de kapittelkerk in de stad Rome als waardiger voorafgaan aan de kathedrale kanunniken in andere steden[113]. 12e Dat haar deken aan allen, die tot haar diocese behoren, de sacramenten bedient, daar hij immers aan het hoofd van die kerk staat, die de parochie van de gehele stad en diocese genoemd wordt[114]. 13e Dat haar kanunniken, priesters en geestelijken tezamen een lichaam uitmaken, en allen onder het kruis van de kathedrale kerk bij de openbare processies moeten voortgaan[115]. 14e Dat zij in alle zaken de voorrang hebben boven de reguliere kanunniken, ook in de kerken van de reguliere kanunniken zelf[116]. 15e Dat zij in alles en bij alles moeten gesteld worden boven de wereldlijke overheid (voor zoverre die n.l. niet behoort tot hen, die voor het leven hun ambt bekleden, en tot de hogere overheid), en dat de prediker dienovereenkomstig hen het eerst moet groeten, en dat voor hen eerder dan voor de overheid wierook moet geofferd worden, zowel in de kathedrale kerk als in andere[117]. 16e Dat zij bij processies in vol ornaat moeten gaan[118]. 17e Dat haar kapittel ook bij het leven van de bisschop tot de provinciale conciliÎn moet worden opgeroepen en toegelaten[119]. 18e Dat in de regel aan hun boeken het volste vertrouwen pleegt geschonken te worden[120]. 19e Dat koningen en vorsten haar patronen zijn wat de bevordering betreft, niet wat de verkiezing of voorstelling betreft, tenzij er een apostolisch voorrecht is, wat bijna allen in Europa hebben, volgens getuigenis van Barbosa, c. 22.

Er zijn ook nog andere negatieve eigenschappen, die niet zozeer er toe schijnen bij te dragen, om de omvang van haar waardigheid nog te vergroten, als wel, omdat te buiten gaan van alle paal en perk te stuiten en te beteugelen. 1e Dat door haar oprichting nooit geoordeeld wordt te kort gedaan te zijn aan het recht van een andere kerk, behalve in zo ver de paus dit uitdrukkelijk uitspreekt[121]. 2e Dat het haar kerspelgeestelijke niet geoorloofd is de sacramenten te bedienen of zielzorg uit te oefenen in een andere parochie[122]. 3e Dat de bisschop haar eigen archief kan bezoeken, en de rechten en geschriften, die op haar rechtstoestand betrekking hebben kan onderzoeken, met behulp echter van enige kanunniken van dezelfde kerk[123].

Aan de bovengenoemde eigenschappen worde nog toegevoegd dit mengelmoes, deels van lasten, deels van voorrechten. 1e. Onder de bijkomende eigenaardigheden en voordelen van de kathedrale kerk behoort de kathedraalbelasting (cathedraticum), die echter alleen haar eigen echtgenoot ten deel valt, dat is de bisschop[124]. Het is n.l. dat geschenk, hetwelk de diocesaanbisschop gewoon is elk jaar te vorderen van ieder van de kerken of geestelijken, die aan zijn katheder onderworpen zijn. Deze belasting wordt ook synodaticum genoemd, omdat ze vroeger opgebracht is tot verlichting van de onkosten van de synodale vergaderingen. Nu zeggen de leraars van het canonieke recht, dat dit eershalve aan de bisschop van de kathedrale kerk betaald wordt. De bisschop kan niet onder de naam van kathedrale belasting een nieuwe belasting opleggen. Ook kunnen de broeders van de heilige Johannes van Jeruzalem niet gedwongen worden tot betaling van deze belasting[125]. 2e. De bisschop kan de visitatie van de kathedrale kerk niet rekken, maar moet ze onafgebroken voortzetten, en niet tot de uitwendige handelingen zich wenden[126]. 3e Hij kan de zetel van de kathedraal niet verleggen naar een andere plaats van de diocese, zonder apostolisch gezag[127]. 4e. Hij kan niet naar de kathedrale kerk overbrengen de kapellanen, die de koordienst hebben in een kapel bij de kathedraal[128]. 5e. De herstelling van de kathedrale kerk behoort tot de taak van de bisschop. Omdat haar inkomsten gering zijn, is het kapittel van de kerk zelf gehouden ze aan te vullen uit de vruchten, die overblijven na aftrek van het nodige. Indien echter de opbrengsten van bisschop en kapittel niet voldoende zijn, zal de bisschop samen met de kanunniken de opbrengsten van de vakante beneficiÎn gebruiken kunnen voor de fabriek van de kerk[129]. 6e. De bisschop is niet gehouden het gevoelen van het kapittel te volgen in het maken van bepalingen op de synode. Hij alleen heeft een beslissende stem op de synode van de diocese, het kapittel echter niet, tenzij in gevallen door het recht of door voorrecht en gewoonterecht vastgesteld. Ook kan hij op dezelfde synode wetten maken zonder de goedkeuring van de geestelijkheid[130]. 7e De vicaris (administrator, procurator, visitator genoemd) van de kathedrale kerk kan in geestelijke en tijdelijke zaken dat, wat op de rechtspraak betrekking heeft, verrichten, niet echter dat, wat op de sacramenten betrekking heeft. Vicaris is hij nu, die alleen door de apostolische stoel in vacante kathedrale kerken tijdelijk wordt afgevaardigd. De grond van deze macht ontlenen de leraars van het canonieke recht aan de macht van de bisschop, die, gekozen en bevestigd zijnde, datgene wat op de rechtspraak betrekking heeft, verrichten kan. Derhalve kan de vicaris het ook, zeggen zij[131]. 8e. Het geldelijk voordeel, dat met de rechtspraak, met het zegel van de curie of op andere wijze behaald wordt, en dat aan de prelaat van de kathedrale kerk of van de kapittelkerk behoort, moet, als deze vacant is, voor de opvolger bewaard worden[132]. 9e Als de bisschop door heidenen of scheurmakers is gevangen genomen, beheert niet de aartsbisschop, maar het kapittel[133]. 10e Niemand kan zonder bijzonder verlof van de paus voor de kathedrale kerk zorgen, die geestelijkheid en gemeenteleden mist[134]. 11e. Indien een kerk, gelegen in een aartsdiaconaat, verheven wordt tot kathedrale kerk, wordt ze aan het rechtsgebied van het aartsdiaconaat onttrokken[135]. 12e. In bezwarende rescripten, of wanneer de paus aan iemand opdracht geeft, om maatregelen te nemen met betrekking tot een prebende, behorende aan enige van de kerken van een stad of diocese, dan moet onder die algemene naam de kathedrale kerk niet begrepen worden[136]. Maar meer dan genoeg van deze beuzelingen.

4. Nu moet de aandacht gewijd worden aan de kerken, die het meest op kathedrale kerken lijken, en vervolgens aan hun meer bijzondere soorten. De kerken van de eerste soort zijn: 1e. Voorname kapittelkerken, waarover boven is gehandeld. 2e. Bevoorrechte kapittelkerken, die een eigen rechtsgebied hebben, van dat van de kathedrale kerk onderscheiden. 3e. Kapittelkerken, tot geen diocese behorend, of buiten de diocese liggend, zoals de abdijkerken of abdijen, in niet geringe getale voorkomend. De kathedrale kerk wordt verdeeld in deze meer bijzondere soorten:

1e. In de kathedraal met en zonder vast getal kapittelleden (numerata, en non-numerata). De numerata wordt omschreven als een kerk waarin een vast getal kanunniken is, op zodanige wijze, dat dit getal niet kan veranderd worden volgens bepaling en voorschrift van het statuut[137]. 2e. In de reguliere en seculaire kathedraal. De reguliere is die, waarin het kathedrale kapittel bestaat uit reguliere geestelijken. Van de reguliere kanunniken nu zijn er twee soorten, waarvan de een onder een kloosterlijke tucht en gehoorzaamheid leven, gelijk de wezenlijke monniken, zonder enig beheersrecht, de anderen hun aandelen in de plaats van de kanunnikdijen hebben met het beheersrecht. Zodanigen waren er vroeger in Engeland, en zijn er heden ten dage nog in SiciliÎ volgens getuigenis van Barbosa t.a.p. C. 1. Een seculaire kathedraal is zodanige, waarin het kapittel uit seculaire geestelijken bestaat die irreguliere (niet geregelde) kanunniken genoemd worden; zodanigen zijn heden ten dage ongeveer allen. Vroeger echter in het eersten begin waren de meeste, zo niet alle meer beroemde kathedraal- en metropolitaankerken reguliere kerken, gelijk Joh. Baptiste Signius, boek 1 de Ordine et statu Canonica c. 16, zoekt aan te tonen met de voorbeelden van de kerken van AlexandriÎ, Aquileja, ja ook van de eerste kerken van Jeruzalem en AntiochiÎ. Maar in de latere eeuwen zijn de meeste van die seculair gemaakt. De bewerker van zodanige verwereldlijking of secularisering is alleen de paus[138].

Hier zouden deze vragen ter oplossing opgeworpen kunnen worden. 1. Of de kerken, wier kanunniken seculair zijn, maar wier bestuurders of oversten seculaire abten of prioren zijn[139], zuiver seculaire kapittel- of kathedraalkerken genoemd moeten worden of gemengde? 2. Of een seculaire abt of prior geen tegenstrijdigheid is, evenals of men sprak van een monnik, die geen monnik is? 3. Of de verwereldlijking of secularisatie naar de grondstellingen van de Roomse theologie niet genoemd zou kunnen worden een overgang van paard tot ezel? Voorts over het verschil tussen een college van geregelde en niet-geregelde geestelijken, tussen een geregelde en niet-geregelde overste of prelaat, tussen een geregelde en wereldlijke kanunnik, en over de verschillende inrichting en wijze van het bestuur, zie men Barbosa t. a. p. Want het uitschrijven van de beuzelingen verveelt. 3. De verdeling van de kathedraalkerken in nog meer bepaalde onderafdelingen, of in afzonderlijke exemplaren moet gehaald worden uit de Notitia Episcopatuum, die vroeger is uitgegeven met Barcinonensis Practica Cancellariae apostolicae. Meer nauwkeurig echter en meer overeenkomstig met de tegenwoordige toestand is de meer nieuwe verdeling, welke Barbosa heeft in zijn Praxis exigendi Pensiones, uitgegeven in het jaar 1636, met sommige Vota decisiva Canonica. Onder welke men lette op de kerken van Loretto, Riva, Szoreny, Montalto, Tolentino, die in de vorige eeuw door de laatste pausen tot kathedrale kerken verheven zijn[140].

5. Nu volgt een onderzoek en weerlegging van de zogenaamde kathedrale kerken. Wij zeggen, dat die kerken zaken van menselijke uitvinding zijn, en dat men dientengevolge door een heilzame hervorming tot de aloude en apostolische eenvoud in dezen dele moet terugkeren. De gronden, vroeger tegen de kapittelkerken te berde gebracht, kunnen hier alle op dezelfde wijze of met meerdere kracht worden toegepast. Laat ons nu de volgende gronden aanvoeren: 1e Omdat er geen stof is voor zodanige kerk, is er derhalve geen zodanige kerk. Als haar stof wordt vastgesteld de diocesekerk of de diocese, van wie de gemeenschappelijke of algemene parochie de kathedraalkerk genoemd wordt. Maar dat het diocesestelsel strijdt met de schrift, die alle parochiekerken of particuliere, georganiseerde kerken kerken noemt, staat vast uit de door Parker aangehaalde schriftuurplaatsen, bij wie men ook zie de verdediging van dit argument tegen de Roomsen. Pol. Eccl. Boek 3, kapittelken 18 en 19. ñÝ 2e Omdat er geen vorm van zodanige kerk bestaat. Maar hoedanige vorm ook gedacht en gezocht wordt deels in de prelaat of bisschop, deels in het college of kapittel van kanunniken, ze strijdt met Gods Woord, dat geen ambten kent buiten de in Ef. 4, 1 Tim. 5: 20, 1 Kor. 12, Hand. 6 en 20, Titus 1 genoemde. Bovendien stelt Gods Woord alle herders gelijk. Maar elders overtuigen wij de bisschoppen en kanunniken naar goddelijk recht van wanordelijkheid en machtsaanmatiging. 3e Omdat de grondslag van de kathedrale kerk verrot en verkeerd is. De meer verwijderde grondslag toch is de burgerlijke bestuursinrichting, naar wier richtsnoer en voorbeeld de waardigheid en verheffing van de kerken in grote steden en hoofdsteden, en de indeling van alle andere kerken in kleine steden en op het naburige platteland als het ware in gouvernementschappen, zodat deze aan de eerste als aan haar moeder en meesteres onderworpen werden, is uitgewerkt. Dit is in strijd met Luk. 22, en met Gal. 1, 2 Kor. 8, Filip. 4, enz. Op deze plaatsen worden de kerken van MacedoniÎ, AziÎ, AchaiÎ, Judea, GalatiÎ met gelijk recht en voorrecht genoemd zonder eerbetoning of onderscheiding van meerderheid. Behalve dat nergens hetzij in de brieven, hetzij in de gewijde geschiedenis de kerk van Korinthe, Efeze enz. met deze naam genoemd worden. De nadere grondslag (voor sommige voorstanders van de hiÎrarchie de enkele en enige grondslag) is de bekering, of de moeite en dienst, die enige kerk besteedt in het planten, verzamelen en stichten van andere kerken, waaruit zij menen, dat een recht van onderhorigheid verkregen wordt. Maar zonder steun in de Heilige Schriften, ja zelfs in strijd met deze en in strijd met alle redelijkheid. Alzo zou de kerk van Jeruzalem of Judea voortdurend alle andere kerken aan zich onderworpen moeten hebben als de eerste en gemeenschappelijke moeder (Jes. 2, Joh. 4, Hand. 1 en 2, Rom. 11), en op gelijke wijze de Griekse of oosterse kerken die van Rome, en alle andere westerse kerken. Het strijdt ook tegen de rede, zo gezegd wordt, dat een particuliere, zichtbare en georganiseerde kerk daarom niet wezenlijk een kerk is en geen eigen vorm heeft, geen eigen, inklevende kerkelijke macht, omdat zij uit een andere is ontstaan en voortgebracht, even alsof een mens niet wezenlijk een mens en even goed als hem, die hem geteeld heeft, zijn zou, omdat hij zijn bestaan aan een ander dankt. Maar over dit punt weiden wij meer uit in de Desp. Causa Papatus, boek 3, afd. 3, hoofdst. 4. De naaste grondslag van dit gebouw is, wat zijn aanvang betreft, de menselijke willekeur en gewoonte; en wat het ten top voeren van de heerschappij betreft, het gezag van de paus. Het is hier niet de plaats te zeggen, hoeveel nu in goddelijke en kerkelijke zaken aan elk van die beide moet toegeschreven worden. 4e Omdat het noodzakelijk vereiste of het eerste, tot het wezen behorend, noodzakelijk bestanddeel van kathedraliteit niet bestaat, n.l. de kerkelijke macht over de kerken van het gehele district of de gehele diocese, ja zelfs over de kerken van de kleine steden of van de grotere steden, en dat nog wel waar die steden in een andere provincie of in een andere landstreek veraf gelegen zijn, daarom bestaat derhalve ook de kathedrale kerk niet. Het voorafgaande blijkt duidelijk, omdat de kerkelijke macht bij alle en de enkele kerken berust, wat het beroepen van de dienaren, de bediening van het Woord en van de sacramenten, en de uitoefening van de tucht betreft, volgens Matth. 18, 1 Cor. 5 en 14, 2 Kor. 8, Ef. 4, Hand. 4, 1 Thess. 5, 1 Tim. 3, 4 en 5, 1 Petr. 5 enz. Men vergelijke de volgende verhandeling over de kerkelijke macht, en deel 2 over de beroepingen van de dienaren, over de ouderlingen, en over de klassen en synoden. 5e Omdat de vereisten, de rechten en de gewoonten, die in de stichting, de verrijking en het bestuur van de kathedrale kerken gewoonlijk in acht genomen worden (hier boven vermeld), strijden met het goddelijk recht, de aloude eenvoud en de opbouwing van de kerken. Om het in ronde woorden te zeggen, het is bloot machtsaanmatiging en geroofd goed, door de geestelijken aan andere kerken ontnomen, en ze ontnemen aan de andere kerken waar het Woord en de sacramenten bediend worden, het wezen van kerken. Deze dingen zijn alle zo dwaas mogelijk; ze slechts genoemd te hebben, is hun dwaasheid bewezen te hebben. 6e Omdat men hierdoor kerkelijke overheersing, regering van weinigen, voorrang, alleenheerschappij en pauselijke tirannie, de bemoeiing met eens anders doen, kortom, de stinkende trots van de wereld invoert of bevestigt, langzamerhand al het heilige in het onheilige, de kerk in de wereld omzet, en haar (om een uitdrukking van henzelf te gebruiken) seculariseert of verwereldlijkt. Dit weten zij die de kathedralen met hun versieringen, inkomsten en pracht kennen, benevens de kathedrale kapittels met hun inkomsten, ereposten en ereambten van aartspriester, aartsdiaken, overste, deken, evenzo de bisschoppen en bisschoppelijke curiÎn met de vicarissen, officialen enz., of die slechts Keulen, Luik, Mainz, San Jago de Compostella, Parijs, Tarraco, Saltzburg, Bamberg, Saragossa enz. gezien hebben. Maar het duidelijkste bewijs is hier wel geleverd door de vleselijke redetwisten, bepalingen en regels over de voorrang; welke ons rijkelijk verschaft worden, behalve door het canonieke recht, door de bullen en constituties van de pausen, en de handelingen van de Congregatie van Kardinalen tot bepaling van de riten, en van een andere Congregatie, die belast is met de uitlegging van de bepalingen van het concilie van Trente, zoals ook door de boven aangehaalde schrijvers. Om nu niets te zeggen over de twisten tussen het kapittel met zijn waardigheden en de bisschop, wederom tussen de kathedrale kerk en de geÎximeerde of aan het bisschoppelijke opzicht onttrokken kapittelkerk, of tussen de voorname en de rijke kapittelkerk, deels over punten van eerbewijzing, deels over de grenzen van het rechtsgebied[141]. 7e Omdat het bestuur van de kathedrale kerken zich ongeveer om niets bekommert dan om de wereld en haar rijkdommen, die teniet zullen gaan, de inkomsten, landerijen, landschappen, tienden, enz. Dit tenminste is het voornaamste onderwerp, dat het kapittel en de bisschop bezighoudt. Zodat, meer dan ergens elders, voorwaar wel van de kathedraalkerken het oude spreekwoord ten volle geldt: Religio peperit divitias, et filia devoravit matrem, d. i. de godsdienst heeft rijkdom gebaard en het kind heeft toen zijn moeder verslonden. 8e Eindelijk zijn de kathedrale kerken wederrechtelijke instellingen (hoe goed, hoe opperbest zij zich in hun soort ook houden), niet slechts met betrekking tot de kerken, die zij aan zich onderwerpen, maar voornamelijk met opzicht tot de dienaren van het Woord en de uitdelers van de Gods geheimenissen, die de moeiten van de zielzorg op zich nemen. De kathedralen echter verheugen zich door hun kapittels en bisschoppen in de waardigheid, de macht, het gezag, en de vruchten, en matigen zich het geestelijk of kerkelijk bestuur over hen en evenzo over hun schapen op vleselijke en wereldse wijze aan. Laat hen zien, hoe goed dit strookt met Mal. 2: 7, 1 Kor. 4:1, 1 Thess. 5:1, 1 Tim. 5, 1 Petrus 5, en met andere teksten boven en elders aangehaald, evenzo met het werk de sacerdotio van Chrysostomus, met de Apologia profuga van Gregorius Nazianzenus, met het pastorale van Gregorius de Grote, waarin deze gulde volzin uitblinkt: ìWeid met het woord, weid met het voorbeeld, weid met hulpbetoon. Weid met het woord in de prediking op geleerde, weid met het voorbeeld in de omgang op heilige, weid met hulpbetoon in de liefde op vrome wijzeî. Op welke wijze de bisschoppen met het kapittel dit doen is al te bekend. En toch verheffen zij zich boven de kerspelpastoors en andere geestelijken, die in de bediening van het Woord en in de zielzorg arbeiden, en gebruiken hen en hun dienst op geen andere wijze als een meester die van zijn slaaf, of pachter, of huurling in zijn eigen zaken gebruikt.

6. De gronden, die voor de kathedrale kerken gewoonlijk worden aangevoerd, zijn evenzeer wankelend. 1e Nu eens worden ze gehaald uit het goddelijk recht of de apostolische tijd of het apostolisch voorbeeld. 2e Dan weer achten zij het, deze wantrouwend, veiliger die te halen uit de praktijk en gewoonte van de oude kerk. 3e Herhaaldelijk doen zij beroep op het natuurrecht of de billijkheid. Want omdat iedere of enige kerk van een grote stad andere kerken in de nabijheid van de stad gesticht heeft en deze van genen in hun oorsprong afhingen, menen zij, dat dit plicht is, dat zij inderdaad en voortdurend als spruiten van die kerk als van hun moeder moeten afhankelijk zijn, ja, terwille van haar moeder nooit kerken worden met eigen vorm en volkomenheid. Op gelijke wijze ongeveer als volgens het recht van oorlog en onderwerping, volgens het recht van gerechtelijke opvordering en bevrijding, of volgens het recht van de eerste inbezitneming steden, eilanden, provinciÎn en volken aan andere steden, provinciÎn, koninkrijken en volken staatsrechtelijk onderworpen worden. 4e Anderen wederom stellen hun sterkte in het burgerlijk recht en in de volgens dit recht gemaakte verdeling van de plaatsen in provinciÎn en gouvernementschappen, en in de ondergeschiktheid van de ene aan de andere. Zij willen nu dat zodanig recht en zodanige gewoonte op gelijke wijze worden overgebracht en toegepast op de kerken. 1e Wat de bewering van goddelijk recht en apostolische instelling betreft, moet deze enige grond van weerlegging worden vastgehouden n.l. dat alle eerste kerken van het nieuwe testament, die in het begin georganiseerd zijn, niet zodanige geweest zijn, dat zij meerdere andere kerken onder zich konden omvatten, en dat de meeste van die plaatselijke of parochiale kerken geenszins slechts delen van een grote diocesekerk (aldus in het pausdom genoemd) geweest zijn, noch van het eigen bestuur over zichzelf ontbloot zijn geweest, of als gedeeltelijk slechts kerken zijnde afhankelijk zijn geweest van een kathedraalkerk, zodat aldus die diocesekerk in de enkele kathedraalkerk vertegenwoordigd zou worden, en zodat dan haar geheel bestuur in handen van de bisschop zou zijn, of indien hij gestorven was, van het kapittel, zonder de toestemming van de ouderlingen of herders. Indien deze grond van weerlegging wordt vastgehouden, zal men zien, dat geen argumenten, geen tegenwerpingen de staat van het geschil aanroeren, maar dat het of aannemingen zijn van wat nog bewezen moet worden, of onbekendheid is met de tegenbewijzen, of louter tegenstrijdigheden zijn, waarin zij zich wikkelen, en waardoor zij hun eigen stellingen of die van de bondgenoten afbreken; wat zo geleerd en krachtig is aangetoond door Parker, t. a. p., dat niemand (voor zover ik weet) sedert die gehele tijd (het boek nu is uitgegeven in 1616) hem op iets geantwoord heeft. Om niet over te doen, wat reeds gedaan is,verwijzen wij de lezers naar zijn werk. 2e Gronden van weerlegging met betrekking tot de tegengeworpen oudheid zijn deze: In het begin van de oudheid na de apostolische tijd is het niet aldus geweest. Maar zoals door Christus en daarna door de apostelen en apostolische mannen het evangelie gepredikt is in de kleine steden en dorpen evenzeer als in de grote steden (verg. Luk. 10: 8 met Matth. 10: 11, 9: 35, Mark. 1:38, Hand. 8:25), zo zijn overal kerken verzameld en georganiseerd, en wel eigenlijk gezegde kerken (Rom 16: 1, Hand. 14: 21, Tit. 1: 3, Hand. 15: 36), en over die enkele kerken zijn eigen bestuurders of herders of opzieners aangesteld (1 Tim. 3: 15, Titus 1: 5, Hand. 14: 5 en 23, Ef. 4: 11), over de afzonderlijke kerken ook wel in meerdere getale (Hand. 20: 17, Filip. 1: 1, 28, 1 Thess. 5:12), en het kerkelijk bestuur is gelijk geweest aan een veelhoofdige regering; en de kerken zijn in deze toestand bewaard geweest, totdat de eerzucht langzamerhand de aanstelling van koorbisschoppen heeft ter hand genomen, en het bestuur, dat in handen van velen was, eerst tot minder personen, daarna tot ÈÈn opziener of bisschop is teruggebracht. Er moet echter opgemerkt worden dat de sporen van de oorspronkelijke nederigheid en eenvoudigheid niet ontbroken hebben, toen het voortdurend voorzitterschap van een onder de ouderlingen de grenspalen van de macht reeds uitermate had uitgezet. Dat op het concilie van Carthago (waarover bij Cyprianus) vele bisschoppen, die de besluiten van dat concilie ondertekend hebben, uit dorpen en kleine steden zijn geweest, wordt daaruit opgemaakt, dat de meeste namen van de plaatsen, waar hun bisschoppelijke zetel was, de aardrijkskundigen onbekend zijn. Ja zelfs in de tijd dat de bisschoppelijke hoogheid reeds wijd en zijd bevestigd is, worden nog overblijvende bisschoppelijke zetels gevonden te Dolichia, Nazianzus, welke plaatsen naar getuigenis van Theodoretus (boek 3, hoofdst. 4) en Socrates (boek 4 hoofdst. 26) kleine steden zijn geweest. 3e De grond van weerlegging met betrekking tot de tegengeworpen redelijkheid en voegzaamheid, dat de bekerende kerk rechtsmacht heeft over de bekeerde kerk, wijzen wij beneden aan. 4e Op het tegengeworpen voorbeeld van het burgerlijk recht antwoorden wij met het woord van Christus Joh. 18: 36: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld, en Luk. 22, de koningen der aarde enz., maar gij niet alzo etc. De gronden van huishoudelijke aard of die aan de keuken ontleend zijn tot voordeel van de kathedralen gispen wij beneden met een woordje.

7Ý 1. Over de metropolitaankerken handelen de leraars op het hoofdstuk cleric. 9 quÝ 3. Een metropolitaankerk nu is een ker, die in de voornaamste of hoofdstad van de provincie is, en die de zetel of leerstoel van de metropolitaanbisschop heeft. Isodorus, en met hem het canonieke recht c. cleros. 21 dist., schijnt de metropolitaankerk omschreven te hebben als een zodanige, die op zijn minst het bestuur heeft over tien steden. Anderen stellen de metropolitaan volkomen gelijk met de aartsbisschop, gelijk Tholosanus, Syntagni. Juris, lib. 15 c. 11 meent, dat uit het burgerlijke en het canonieke recht bewezen wordt, en zo ook de nieuwere leraars van het canonieke recht en de praktijk van de Roomse curie. Anderen echter onderscheiden op andere wijze, gelijk Cujacius op C. de Sacros. Eccles., alwaar hij zegt, dat de metropolitanen lager in rang zijn dan de patriarchen of aartsbisschoppen, en hoger dan de bisschoppen. De metropolitaanbisschoppen worden ook genoemd proewsteV, prwtoi, prwteuonteV, mindere patriarchen (niet patriarchen in volstrekte zin, zonder bijvoeging van dit mindere). De metropolitaankerken worden ook patriarchale kerken of moederkerken genoemd, welke laatste naam in ander opzicht ook gegeven wordt aan de kathedraalkerken, ja zelfs aan de parochiale doopkerken[142]. II. De oorsprong of eerste aanleiding van de metropolitaanbisschoppen schijnt geweest te zijn de menselijke gewoonte en instelling, waardoor zij gemaakt zijn als het ware tot voorzitters van de bisschoppen en kerken in ÈÈn provincie, op wie de verplichting rustte de bisschoppen van de provincie samen te roepen en op de conciliÎn het voorzitterschap te bekleden; waarbij nog deze last of deze macht gevoegd was, dat in hun tegenwoordigheid en door hun bezorging de bisschoppen beroepen werden[143]. Maar in verloop van tijd groeide hun gezag aan, en heeft de macht van de Roomse paus er de laatste hand aan gelegd; welke macht tegenwoordig het naaste fundament van zodanige kerk is[144]. III. Uit de noodzakelijke bestanddelen en vereisten, die deels voorrechten deels lasten zijn, zullen we nu deze aanstippen, 1e Dat alle bisschoppen van de provincie in betrekking tot hun metropolitaanbisschop suffraganen of onderbisschoppen zijn en genoemd worden. 2e Dat bij de verheffing tot metropolitaankerk verscheidene kerken haar moeten onderworpen worden[145]. 3e Dat haar aartsbisschoppen de koningen kronen, volgens opdracht van de Paus, hun gebieder. Zo heeft de aartsbisschop van Tarragon de koning van Arragon[146], die van Trnova de koning van Bulgarije[147], die van Mainz weleer Karel de Grote gekroond enz. 4e Dat de suffraganen of onderbisschoppen over hun metropolitaanbisschop niet kunnen oordelen, behalve dat de oudste onder hen gehouden is diens meer dan zes maanden durende afwezigheid de paus te kennen te geven[148]. 5e Dat haar metropolitaanbisschoppen hoger in rang zijn dan de gewone bisschoppen, en lager dan de primaat, evenals de primaten lager zijn dan de meerdere patriarchen[149]. Tholosanus, t. a. p. wil echter, dat uit Sidonius Apollinaris bewezen is, dat vroeger de metropolitaanbisschoppen in GalliÎ onmiddellijk aan de roomse stoel onderworpen waren. 6e Dat dienovereenkomstig van de suffragaanbisschop op iedere metropolitaanbisschop kan geappelleerd worden[150]. 7e Dat de metropolitaanbisschoppen suffraganen of onderbisschoppen van de patriarchen zijn[151]. 8e Dat de metropolitaanbisschop geen bisschop kan ordenen, zonder de patriarch geraadpleegd te hebben[152]. 9e Dat de oudste bisschop van de suffragaanbisschoppen een vicaris in de metropolitaankerk kan aanstellen, indien het kapittel de aanstelling nalaat; indien de exemte kathedraal het nalaat zal de naastbijzijnde bisschop een vicaris kunnen afvaardigen; in een gewone kathedraalkerk zal de aartsbisschop een vicaris of officiaal kunnen afvaardigen, indien n.l. het kapittel binnen acht dagen in het vicariaat niet heeft voorzien[153]. 10e Dat de metropolitaanbisschop of aartsbisschop niet kan oordelen over zaken, die de suffragaanbisschoppen onder elkaar hebben[154]. 11e Dat hij zich niet moet inlaten met zaken, die in eerste aanleg behandeld worden bij zijn suffragaanbisschop, noch zaken, die bij de hoven van de gewone bisschoppen hangende zijn, aan zich trekken[155]. 12e Dat de aartsbisschop overgebracht naar een bisschoppelijke zetel, slechts de naam of titel van aartsbisschop behouden kan, echter niet het gebruik van pallium en kruis[156]. 13e Dat hij niet zit op een hogere plaats, noch het gebruik van kruis en moretta heeft, als de pauselijke legaat in de stad tegenwoordig is[157]. 14e Dat een reguliere metropolitaankerk alleen door de paus geseculariseerd kan worden. Wat die secularisatie of verwereldlijking is, en dat zij behalve de hoedanigheid van het geregeld zijn niets verandert, zal men leren uit de bul van Clemens VIII, waarbij hij de kerk van Saragossa geseculariseerd heeft, 15 juli 1604. Deze bul staat niet in het Bullarium, maar Barbosa vermeldt haar in het traktaat de Canonicis hoofdst. 1 ß49. 15e Dat de verheffing van een kerk tot metropole niet kan gedaan of gevraagd worden, zonder dat vooraf aanzoek is gedaan bij de congregatie, die hiervoor door Sixtus V is ingesteld, om na onderzoek van de zaak door de leden van deze congregatie dit van de paus te kunnen gedaan krijgen. ñ Voeg bij deze nieuwe wetten nog enige oudere besluiten, n.l. 1. Dat de suffragaanbisschoppen helpers zijn van hun metropolitaanbisschoppen, en dat ze datgene, wat deze inzake hun dienst te verbeteren vinden, met volvaardig gemoed verbeteren en terechtbrengen[158]. II. Dat de metropolitaanbisschop de zaken niet hoort zonder de tegenwoordigheid van alle medebisschoppen van de provincie[159]. III. Dat, indien iemand zich beklaagt door de metropolitaanbisschop bezwaard te zijn, hij bij de primaat van de diocese of bij de patriarchalen stoel het geding aanhangig maakt[160]. IV. Dat geenszins tussen twee metropolitaanbisschoppen ÈÈn provincie verdeeld worde[161]. V. Dat de in ketterij gevallen door de bisschoppen van de provincie, door de naburige metropolitaanbisschoppen geoordeeld wordt[162].

8. De metropolitaankerken worden verdeeld in: I. reguliere en seculaire. Vergelijk, wat ik boven over de verdeling van de kathedraalkerken heb aangetekend. II. In eenvoudige of gewone metropolitaankerken, en in de metropolitaankerken van primaten en patriarchen. Zodanige zijn bijv. onder de mindere of particuliere patriarchale metropolitaankerken, die van Maagdenburg in Duitsland, van Canterbury in Engeland, van Armagh in Ierland enz.; onder de meerdere of algemene of oecumenische, die van Rome, van Constantinopel, enz. III. In meer bijzondere soorten, of enkele kerken, dat is in de hedendaagse metropolitaankerken van heel de wereld, waarvan een zeer nauwkeurige lijst gegeven wordt door Barbosa, in het boek door ons aangehaald, toen we over de kathedraalkerken handelden. Onder deze moeten als met de vinger aangewezen worden die, welke in de vorige en in de onmiddellijk daaraan voorafgaande eeuw tot metropolitaankerken verheven zijn, zoals die te Senigaglia door Pius II, die van Bologna door Gregorius XIII, die van Fermo door Sixtus V, die van Ravenna door Gregorius XIII, van welke de suffragaankerken zijn aangewezen door Clemens VIII. Hierover moet geraadpleegd worden het Bullarium. Het naast met de metropolitaankerken stemmen overeen de exemte of aan gewoon opzicht onttrokken kathedraalkerken. De Lateraankerk van Rome schijnt alle exemte metropolitaankerken van elke soort te overtreffen. Want deze is niet slechts een kathedraalkerk, maar ook een metropolitaankerk, ja zelfs een patriarchale kerk, en meer nog. 1e Want zij neemt de hoogste plaats in boven alle kerken van wereld en stad (orbis et urbis). 2e Ze is de kerk van de Roomse patriarchale opperpriesters. 3e Ze komt voor onder de naam van kerk van Rome. 4e Ze heeft het voorrecht van de honderdjarige aflaat te mogen geven. 5e Aan haar is de hoogste plaats verschuldigd wegens meerdere daar gehouden conciliÎn. 6e Ze is het hoofd en de moeder van alle kerken. 7e Geen heiliger plaats is er in heel de wereld dan deze kerk. 8e De heilige Dominicus is verschenen om haar, toen ze instortte, met zijn schouders te steunen. 9e Haar aflaten zijn ontelbaar. 10e Haar kapittel heeft de bevoegdheid aflaten toe te staan. 11e Zij geeft verlof op haar terrein vrome plaatsen op te richten, met toestemming van de bisschoppen van de diocese. 12e Haar kanunniken gaan vooraf aan de kanunniken en de geestelijkheid van de St. Pieterskerk van de stad. 13e Haar geschillen onderzoekt de kardinaal aartsdeken en de rechter, door hem afgevaardigd. Zie deze voorrechten en deze haar verdiensten op verschillende plaatsen in het Bullarium, en in Paninus' werkje de praecipuis Urbis Basilicis, en in het traktaat van Pompejus Ugonius de praecipuis urbis stationibus, alwaar ook de geschiedenissen en oudheidkundige zaken op haar bouw, relikwieÎn en heilige gedenktekenen betrekking hebbende, vermeld worden. Aan haar kapittel alleen kent Caramuel Lobkowitz de voorrang toe boven de CisterciÎnsen en de andere, reguliere kanunniken in zijn verhandeling, waarin hij met inspanning van alle kracht strijdt voor de voorrang van de CisterciÎnsen. Men zie de gronden voor deze uitnemendheid bij hem, zo men hierin lust heeft.

9. Nu blijft nog over een wederleggend deel. De gronden tegen het ongelukkige fabriceren van dusdanige kerken kunnen gehaald worden uit de weerlegging van de kathedraalkerken, en op dezelfde wijze hier worden toegepast. Nu zullen we afzonderlijk aanwijzen de volgende: 1.Ý Omdat er naar goddelijk recht geen provinciale kerk, noch aartsbisschop, noch kapittel is, dat is noch stof, noch vorm, is er derhalve ook niet het geheel. 1e Dat er zodanige kerk niet is, wordt bij gevolgtrekking uit het mindere tot het meerdere besloten uit datgene, wat wij tegen de kathedraalkerken hebben aangevoerd. Zie Parker, bladz. 245 en 283 van de eerste uitgave in 4ƒ. 2e Evenzo dat er geen zodanige provinciale herder is, daar hij immers aan zijn ambtsplicht niet zou voldoen, die voornamelijk bestaat in de prediking van het Woord en in de openbare en private vermaning (gelijk vroeger uit de beweringen van de pausgezinden zelf aangetoond is in onze Desper. causa Papatus); ja zelfs is hij niet voldoende voor het bestuur en de rechtspraak in zovele en zo wijd uit elkaar verspreide kerken. Maar over de bisschoppen en aartsbisschoppen en hun instelling handelen wij opzettelijk in deel 2. Intussen kunnen de lezers nazien de Institutie van Calvijn, boek 4, kapittel 10, Wittaker c. Bellarmino controv. 4 qu. 2, Raynoldi colloquium cum Harto, Parker boek 3 hoofdst. 19, inzonderheid het Altare Damascenum hoofdst. 2 en 3. II. Deze ongerijmdheid zou dan volgen, dat de kerkelijke macht door Christus verbonden was aan bepaalde plaatsen en hun wereldlijke uitstekendheid, die door de wil van de vorst en de loop van de jaren veranderen kan, gelijk de vorm van de provinciÎn veranderd is, naar getuigenis van B. Rhenanus; en op grond van en in aansluiting aan zijn getuigenis Tholosanus in hetzelfde boek 15, c. 11. Vergelijk Wittaker, Controv. 4, qu. i. III. Ook nog een andere ongerijmdheid zou volgen. Naar dezelfde gevolgtrekking zouden aangenomen moeten worden patriarchale kerken met de patriarchen, en een oecumenische of algemene kerk met haar oecumenische priester. Zie de verdediging van dit argument bij Parker, t. a. p. pag. 287. Tegenwerpingen en verdedigingsmiddelen tot voordeel van de metropolitaankerken worden ontleend: Ie Aan de Schrift. Antwoord. Maar 1e Úf slechts de verborgen bedoeling van de apostelen werpen zij ons tegen. Door aanwijzing van welke regel kennen zij die? 2e Úf ze leggen de zin en historie van de Schrift uit naar de feiten, spreekwijze, gewoonte en gebruik van de volgende eeuwen op een even gevaarlijke als ongeleerde wijze. Zie Parker. IIe Aan de billijkheid, het natuurrecht, ja zelfs aan het Goddelijk recht, volgens hetwelk n.l. de bekerende kerk de rechtsmacht zou hebben over de bekeerde. Antwoord. Beneden in de vraagstukken ter oplossing zal hierover iets gezegd worden. IIIe Aan het oude kerkelijke recht. Antwoord. 1e Het staat te bezien, of men met de nodige voorzichtigheid te werk gaat, door de kerken naar het voorbeeld van de staatsinrichting en burgerlijke heerschappij, ja zelfs van het heidendom (c. illis 8 dist.), volgens menselijke gewoonte en berekening te organiseren. 2e Hun vorm en inrichting is geheel anders geweest dan die van de pauselijke metropolitaankerken, gelijk uitstekend en overtuigend bewezen. wordt door Parker en door de schrijver van het Altare Damascenum (David Calderwood) t. a. p. Waarbij ik nu niets heb bij te voegen dan dit ene, uit de rijkswet van Lodewijk de Vrome, kapittel 10: Geen metropolitaanbisschop mag zonder tegenwoordigheid van alle overige medebisschoppen van de provincie de zaken van enigen van hen aanhoren; omdat het ongeldig zal zijn, ja de zaak op de synode als afgedaan zal doen beschouwen. Noch zal iemand van de overige bisschoppen de zaken van zijn priesters horen zonder tegenwoordigheid van zijn geestelijken, omdat het vonnis van de bisschop ongeldig zal zijn, als het niet door de tegenwoordigheid van de bisschoppen bekrachtigd wordt. Geheel anders is nu de gedaante van de hiÎrarchische macht.

10. Patriarchale kerken zijn hetzij particuliere, hetzij algemene of oecumenische.Ý Gene zijn de kerken en zetels van de primaten bij elk volk, in elk gebied of rijk. Heden ten dage nog zijn zodanige patriarchale zetels en patriarchen in Moskou en in het Abessinisch rijk. In het westen worden zij primaten genoemd, bijv. van Frankrijk, Duitsland, enz. Zo bijv. is Hermolaas Barbarus Patriarch van Aquileje geweest. De laatste (de alg. of oecum.) waren in de Romeinse wereld weleer de kerken van Rome, van Constantinopel, van AlexandriÎ, van AntiochiÎ, en als aanhangsel of toegift die van Jeruzalem. Die van AlexandriÎ schijnt tenminste wat de titel betreft onder alleÝ patriarchale kerken de oudste, alwaar de patriarch eerst Abba genoemd werd, daarna van de tijd van Herucla af, nadat door haar voorganger Demetrius drie en door haarzelf twintig bisschoppen (die vroeger in Egypte niet waren) waren aangesteld, zijn zij Papa genoemd (hetwelk de Arabieren schrijven Baba), dat is grootvader, n.l. vader van de vaders; omdat de bisschoppen vaders genoemd werden, en dientengevolge de patriarchen, die over de bisschoppen van hun district stonden, vaders van de vaders schenen genoemd te moeten worden[163]. Of een georganiseerde oecumenische kerk, die n.l. een eenheid vormde en verenigd was door een in uitwendige gestalte zich openbarende en geregelde correspondentie en gemeenschap, na de apostolische tijd ooit in de wereld bestaan heeft, of een tijdlang voortdurend bestaan had, alzo dat door ons historische kennis van haar bestaan kan verkregen worden, betwijfel ik niet slechts in grote mate, maar ik neig er volkomen toe om het te ontkennen, zodat men zich met zodanige oecumenische eenheid tevergeefs zou bezighouden. Dat er een verborgen gemeenschap van alle rechtzinnige kerken en van alle gelovigen altijd geweest is en ook nu nog is, moet zonder twijfel worden vastgesteld. Van haar ook moet worden verstaan dit algemeen bekende gezegde: ìVan hem is God niet de Vader, van wie de kerk niet de moeder isî Men kan zich toeleggen op de bevordering van de eenheid van de algemene kerk, en in haar eenheid blijven, als men blijft in de enigheid van het geloof, en als men met elk van haar delen, waarin men komt, of waarmee men verbonden kan worden, uitwendige gemeenschap aankweekt, hoewel men nauwelijks weet, of er, welke, en hoedanige kerken in alle delen van de wereld zijn, die de oecumenische kerk samenstellen. Wat betreft de vertegenwoordiging van de oecumenische kerk op een tijd, of in deze of in die eeuw op de wereld bestaande, dat is, wat betreft een oecumenische synode, kan evenmin aangetoond worden, dat ze ooit na de apostolische synode (Hand. 15) bestaan heeft. Laat men slechts de kerkhistorie en de handelingen van de conciliÎn nauwkeurig doorzoeken, en men zal niets vinden dan afgevaardigden van kerken in het Romeinse rijk, bij wie zich herhaaldelijk misschien enige weinigen uit de niet-Romeinse wereld gevoegd hadden. Op gelijke wijze werden vier patriarchen in de westelijke en oostelijke delen van het rijk oecumenische genoemd, gelijk nog heden ten dage de oosterse patriarchen zich met deze zelfden titel noemen, omdat zij over de kerken stonden van het gehele Romeinse rijk of gebied, en die over vier gouvernementschappen als het ware of viervorstendommen verdeeld waren ter wille van de betere orde (naar men meende). Men moet dit echter van niets anders dan van de Romeinse wereld verstaan; en dientengevolge is er geen oecumenische priester, noch een oecumenische zetel of kerk, waarvan alle kerken noodzakelijk zo afhankelijk zijn, dat zij, indien zij niet bij haar door uitwendige eenheid en gemeenschap zijn ingelijfd, buiten de katholieke en oecumenische kerk geheel en al zouden schijnen te staan.

II. Vraagstuk I. Moeten in de zuivering van de kerken van de misbruiken van het pausdom de metropolitaankerken en kathedraalkerken behouden worden; of waar ze reeds opgeheven zijn, hersteld worden. Antwoord. Nee, wegens de boven bijgebrachte redenen. En ook deze ene reden zou voldoende zijn, dat dan op gelijke grond de kerken van de primaten, de patriarchale kerken, en de oecumenische of algemene kerk en geheel die wereldse heerschappij moesten worden georganiseerd of hersteld. Maar de volgende tegenwerpingen worden gemaakt door hen, die, nadat na het jaar 1640 in Engeland de zaken een ommekeer genomen hadden, voor de kathedrale hiÎrarchie met haar kapittels in de bres zich stelden.

1e Tegenwerping. De bisschoppelijke inrichting is oud en apostolisch. Antwoord. In genen dele, zoals door de gereformeerden tegenover de roomsen krachtig bewezen is. Maar hierover in deel 2. 2e Tegenwerping. Terstond met de voortplanting van het geloof onder de heidenen zijn zodanige kerken aan Gods dienst en verheerlijking toegewijd. Antwoord. 1. Niets van die aard blijkt uit de geschiedenis van het nieuwe testament; evenmin uit de eerste en oudste kerkelijke schrijvers. Maar dit blijkt, dat de kerken plaatselijk in steden en dorpen georganiseerd zijn geweest, en wel als volkomen kerken, toegerust met haar eigen macht, bestuur en kerkelijke dienst. 2. Later toen de macht van de bisschoppen, en de aanmatigende heerschappij van broeders over broeders, van kerken over kerken langzamerhand binnensloop, en de kerken zich inrichtten naar het voorbeeld van de onderscheiden trappen van macht en hoogheid, die op burgerlijk gebied bestaan, ja zelfs van de heidense priesterheerschappij, waren er echter nog niet de kathedralen met hun bisschoppen, kapittels, kanunnikken en waardigheden, zoals die kathedralen zijn, die wij verwerpen. 3. Hoe het ook zij, die vlekken en verkeerde ijver van de ouden geven ons geen regel, evenmin als hun menselijke overleveringen over het celibaat van de dienaren, de zalvingen, en honderden andere dingen, die geen stroospier waard zijn, betreffende de ceremoniÎn en het bestuur van de kerken. 3e Tegenwerping. Hier en daar is in de reformatie geoordeeld, dat zij nuttig zijn voor Gods dienst en verheerlijking. Antwoord. 1. Er zou nauwkeurig en goed onderzocht moeten worden, bij welke uitspraak, private of publieke, politieke of kerkelijke, of politieke en kerkelijke beide, aldus geoordeeld is, en welke de gronden van dat oordeel of van dat feit zijn geweest, en dan zou geantwoord kunnen worden. Zonder twijfel heeft men het oog op Duitsland, waarin het begin bij de beraadslagingen van de vorsten over de verkrijging van een algemene reformatie in het rijk, over een religievrede, over de verzoening van de andersdenkenden enz., een onderzoek werd ingesteld naar het verdraaglijke van vele dingen, welke de Duitse en Engelse kerken nu allerminst verdragen zouden, welke ze tenminste niet zouden goedkeuren, of eigener beweging voor zich zoeken. 2. Hoe het ook zij, het staat te bezien, of op die reformatie ook toepasselijk is wat we lezen Openb. 3: 2, 17. 4e Tegenwerping. Ze zijn bijzondere, uitwendige prikkels voor alle studerende personen, met name voor hen, die in de theologie studeren, waardoor zij tot de studie worden aangespoord. Antwoord. Indien de theologen door zodanige en niet door hogere beweegredenen geleid worden, wordt de theologie in alle gevallen werelds, en wordt de godsdienst veranderd in de dienst van de Mammon. Derhalve zou deze enkele grond voldoende zijn tot opheffing van de kathedralen,Ý opdat zoveel te beter de slaven van de gierigheid en ijdelheid (Phil. 3: 18, 19) uit de heilige rij geweerd worden. 5e Tegenwerping. Ze zijn de meest gemakkelijke en meest geschikte beloningen voor uitnemende en zeer geleerde mannen van studie. Antwoord. Wat verbiedt, dat aan voortreffelijke en werkzame geesten met andere middelen, andere titel, op andere wijze beloningen worden geschonken? Dit bestrijden wij niet, mits slechts de godsdienst niet wordt verslonden door de rijkdom; het heilige met het onheilige niet wordt vermengd; of de kerkelijke heerschappij van diegenen, die in het woord niet arbeiden, ja zelfs van nietsdoeners over de zielverzorgers en de herders en hun kudden niet wordt binnengeloodst, in strijd met de door Christus ingestelde orde. 6e Tegenwerping Zij hebben vele geleerde en vrome mannen voortgebracht, die zeer krachtig de waarheid tegen het pausdom verdedigd hebben. Antwoord. 1. Hoe velen of hoe weinigen dat geweest zijn, weet ik niet. Dit althans weet ik, dat het getal van de doctoren aan de academiÎn en van de herders in de kerken, die, beladen met de dagelijkse arbeid van de zorg voor kerk en academie, met luide stem en in zeer geleerde geschriften de waarheid niet slechts tegen het pausdom, maar tegen alle andere tegenstanders verdedigd hebben, veel groter geweest is. Laat men slechts een lijst maken van de bedoelde schrijvers, en men zal zien dat het zo-even gezegde de waarheid is. 2. Wat zou men zeggen, zo iemand beweerde: de kloosters hebben ontelbaar vele mannen voortgebracht, die inzonderheid de theologie, en vervolgens ook andere vakken met hun geschriften hebben in het licht gesteld; derhalve moeten de monniken en kloosters hersteld of behouden worden. Zonder twijfel zouden de verdedigers van de kathedralen hun onderscheidingen tussen hetgeen voortvloeit uit het wezen van de zaak en hetgeen volgt uit een bijkomstige omstandigheid enz., bij de hand hebben. Laat ze die hier toepassen. 7e Tegenwerping. Door haar worden vele professoren en geleerde mannen aan de academiÎn onderhouden. Antwoord. 1. Laten die ondersteuningen en bezoldigingen blijven, en laten ze uit deze of uit andere opbrengsten betaald worden. Maar waartoe is het nodig op deze zo zwakke steen het zo grote gevaarte van de kathedralen te bouwen, of omgekeerd? 2. Men zou kunnen vermoeden, dat de academische professoren voorwendsel, en de luie buiken de grond zijn. Want wat daaruit aan de professoren betaald wordt is zeer weinig, indien het met de overige inkomsten vergeleken wordt. 3Ý Op hoedanige wijze die inkomsten ook uitgedeeld mogen worden, er is geen grond, dat daarom en om deze inkomsten nieuwe vormen van kerken, waardigheden en heerschappijen gemaakt worden, welke de apostolische eenvoud en de aloude nederigheid niet kende. 8e Tegenwerping. Ze zijn goddelijke gedenktekenen van de vroomheid van onze voorvaderen, enz. Antwoord. Hetzelfde zeggen de pausgezinden van de kloosters, de inkomsten van de paus en van de kardinalen enz. Zie nu hoe gij hun antwoordt, en gij zult uzelf beantwoord hebben. 9e Tegenwerping. Vele tegenwerpingen ter verdediging van de kapittels, voornamelijk van de kathedralen in Engeland, voorkomende in een boekje, door de bestrijders uitgegeven, trekken wij hier samen. De kathedralen, zeggen zij, bezorgen op voegzame wijze een passend deel aan de jonge zonen van de edelen, die zich aan de dienst van het evangelie wijden; evenzo blijvende en ruime inkomsten voor koningen en vorsten; ze zijn bovendien het enige middel, waarvan zovele ambtenaren met hun gezinnen bestaan en leven, die hiervan afhankelijk zijn; daarbij zijn zij het hoofdzakelijk middel van ondersteuning voor vele duizenden families, die zich in hun inkomsten en proven verheugen; ze zijn bovendien middelen van bestaan voor scholen, hospitalen, enz.; tenslotte bijzondere oorzaken van winst en voordeel voor die steden, waarin ze gelegen zijn, door haar armen te onderhouden, deels door vreemden daarheen te lokken, enz. Antwoord. 1. Dit zijn alle gronden die aan de keuken ontleend zijn en op het maatschappelijk belang betrekking hebben, geen theologisch-kerkelijke gronden. Derhalve kunnen zij geen recht vestigen voor de kathedrale eisen, noch de hervorming, die beoogd wordt, tegenhouden. 2. Wij keuren geheel en al goed, dat hun inkomsten tot vrome en noodzakelijke doeleinden worden aangewend. 3. Laten de boven genoemden zich in een deel ervan verheugen. Wat naar recht en uit dankbaarheid gedaan moet worden, volgens de bedoeling van de schenkers, als er de bewilliging van de hoogste macht bijkomt, of van diegenen, aan wie dit naar de wet of volgens contract toekomt, dit moet volstrekt gedaan en niet veranderd worden; wat zaak is van billijkheid en mildheid, dat moet overgelaten aan het geweten en de menselijkheid van degenen, wie dit aangaat. 4. Dat voor de studenten, godgeleerden, dienaren van het Woord en bestuurders van scholen behoorlijk gezorgd wordt is opgelegd aan de kerken en de christelijke overheden; op welke wijze en uit welke middelen voor hen moet gezorgd worden, dit moet worden uitgemaakt door hen, op wie deze plicht rust. Intussen nemen wij de kerkroof en het misbruik van kerkelijke goederen allerminst in bescherming; slechts bestrijden wij de noodzakelijkheid en de doelmatigheid van de kathedralen. Goed ingerichte academiÎn en academische colleges, met hun ondersteuningen, bezoldigingen, beurzen en voorrechten zouden al deze dingen doelmatiger en veiliger voor het welzijn van gemenebest en kerk bezorgen kunnen; zodat het niet nodig zou zijn, kapittels als kerkelijke colleges en vertegenwoordigende kerken in de kerken op te richten of te doen voortduren. En indien iemand met de eerste hervormers in Duitsland[164] zou oordelen, dat academiÎn, seminaries en schoolcolleges van leraren en leerlingen ergens in de plaats van opgeheven kapittels kunnen gesteld worden, en hun de inkomsten van de kapittels kunnen toegewezen, bestrijden wij dat niet.

12. Vraagstuk II. Of de collegiaatkerken, die zo genoemd zijn naar het college van geestelijken en kanunniken, hetzij reguliere of seculaire, zo kunnen hervormd worden in de bijkomstige zaken, dat de hoofdbestanddelen van dat bestuur en die kerk blijven? Antwoord. Nee.. Wegens de gronden boven er tegen aangevoerd. Hier nu brengen wij deze gronden bij. 1e Omdat er geen vorm van kerk, kerkelijke dienst, of ouderlingschap is (zoals Hand. 20: 20, 28, 1 Tim. 4 : 14 en 5: 20, Matth. 18: 12, 1 Petr. 5 en 1 Thess. 5 bedoeld is). Want de kanunniken als zodanig weiden die kerk niet met het Woord, de sacramenten, vermaning en vertroosting. Indien sommigen van hen herhaaldelijk iets van die aard verrichten, is dit geheel en al door iets, wat aan de rang en staat van kanunnik bijkomstig is. Want zij doen dit op grond en uit kracht van een ander ambt en andere rang omdat zij behalve kanunniken, aartsdekens, kerspelpastoors of zielverzorgers, predikers, leraars in de theologie enz. zijn[165]. 2eÝ Omdat door de kapittels de deur geopend wordt voor de vrijstelling van wonen op de plaats, waar het ambt moet uitgeoefend worden (de non-residentia), en de vicariaten en plaatsvervullingen. 1e Tegenwerping. Niettemin zou, na vernietiging van het bisschoppelijk stelsel, de dienst des Woords, van de sacramenten en van de tucht kunnen bezorgd worden door dat kapittel door middel van anderen. Antwoord. 1. Dan zouden zij zelf overbodig zijn. Want zelf zouden zij geen zielzorg, geen bestuur van de kerk uitoefenen. Derhalve zouden zij geen kerkelijke personen zijn; dientengevolge zou hun geen kerkelijke macht overgelaten of gegeven moeten worden. 2. Dat bij een kerkelijk ambt of kerkelijke dienst plaatsvervulling mogelijk zou zijn, is in de Schrift ongehoord[166]. 3. Het is monsterachtig en ook onbillijk dat degenen, die zelf geen kerkelijke roeping of betrekking vervullen zouden, over kerkelijke voorgangers, opzieners en herders (zo toch worden de dienaren genoemd Ef. 4, 1 Thess. 5, 1 Tim. 5, 1 Petr. 5) macht zouden hebben. 4. Het is dwaas en onschriftuurlijk een kerspelpastoor, zielverzorger, prediker of gewone voorganger in de dienst des Woords aan te stellen, aan wie de macht van de regering en van de rechtspraak niet zou toekomen; maar wiens macht op een andere, een figurant, n.l. een geestelijke, die als zodanig zou optreden, zou worden overgedragen. Want met het opleggen of het opheffen van het eerste, wat het voornaamste is, wordt het laatste opgelegd of men wordt er van ontheven. 5. Wat er overblijft van verzorging of uitwendig bestuur met betrekking tot de kerkfabriek, de kerkelijkeÝ inkomsten, opbrengsten en dergelijke tijdelijke dingen, laat dat door een college, of een quaestor, of een kerkmeester, of een overheidspersoon, of een patroon, of enig ander persoon, door de overheid of de kerk aangesteld, behartigd worden. Het brengt geen geestelijke zorg of betrekking, of inklevende kerkelijke macht mee, zodat daaruit geen kerken voortspruiten, daardoor geen kerken georganiseerd worden, laat staan dat zij boven andere kerken collegiaatñ, kathedraalñ of moederkerken zouden kunnen genoemd werden. 2e Tegenwerping. Maar wat, als de leden van dat college zelf of door hun zonen, aanverwanten enz., die voor de kerkelijke ambten geschikt en tot de waarneming er van bereid zijn, de kerk verzorgen? Antwoord. 1. Indien allen of enige van hen door een heilige en kerkelijke roeping hiertoe geroepen worden, en zij die roeping opvolgen, volgens de leer en de inrichting van onze kerken, is er niemand, die zich hiertegen verzet. Maar met dit feit zelf wordt het kenmerkende van het college als zodanig opgeheven, op gelijke wijze als de bisschop van Troyes in Frankrijk, de zoon van de prince de Melphe (Caraccioli), vrijwillig door de vergadering van de gereformeerden in die stad tot herder verkozen, gebleven is in het openbare ambt van de prediking van het Woord, de bediening van de sacramenten enz. 2. En indien hun zonen of aanverwanten geroepen worden, zijn zij zelf van de beweerde kerkelijke rang en kerkelijke regering ontheven. Hier moeten ver zijn alle eigenmachtige toe-eigening van een prebende, opvolging van de zoon door de vader, vrijwillige afstand van de prebende door de rechthebbende, vereniging van ambten, rente, prebende, vicariaat, beheer, veelvuldigheid van prebenden, vrijdom van wonen op de plaats, waar het ambt uitgeoefend moet worden, kandidatuur voor een prebende, ambt van helper of coadjutor, en dergelijke handelsdrijverijen die thans behoren op de Roomse markt (gelijk de beroemde rechtsgeleerde Carolus Molineus zegt). Want zodanige kopers en verkopers werpt de christelijke kerk op het voorbeeld van Christus uit de tempel. 3e Tegenwerping. Hoe indien die colleges veranderd worden in politieke en burgerlijke colleges, of indien althans behouden wordt de politieke macht, welke zij onder het pausdom, met de kerkelijke macht verbonden, bezaten. Antwoord. 1. Dan zouden de kerkelijke titels, de vermeende en openbare rang, het bestuur en de kerkelijke macht geheel en al moeten worden afgelegd. Want God is een God van orde en niet van verwarring. Gelijk een prediker, geen politiek ambt bekledend, zich niet de titel en de politieke macht van schout, burgemeester, rechter, of schepen moet toekennen, zo moet omgekeerd een burger of politiek persoon, geen kerkelijk ambt bekledend, zich niet de titel en de macht van prediker, ouderling, diaken, leraar of doctor in de theologie aanmatigen. 2. Of die colleges in zuiver politieke colleges of militaire kunnen veranderd of opnieuw als zodanig ingesteld worden, en met welke van deze colleges, op welke wijze, door wie en tot welk doel en gebruik dit zou kunnen geschieden, zodat ze niet het kerkelijk ambt en de kerkelijke macht benadelen, noch de overblijfselen van de pauselijke, hiÎrarchische zuurdesem met onze reformatie, ook maar in het minste opzicht, schijnen te vermengen, daarop moet op nauwkeurige en vrome wijze door hen worden toegezien, bij wie de macht is. 3. Over het zogenaamde heilig vermogen, dat is over de kerkelijke inkomsten, en de overige dingen, die hierop betrekking hebben, is het nu niet de plaats om te spreken, doch beneden in het hoofdstuk over de tijdelijke dingen van de kerk. Onze strijd is nu tegen de kathedraalÝ en collegiaatkerken van de leraars van het canonieke recht als zodanig. Welke de oorsprong is van de inkomsten, welke hun bestaanswijze en hun gebruik is, op welke wijze ze kunnen herleid en veranderd tot andere doeleinden, aan wie ze behoren enz., moet beneden in deel 2 onderzocht worden, in de titel over de kanunniken.

13. IIIe Vraagstuk. Of overal voor de volledigheid en organische volkomenheid van de particuliere kerken, kerkelijke colleges of kerkenraden moeten worden ingesteld? Antwoord. Ja. 1e Omdat op geen betere wijze alle schijn van pauselijke heerschappij kan worden vernietigd of afgewend, noch op veiliger wijze wanordelijkheden kunnen worden tegengewerkt[167]. 2e Omdat de orde, de volkomenheid, de zuiverheid moeten verkozen worden boven het gebrekkige en verminkte; dat dit nu de ordelijke toestand is, met name in onze kerken in Nederland, wordt t. a. p. bewezen. 3e Omdat zij, die op dusdanig gevormde colleges uit de hoogte neerzien, of hun oprichting verhinderen, meestal of nieuwigheden in het schild voeren (gelijk de Remonstranten in de kerkelijke verordeningen van deze onze provincie[168], van het jaar 1612, wat wij t. a. p. hebben aangeduid); of door een hiÎrarchische en verwaten geest van heerschappijvoeren gedreven worden of hun zeden niet zo zuiver zijn, dat zij het dagelijks toezicht en de macht van de kerkenraad kunnen verdragen; of zij belagen de vrijheid in de verkiezingen van de dienaren om des te gemakkelijker diegenen te bevorderen, wie zij genegen zijn of die, naar zij menen, meer overeenstemmen met hun smaak en hun omstandigheden.

IVe Vraagstuk. Of de kerken in de grote steden, voornamelijk in de moedersteden, of de kerken, welke men synodale kerken noemt, bij ons enigszins het wezen van een kathedrale kerk hebben? Antwoord. Nee. Noch rechtens, noch inderdaad, ja zelfs wordt dit, voor zover ik weet, niet gevorderd of beweerd. Men raadplege slechts onze kerkenordeningen en de dagelijkse kerkelijke praktijk.

Ve Vraagstuk. Of een kerk, of kerken, die in classis of synode verenigd zijn, kathedrale kerken worden, wanneer ze dienaren zenden naar heimelijke kerken en die kerken besturen? Antwoord. Nee. Want indien zij voor het eerst dienaren zenden tot verzameling van een kerk, waar er geen is, doen ze dit dan zeker met gezag, volgens Hand. 13: 2, 3,4, en toch verheft zich de ene kerk niet boven de andere, omdat daar geen georganiseerde kerk, noch een eigen en inklevende kerkelijke macht is. Maar indien zij dienaren zenden naar reeds georganiseerde kerken, wat zij hier ook doen, dat doen zij krachtens de macht hun overgedragen en overgelaten door die broeders onder het kruis (omdat het niet in hun macht staat om of in hun vergadering of hier bij ons de dienaren te horen en een keuze uit hen te doen). Overigens doen ze alles uit liefde en niet met gezag: raadgevend, niet beslissend. En zo kunnen Nederlandse kerken, die ver van ons afgelegen zijn, hetzij openbare of heimelijke, aan een dienaar of ouderling of aan een van de broeders, wiens betrouwbaarheid hun volkomen bekend is, de zaak van de verkiezing toevertrouwen, met behoud van hun eigen macht, en met uitsluiting van alle onderwerping en afhankelijkheid, die bij een kathedrale kerk behoren. Ik voeg er echter bij, dat in het geval van slecht beheer, of van hoger beroep enz. (waarover deel 2, alwaar over de synoden en classes gehandeld wordt), die kerken, met welke de heimelijke of verafgelegen kerken classikale of synodale vereniging en correspondentie hebben, met gezag beslissen kunnen en die kerken besturen.

14. VIe Vraagstuk. Of sommige kerken in Nederland, die het eerst dienaren gezonden hebben naar Oost- en West-IndiÎ, het wezen en de macht van een kathedrale kerk hebben, volgens het recht van de eerste inbezitneming? Antwoord. Nee. Ik herinner mij niet, dat ook maar enige schijn van wezen van een kathedrale kerk of macht van een metropool haar is toegekend, of dat zij die voor zich hebben opgeÎist. Wat ze hier ook gedaan hebben op het verlangen van diegenen, aan wie de behartiging van de Indische zaken behoorde, dit hebben zij wel met gezag gedaan, op gelijke wijze als de kerk van AntiochiÎ, Hand. 13, waarover men zie de Desparata Causa Papatus, 2e boek, 1e afd., laatste hoofdstuk. Intussen hebben zij niet voor zich alleen die macht opgeÎist, maar zij hebben ook aan andere kerken, die bij gelegenheid iets dergelijks konden doen, haar recht ongeschonden gelaten. Want indien de bewindhebbers van de O. I. Compagnie, of schippers, die van plan waren een tocht naar IndiÎ te ondernemen, de hulp van enige andere kerk of enige andere dienaren in Nederland geÎist hadden, zouden zij hun die in alle gevallen niet hebben kunnen ontzeggen. Het algemene recht derhalve, dat alle in gelijke mate en zonder onderscheid, als de aard van de zaak daartoe leidt, kunnen uitoefenen, legt niet de grond voor het wezen van kathedrale kerk. Want toen waren daar nog geen kerken, maar slechts kerken, die nog verzameld moesten worden, nog in wording en in verwachting waren.

VIIe Vraagstuk. Of die kerken, of alle Nederlandse kerken samen de blijvende macht hebben om dienaren te kiezen en die te zenden naar de daar nu georganiseerde, en wat kerkenraden en classikale correspondenties betreft, volledig ingerichte kerken, en die kerken met gezag te regeren, even alsof ze in deze dele van eigen macht ontbloot waren, en van de Nederlandse kerken afhankelijk. Antwoord. Nee. 1e Omdat geen andere afhankelijkheid hier kan worden vastgesteld, dan volgens het recht van gelijkstelling; n.l. voor zover zij synodale correspondentie houden met de kerken in Nederland, op dezelfde voet als de kerken van deze of die classis of synode in de Nederlandse provinciÎn wederkerig van elkaar afhankelijk zijn[169]. 2e Behalve uit dit oogpunt bezien, zijn zij van eigen macht voorzien, evenals elke en een iedere particuliere kerk of classis in Nederland, want dit toch is de inhoud van die onverbrekelijke en beroemde regel van onze kerkordering, die lijnrecht tegenover alle hiÎrarchie gesteld is: Geen kerk staat boven een andere kerk, geen dienaar boven een andre dienaar. 3e Dat zij wegens de afstand van de plaats op meer duistere en onvolmaakte wijze hun macht in enige kerkelijke handelingen, met name in de onderzoeking en keuze van de dienaren, uitoefenen, daar op hun naam en voor hen deels de bewindhebbers van de Indische zaken deze zaak bevorderen, deels dienaren, of kerkenraden, of classen (waar de genoemde bewindhebbers hun kamers hebben), dit, zeg ik, benadeelt de inklevende macht van de kerken niet, noch ontneemt hun die macht, laat staan dat dit als het ware uit deze geroofde buit het wezen van kathedrale kerk of het moederschap voor een andere kerk zou doen voortspruiten. 4e. Men moet de kerken, die daar verzameld moeten worden, of die verzameld worden onderscheiden van de daar reeds verzamelde, volledig ingerichte en georganiseerde kerken, deels uit Hollanders, deels uit inlanders bestaande; en de laatste moeten als vaste, voortdurende en blijvende kerken weer onderscheiden worden van de scheepskerken, of wilt u liever, van de heen en weer trekkende en tijdelijke vergaderingen van christenen, die deels schepelingen, deels soldaten zijn, en die gedurende enige maanden op de schepen tot viering van de gemeenschappelijke heilige plechtigheden en het houden van oefeningen van de vroomheid samenkomen onder de leiding en de bediening van een prediker. Hier bezien wij de dienaren, die naar IndiÎ gezonden worden, uit drieÎrlei oogpunt, en dientengevolge moet hun zending op verschillende wijze beschouwd en beoordeeld worden. Op welke wijze zij nu ook beschouwd wordt, geen meerderheid of recht van kathedrale kerk zult u hieruit verkrijgen, gelijk blijkt uit het pas gezegde, en duidelijker zal blijken uit de oplossing van de volgende twijfelingen en tegenwerpingen.

Het 1e punt van overweging is nu dit: Nederlandse kerken hebben de Indische geplant en bekeerd, derhalve schijnt haar volgens het recht van planting en bekering het bestuur over de bekeerde kerken toe te komen, en schijnen deze van hetzelfde recht ontbloot te zijn. Antwoord. Ik loochen de gevolgtrekking. 1e Omdat van dat recht in de Schrift geen melding wordt gemaakt, zelfs niet op die plaatsen, waar gehandeld wordt over de bekerende kerken, die door haar werkzaamheid en voor haar kosten andere kerken bekeerden. Rom. 15: 27. 1 Kor. 9: 11, 12. Op welke plaatsen de Schrift slechts dankbaarheid en verschuldigde vergelding in het tijdelijke eist, echter niet afhankelijkheid en onderwerping in het geestelijke. De kerk van Colosse had die van Laodicea bekeerd, maar de apostel heeft haar om die reden geen macht geschonken, Kol. 2: 1 of 4: 13, 16, waar hij van dezelfde kerk melding maakt. 2e Omdat daaruit volgen zou, dat dan geen eigen kerkelijke macht geweest is in de kerken van de heidenen, daar zij immers door joodse kerken bekeerd waren. Rom. 15: 17 vergeleken met Hand. 1: 8, Joh. 4: 22, Jesaja 2: 3, Rom. 11: 17, 18. Ja zelfs niet in de kerken van Judea, die alle haar eerste planting en verzameling dankten aan de ene kerk van Jeruzalem, daar deze voor haar kosten immers het eerst de apostelen en evangelisten gezonden heeft en voor alle dingen, tot haar verzameling nodig, gezorgd heeft, Hand. 4:34. 3e Omdat de bekeerde kerken, even gelijk als de bekerende, kerken van Christus genoemd worden, en dientengevolge met hetzelfde wezen en met gelijke kerkelijke macht voorzien zijn. 4e Omdat dit hele verzinsel van een moederkerk en van een recht van de bekerende op de bekeerde de pauselijke zuurdesem is van het hiÎrarchisch en antichristelijk heerschappij voeren over de broederen, een zuurdesem die door de gereformeerde kerken vooral in Nederland en elders, met alle kathedrale kerken, bisschoppen en aartsbisschoppen enz. zorgvuldig is uitgezuiverd. Die derhalve uit zodanig vermeend en vernietigd recht bij ons gevolgtrekkingen zou maken, zou als de hond tot zijn uitbraaksel schijnen terug te keren. 5e Omdat hierdoor zeker ander pauselijk werktuig, tot verderf van de kerk uitgevonden, hersteld zou worden, te weten het patronaatsrecht van de geestelijkheid; ja zelfs iets, dat nog slechter is dan dit, daar aan afgevaardigden van enige of van alle classes en synoden de hoogheid en macht over die kerken zou worden gegeven, zodat deze haar eigen inklevende macht (met name in de beroepingen van de dienaren) conform de andere gereformeerde kerken in Frankrijk Schotland, Nederland enz., en conform onze kerkelijke verordeningen in de hoofdbestanddelen onmiddellijk aan het goddelijk recht ontleend, niet zouden kunnen gebruiken. 6e Omdat dit onbillijker en slechter zou zijn zelfs dan het canonieke recht en de praktijk van de pauselijke, die onder de IndiÎrs, hoewel deze politiek en kerkelijk hun onderworpen, en door de bisschoppen van Spanje of afgevaardigde geestelijken bekeerd zijn, toch een bijzondere, inklevende, eigen kerkelijke macht instellen, die namelijk (naar pauselijke gewoonte) zetelt in de bisschoppen van de IndiÎrs, die aan geen andere bisschop in Spanje of ergens anders onderworpen zijn, maar slechts aan hun eigen aartsbisschop of metropolitaanbisschop[170]. Pas dit toe op de kerken, die uit Spanje of Nederland zijn overgebracht of weggevoerd naar IndiÎ. 7e Omdat deze ongerijmdheid daaruit volgen zou, dat in het kerkelijke (waarin strikt gevolgd moet worden het voorschrift, dat we lezen Luk. 22: 25, 26 en 1 Petr. 5: 1, 2) door het vermeende recht van de planting en het overbrengen van een kolonie meer onderwerping aan de kerken zou opgelegd en minder vrijheid gegund worden dan in het politieke, waarin men het noch waar noch billijk rekent, dat de moedersteden over de koloniÎn zouden gebieden, als volgens een natuurwet, Dionys. Halicarnassus, lib. 3, maar liever oordeelt, dat een nieuw volk geboren wordt, dat in rechten zelfstandig en onafhankelijk is, Thucyd. lib. 1, zoals wij tegenover de roomsen hebben aangetoond in de Desperata Causa Papatus, lib. 3, sect. 3 c. 3 en 4. 8e Omdat om nu eens uit hun eigen stelling gevolgtrekkingen te maken, zodanig recht alleen door de Amsterdamse kerk verkregen zou zijn, misschien ook na deze door die van Middelburg. Want door deze kerken of haar kerkenraden zijn de eerste dienaren daarheen gezonden, en onder hun leiding is de eerste planting en verzameling daar volvoerd. En toch niemand zal gemakkelijk met die gevolgtrekking instemmen. 9e Omdat, om wederom uit hun eigen stelling een gevolg af te leiden, dit vermeende recht ook zou moeten uitgestrekt worden tot de kerken, die in IndiÎ of in het begin of later georganiseerd zijn, namelijk tot die, welke in de stad Batavia in Oost-IndiÎ of in de stad Fernambuco in West-IndiÎ gesticht zijn, onder wier gezag en leiding andere kerken daar begonnen zijn verzameld te worden en misschien ook nu nog verzameld worden. Hier staat niet ÈÈn tegenwerping ten dienste, tenzij men zeg dat dit recht alleen voor de kerken, die het allereerst bekeren, niet voor die, welke daarna het eerst bekeren wordt opgeÎist. Dan zeker komt dit enig en alleen toe aan de kerk van Amsterdam, wat tenminste Oost-IndiÎ betreft; op geheel dezelfde wijze als dit vroeger aan de ene kerk van Jeruzalem had moeten toekomen, met betrekking tot alle kerken van de hele wereld. Maar al deze dingen zijn zo ongerijmd mogelijk[171]. 10e Omdat daaruit volgen zou, dat alle Nederlandse kerken staan onder de kerken van Wezel of Embden, en indien er waren van de Franse taal, onder die van GenËve, dat ze dientengevolge noodzakelijk door die kerken moesten bestuurd worden en dat met name de beroepingen van de dienaren door die kerken moesten bezorgd worden, omdat namelijk vroeger de zending naar Nederland en de eerste planting van vele kerken door deze kerken bezorgd is, hetzij met haar broederlijke raad en haar hulp op verzoek van de Nederlanders, hetzij met kerkelijke macht, hetzij onder enige andere titel. Waarom zou ik niet hetzelfde zeggen van de eerste kerken, die na de aantasting van de tirannie van de Hertog van Alva in Nederland openbaar georganiseerd zijn, bijv. te Antwerpen, Utrecht, Dordrecht, Gend, Veere, Vlissingen, Kuilenburg, Vianen, Buren, Leerdam enz., uit welke kerken de meeste andere in Holland, Zeeland, Gelderland enz. zijn voortgekomen of geplant. 11e Omdat zodanige mening of zodanige praktijk niet weinig de onderstelling van de pauselijke hiÎrarchie bevestigen zou, welke zij ten grondslag leggen niet slechts aan de aartsbisschoppelijke of patriarchale heerschappij, maar ook aan de Rooms pauselijke, n.l. omdat de kerk van Rome de moeder en de wortel is van de andere kerken, en Petrus, haar bisschop, het eerst onder de heidenen het evangelie gepredikt heeft, daarom komt aan die kerk van Rome de macht over de andere kerken toe. Op welke wijze onze theologen dit verzinsel weerleggen, zie dit bij Chamier, over de Oecumenische bisschop, boek 3, en bij Wittaker en andere tegenstanders van Bellarminus, ja zelfs bij Matth. Sutcliviu, hoewel hij meer met de hiÎrarchie opheeft, boek 2 over de paus, hoofdst. 2, 3 en 6. 12e Omdat, indien zodanige praktijk of machtsaanmatiging in deze zaak plaats vond, onze kerken stilzwijgend en langzamerhand terug zouden kunnen vallen in de eenmaal en voorzichtig uitgezuiverde zuurdesem van de hiÎrarchische verheffing en van de bisschoppelijke heerschappij. Zie, op welke wijze het mysterie van het vermeende recht van de bekerende over de bekeerde kerken in het hiÎrarchisch bestuur is ingevlochten, en hoe dit op zijn beurt weer in dit mysterie is ingewikkeld, bij Georgius Downanus in een preek over het episcopaat; wat met kracht weerlegd is uit de theologen van ons land door Gerson Bucer, in een zeer geleerd geschrift over het ouderlingschap en het bisschoppelijk ambt, pag. 211 en 238, en uit de Engelsen door Parker, boek 3, c. 18, Nm. 27. 13e Omdat dit de deur zou openen voor wereldse hoogmoed en simonie; want voor ereambten en macht zouden de gaven en zegening Gods in de bekering van mensen verkocht worden, en zo zouden de bekerende kerken of evangeliedienaars kooplieden worden. 14e Omdat dit enkel verwarring in de kerkelijke regering baren of voeden zou, benevens de bemoeizucht en de begerigheid naar eens anders goed; eindelijk de veelvuldigheid van beneficiÎn (gelijk het ene kwaad gemakkelijk uit het andere volgt), de vrijstelling van te wonen op de plaats, waar het ambt moet uitgeoefend worden (non-residentie), het titulaire bisschopsambt enz. Want voor de herders is voldoende de onmiddellijke zorg over hun eigen kerk, en de middellijke zorg over andere door de classikale en synodale verbinding. Indien zij zich verder uitstrekt tot meerdere en vreemde kerken, classes, synoden, inzonderheid tot ver verwijderde, zou gemakkelijk deze spreuk bewaarheid worden: ìdie te veel hooi op zijn vork neemt, laat alles vallen,î en dikwijls zou hij zoveel zorg aan zijn eigen kerk onttrekken, als hij aan een vreemde gaf. Zoals het meestal treft, dat die vrouwen, die in andere huisgezinnen alles nieuwsgierig en bemoeiziek bezien, en in eens anders zaken zich ongepast insteken, in haar eigen huisgezin zeer nalatig zijn, zo is het ook met de dienaars. Deze dingen zeg ik niet om iets te kort te doen aan de ijver en de nodige moeite, die besteed wordt aan het eerste verzamelen en inrichten van heimelijke of ergens verafgelegen kerken, en na de regeling aan het helpen, ja zelfs aan het besturen volgens de regel en het gebruik van de synodale correspondentie en verbinding; maar ik zeg het om ver weg te werpen ook maar de minste schijn van bisschoppelijke hiÎrarchie of het wezen van kathedrale kerk en om onze kerken, in wier belang het is, tevoren te waarschuwen. 15e Eindelijk, omdat dit vermeende recht, wat er ook van wordt verhaald, nieuw, later ingetreden, en niet apostolisch is; en niets kan men voor de dag brengen dan ten eerste de gewoonte, en vervolgens het goedvinden van de bisschoppen van die tijd, waarover men zie Gerson Bucer, Parker, t. a. p. Ons zal het nu voldoende geweest zijn de sporen van het oude en oorspronkelijke recht aangetoond te hebben in het Jus Canonicum cap. praecipimus. 16 quaest, 1, alwaar het vaststelt, dat na de verdeling van het bisdom, of de parochie, of de doopkerk, (welke door henzelf moederkerk genoemd wordt) in tweeÎn, het deel van het volk, dat aan de nieuwe kerken toegevoegd werd, van de rechtsband met de vroegere kerk losgemaakt is. Want indien dit niet zou kunnen gedaan worden, zou de menigte van de kerken tot een klein getal zijn teruggebracht.

16. IIe Punt. Of het vermeende recht alleen aan die kerk, of aan die kerken in Nederland toekomt, die door haar leiding de Indische kerken hebben gesticht, en de inrichting van kerkenraden en classes in die kerken ingesteld? Antwoord. Nee.. 1e Het steunt op de valse onderstelling, alsof een kerk of enige kerken van Nederland kerkenraden en classes in IndiÎ zouden hebben ingesteld, daar de Indische kerken zelf niet haar eigen en inklevende macht haar kerkenraden en classes hebben ingesteld. En indien zij misschien van de raad en hulp van een Nederlandse kerk of van Nederlandse kerken hebben gebruik gemaakt, dit heft haar eigen macht niet op, noch geeft die macht aan de Nederlandse kerken; evenmin als wanneer enige Nederlandse kerk van de raad van een andere of van andere kerken gebruik maakt. 2e. Gesteld eens wat niet wordt toegegeven, dat die kerkenraden en classes het eerst daar ingericht waren door de Nederlandse kerken, dan ontneemt dat toch evenmin aan de Indische kerken haar kerkelijke macht, om die aan de Nederlandse kerken te geven, als wanneer de classis in een pas verzamelde kerk voor de eerste maal de keuze en de instelling van de kerkenraad bestuurt. Want dit recht heeft die kerk daarna alleen, en ze oefent dit op de gewone wijze in haar eigen boezem uit, zonder haar classis of synode geraadpleegd te hebben. Want iets anders is het de kerk te beschouwen in haar eerste oorsprong in haar wording, als nog zonder vorm en nog niet georganiseerd zijnde, en iets anders is het haar te beschouwen als reeds geformeerd, volledig georganiseerd en voltooid. Aan de eerste zou enige afhankelijkheid van de moederkerk kunnen toegekend worden, welke aan de laatste niet moet worden toegekend, omdat de ene kerk niet boven de andere staat. IIIe Punt. Of op grond van de politieke onderworpenheid, ondergeschiktheid en afhankelijkheid de Indische kerken beroofd moeten worden van haar eigen inklevende macht, en dientengevolge met gezag bestuurd en geregeerd worden door ÈÈn of meer Nederlandse kerken? Antwoord. Nee. 1e Omdat dan de hemel met de aarde vermengd zou worden, en de besturing van de geestelijke zaken volkomen zou moeten worden ingericht naar die van de wereldse zaken, en het koninkrijk van Christus van deze wereld zou zijn, wat een ongerijmdheid is. 2e Omdat omgekeerd daaruit volgen zou, dat indien de inwoners van Oost- of West-IndiÎ, hetzij Nederlanders of inboorlingen, eens zoveel in politiek gezag stonden boven onze provinciÎn, als onze provinciÎn nu staan boven de beide IndiÎn, de Indische kerken kerkelijke macht moesten uitoefenen over de Nederlandse kerken, en de Nederlandse kerken van die macht volkomen ontbloot moesten zijn. Dat dit zo dwaas mogelijk is, wordt door ieder wel ingezien. 3e. Omdat ondersteld wordt, dat alle volken en gewesten van de beide IndiÎn, met welke de Nederlanders een rechtsbetrekking, een verbond, of vrijheid van handel hebben, politiek aan de Verenigde Nederlanden en aan de O. I. Compagnie onderworpen zijn, wat nog niet bewezen is. 4e. Omdat de koloniÎn van de Engelsen in West-IndiÎ of Nieuw-Engeland geleerd hebben, dat koloniÎn en kerken politiek aan het Europese volk of rijk onderworpen kunnen worden, en toch kerkelijk van de kerken van dat rijk op generlei wijze afhankelijk zijn, ja zelfs zonder een naar buiten zich openbarende en formele eenheid en synodale correspondentie met die kerken te onderhouden. IVe Punt. Of de kerkelijke afhankelijkheid en onderworpenheid van die kerken aan de Amsterdamse of Middelburgse kerken of aan andere kerken, welke die ook zijn mogen, of aan alle Nederlandse kerken blijvend moet zijn op grond daarvan, dat Nederlandse kooplieden en burgers voor hun kosten de prediking van het evangelie aan hen bezorgd hebben? Antwoord. Nee. 1e. Omdat daaruit zou volgen, dat niet kerkelijke personen of kerken als zodanig, maar slechts zekere rijke burgers als zodanig, die zonder dat gelet wordt op de hoedanigheid van de personen dit handelsgenootschap aangaan, kerkelijk deze kerken onder hun overhorigheid brengen, en die kerken na verkrijging van dit recht voor altijd regeren, zonder uitsluiting zelfs van roomsen, ketters, Socinianen en wederdopers, of joden, libertijnen, atheÔsten, die zich bij dit genootschap van handelslieden zouden aanmelden, wat zo ongerijmd mogelijk is. 2e. Omdat op deze wijze iets ergers dan de koninklijke rechten en patronaatsrechten bevestigd zou worden, aangaande welke dit tot vervelens toe is opgedreund: de schenking, de stichting, de grond maken de patroon. Want die de kerk begiftigd hadden, of de kosten voor haar planting in het begin gedragen hadden, of haar vrijheid bewerkt hadden, of bescherming en herberg haar verschaft hadden, zouden zich over die kerken naar dezelfde gevolgtrekking het blijvend gezag toekennen. Niets is ongerijmder dan dit. Zie beneden deel 2, over het patronaatsrecht, waar wij hebben aangetoond, dat dit juk niet door onze voorouders ten tijde van de reformatie, ja zelfs niet tevoren onder het pausdom evenmin als heden kon gedragen worden. Aan het gezegde zal ik nu niets toevoegen dan de Canon van het pauselijke, Franse concilie van Bordeaux, welkeÝ Bochellus heeft in zijn Besluiten van de Gallicaanse kerk, boek 5, titel 8, c. 7, pag. 772. Wij bezweren de Allerchristelijkste koning bij de ingewanden van de barmhartigheid van God en bij het bloed van Christus, dat in het vervolg op gelukkiger wijze dan vroeger, vooral sedert de verkiezingen zijn opgeheven, voor de kathedrale kerken en kloosters gezorgd wordt, en wij smeken hem, dat hij naar de mate van zijn bijzondere vroomheid jegens God, tot Gods eer en tot nut van de kerk, evenzeer om met de grootste nauwgezetheid aan de drang van het geweten te voldoen en dit van de grootste angsten te bevrijden, de mogelijkheid om geschikte en nuttige herders van de kerk te kiezen herstelt. 3e. Omdat hieruit zou volgen, dat alleen de kerk van Jeruzalem vroeger de kerkelijke macht gehad heeft, en dat alle overige kerken, aan welke door de mildheid van de burgers en leden van die kerk het evangelie gepredikt was, er van verstoken waren (Hand. 4). 4e Of enkel verwarring hieruit moet verwacht worden, indien eens alle kerken en kerkenraden in Nederland om strijd dienaren naar de beide IndiÎn zenden, en aan de kerken daar de uitvoering van haar bestuur voorschrijven, of ook haar zaken beoordelen en regelen? Antwoord. Nee. Wanneer n.l. alle kerken en alle dienaren hun eigen zaken bezorgd zullen hebben, en zich binnen hun grenzen zullen gehouden hebben, zich in eens anders zaken niet inmengende, totdat de Indische kerken ter bescherming van haar eigen vrijheid de raad of hulp van deze of genen zullen hebben verzocht. En indien het geval van hoger beroep, of van slecht beheer, of een ander zodanig geval zich heeft voorgedaan, dan doet niet ÈÈn kerk, dan doen zelfs niet enige bestuurders of kerkelijke afgevaardigden, maar de kerken van de hele provincie of van de provinciÎn, wat in Nederland op synodale wijze in alle kerken pleegt gedaan te worden, krachtens de synodale verbinding, verbintenis en correspondentie. Zoals wij hebben aangetoond tegen de bewering van de onafhankelijkheid van de afzonderlijke kerken, in deel 2, waar over de classes en synoden wordt gehandeld. VIe Punt. Of ooit de Indische kerken, hetzij de Oost- of West-Indische, hetzij alle of enige ervan haar wezen kunnen behouden en blijven bestaan, zonder uitdrukkelijke verbinding of correspondentie met de Nederlandse kerken, die als het ware haar moeders zijn? Antwoord. Ja. 1e. Het zou noodzakelijk zijn die correspondentie te laten of tijdelijk af te breken in het geval van deformatie, of van het beletten van reformatie, ja zelfs zeker in het geval van het beletten van een geoorloofde scheiding[172]. 2e. Het zou noodzakelijk zijn in het geval, dat die correspondentie en verbintenis wegens de afstand van de plaats en wegens de slapte van de scheepvaart aldus niet kunnen worden volgehouden, en dat zij juist, nu om deze dan om geen redenen, de opbouwing en meerdere volmaking eerder verhinderen dan bevorderen zouden. 3e. Het zou geoorloofd zijn wanneer de politieke verandering van heerschappij, of van bestuur, of politieke oorlogen en scheuringen, of een besluit van de overheid en dergelijke dingen het aan de kerken oplegden. Een voorbeeld hiervan geven de Nederlandse kerken in Engeland, die de synodale correspondentie met de kerken in Nederland, welke zij van het begin van de reformatie af gewoon waren met haar te hebben nu nalaten; wel niet eigener beweging, om kerkelijke redenen, maar alleen om politieke redenen; omdat zij, bij wie de politieke macht is, dit niet toestaan. Met betrekking tot de Nederlandse kerken in Frankfort, Frankenthal, Hanau en op andere plaatsen in Duitsland nemen wij hetzelfde waar. De enige reden is deze, omdat die verbinding en correspondentie is ingesteld voor het meerdere welwezen van de kerken, echter niet tot haar verslechtering of vernietiging[173]. Hiervoor echter waarschuwen wij hier, dat het toelaten van, veel meer nog het streven naar verandering of nieuwigheden zonder gewichtige redenen, gevaarlijk en gewaagd is.

17 Tot hiertoe onze antwoorden op de twijfelingen. Wij gaan nu voort in het oplossen van de vraagstukken, die nog overblijven. VIIIe Vraagstuk. Of de kerken in Nederland enig recht bezitten van moederkerk of kathedrale kerk of metropolitaankerk over de scheepskerken en de kerken in het leger? Antwoord. 1. Deze kerken zijn niet vast of blijvend, en dientengevolge worden zij slechts oneigenlijk en onvolkomen kerken genoemd. Want zij hebben in zichzelf geen volledigheid, wat de kerkenraden en kerkelijke colleges betreft. En hoewel sommige nodige dingen, die op de regering, de censuur en de tucht betrekking hebben, door de predikers daar op hun wijze worden geregeld, zou hieruit echter, wijl deze vergaderingen heen en weer trekkend en slechts voor enige tijd zijn en bovendien uit leden van verschillende kerken samengesteld worden, het recht en wezen van kathedrale kerk niet kunnen worden voortgebracht, indien ook het volledig en voldingend bestuur van die vergaderingen afhing van andere kerken? De natuur van de scheepskerken is niet dezelfde als die van de kerken in het leger. De regering van de scheepskerken zou kunnen zijn, en is hier en daar bij de kerk van die stad, waaruit die schepen vertrekken en waar de meeste schepelingen als leden hun godsdienstoefening verrichten. Over de kerken in het leger kan zodanig iets nauwelijks gezegd worden, gelijk hun bekend is, aan wie de legerplaatsen bekend zijn. IXe Vraagstuk. Of de afgevaardigden, of gedeputeerden (gelijk men ze nu in Nederland noemt) van de synoden de voorstelling en de indruk geven van enig college en recht van een kathedraal- en metropolitaankerk; en of hun macht en opzicht inderdaad bisschoppelijk, of tenminste het naast daaraan verwant is; en of hun samenkomsten, welke zij herhaaldelijk houden, als het ware kathedrale of hoogste kapittelen zijn of kerkelijke consistories? Antwoord. Beneden, in deel 2, waar over de ouderlingen gehandeld wordt, hebben wij uit de weg geruimd de valse aanklacht van de Groot in zijn Pietas Illustriss. D. D. Ordin. Hollandiae, bladz. 112 uitgesproken, alwaar hij verzekert, dat die deputaten tussen regenten zijn, die de rechten van de synode uitoefenen, gedurende de tijd, dat de synode niet zit. Het daar gezegde herhalen wij hier niet. Slechts voegen wij er aan toe, dat Grotius met meer schijn van waarheid, indien hij zich op oprechtheid had toegelegd, zijn tussenregentschap had kunnen toekennen aan de Deputaten van de Remonstrantse Utrechtse Synode, volgens de kerkelijke verordeningen van het jaar 1612 (pag. 111), waar aan hen met achteruitzetting van de kerkenraden van de dorpskerken (zo niet met hun terzijdestelling onder een schoonschijnend voorwendsel) de grote macht is toegestaan, onder andere, tot de verzameling en uitgave van een nieuwe psalmenliturgie[174]. Maar thans, nu wij zien, dat opnieuw verkeerde vermoedens en vreemde gevolgtrekkingen met betrekking tot het bestuur van de Nederlandse kerken gemaakt worden, in strijd met de waarheid van de zaak, tegen de bedoeling van, en in strijd met de gemeenschappelijke verordeningen van de kerken, en dat wel op zulk een wijze dat rechtzinnige en vrome mannen, die alle kathedrale en bisschoppelijke heerschappij in Engeland nu geheel zouden willen hebben opgeheven, door het vooroordeel van een als het ware algemene mening vervolgd worden; zo kunnen wij niet nalaten de lezer nader bloot te leggen, wat de zaak is met die deputaten. Wij zeggen dan: 1e Dat de Zeeuwse kerken en synoden zodanige deputaten niet aanstellen, evenmin de Waalse of Frans-Hollandse kerken. 2e Dat het college van die deputaten niet is een afzonderlijk en blijvend kerkelijk college, met gewone kerkelijke macht toegerust, hetzij van bestuur hetzij van de rechtspraak. Want onze kerkenordeningen erkennen geen colleges dan deze vier, de kerkenraad, de classis, de particuliere of provinciale synode en de nationale synode. 3e Zij hebben en oefenen derhalve geen macht boven en over de classes, parochiale of plaatselijke kerken of haar kerkenraden; ja zelfs niet over een enkele prediker, of ouderling of lid van de kerk; tenzij zij door een bijzondere, buitengewone en uitdrukkelijke opdracht van de synode een mandaat hebben om ergens een synodale uitspraak bekend te maken, aan te dringen en uit te voeren, of ook (wat zeer zelden gebeurt) met synodale macht in een bijzonder geval of in een bijzondere moeilijkheid (van welke enige omstandigheden na het houden van de synode op de plaats zelf moeten onderzocht worden) de uitspraak vast te stellen. En dan worden meestal enige andere personen uit de synode of uit de naburige classes aan de deputaten toegevoegd. Ja ook soms worden geheel andere personen tot deze zaak afgevaardigd. Maar zodanige synodale macht wordt zeer zelden, gelijk ik gezegd heb, en met grote moeite toegestaan en niet dan in het uiterste geval van noodzakelijkheid, als de zaak gedurende de zitting van de synode niet kon worden afgedaan, en toch geen uitstel duldt. 4e Zodanige opdracht, hun gegeven, geeft hun geen macht, ja zelfs geen schaduw van macht over andere kerken, of personen of kerkelijke zaken. Evenmin kan men in die zaken bij hen in hoger beroep komen; zij kunnen daarin, naar gelang van omstandigheden of op aanvraag, broederlijke raadgevingen verschaffen en voorlopig als scheidrechters iets tot raad in het midden brengen; maar behalve dat niets. 5e De boeken en theologische geschriften, die in het licht moeten gegeven worden, onderzoeken zij niet krachtens eigen en blijvende macht, zelfs niet krachtens overgedragen macht van de synode gedurende dat jaar of die twee jaren, waarin zij hun opdracht hebben, maar dit werk is geheel aan classes of academiÎn in de kerkenordeningen opgelegd; deze vrijheid echter blijft aan de synode op buitengewone wijze de onderzoeking van dit of dat boek aan de deputaten of andere personen, welke dan ook, op te dragen. 6e Zij bevestigen de dienaren niet in hun dienst, veel minder nog dat zij in hun verkiezing enig aandeel hebben. 7e Op de synoden en classes vervullen zij niet de post van praeses, assessor of scriba. 8e Ja zelfs in hun hoedanigheid van deputaten maken zij geen deel uit van synoden en classes, noch verschijnen er in. En indien zij in Holland aan de classes namens de synode iets voorstellen, gaan zij naar buiten en wachten buiten de deur, zolang de bespreking gehouden wordt, en de stemmen worden opgenomen. Als dat gedaan is, wordt hun, nadat zij binnengelaten en teruggeroepen zijn, te kennen gegeven, wat bepaald is. Slechts verschijnen zij in de synode, om daar rekenschap te geven van de hun gegeven opdrachten en van de hun opgelegde zaken, of tenminste verslag te geven in welke staat die zaken nu zijn, of wat niet betrekking tot deze gedaan of niet gedaan is. Dat bij die gelegenheid, terwijl zij tegenwoordig zijn, door de voorzitter over de voorgestelde zaken hun raad of raadgevende stem gevraagd wordt, voordat de beslissende en met gezag bepalende stemmen van de synode gevraagd worden, dit is men vooral in de laatste jaren gewoon. Dit geeft echter geen bewijs van een bijzondere en hogere graad van kerkelijke dienst of macht, zelfs niet van een eenvoudige voorrang of hogere rangorde boven de kerken of de herders van de kerken; want men is gewoon het advies van de politieke gedelegeerden, die namens de Staten van de provincie, alwaar de synode gehouden wordt, daar verschijnen, eveneens dat van de dienaren, door andere provinciale synoden terwille van de broederlijke en wederzijdse correspondentie daarheen gezonden, even zodat van de Professoren in de theologie (wanneer n.l. de synode gehouden wordt op een plaats waar een academie is) op gelijke wijze te vragen en te horen, en wel voordat de deputaten geraadpleegd worden. 9e Wanneer zij nu en dan samenkomen, beslissen zij geen kerkelijke zaken, noch bereiden zij voor of stellen zij van tevoren vast of schrijven zij voor de dingen, die in de eerstvolgende synode moeten behandeld worden. Want dit doen de afzonderlijke classes door haar gravamina, die niet naar de deputaten, maar naar de synodale classis gezonden worden en door haar verzameld en geordend aan de classes teruggezonden worden (op sommige plaatsen door de classes weer verzonden naar alle kerkenraden of consistories van haar district) om over die zaken iets bepaald te beslissen en haar afgevaardigden naar de synode met geloofs- en instructiebrieven te voorzien; en deze dingen geschieden alle zonder medeweten, raad en toestemming van de deputaten, voor wie hierin niets te doen is. Wat doen zij dan wel? zal men vragen. Ik antwoord: niets anders dan dat zij, nadat de synode gehouden is, haar handelingen nalezen, en daaruit de opdrachten die hun mochten gegeven zijn, aantekenen, om die getrouw uit te voeren, daar zij toch rekenschap zullen geven op de aanstaande synode. Die opdrachten echter bevatten meestal niets anders dan enige klachten of vragen, die namens de synode door een smeekschrift bij de Staten gedaan, of enige dingen, die aan deze of die kerk over enige particuliere zaak namens dezelfde synode voorgesteld moeten worden. Behalve deze opdrachten, die nu eens zeer weinige, dan weer geen of bijna geen zijn, rust op de deputaten de last om namens de synode tegenwoordig te zijn bij de examens van degenen, die tot de dienst geroepen zijn, opdat aldus voor de synode te beter vaststaat, dat de eenheid in de rechtzinnigheid in alle classes bewaard zal worden. Dit laatste bewijst niet, dat zij enige macht hebben over de kerken of classes omdat, wanneer er geschil of strijd over de rechtzinnigheid van de examinandus ontstaan zou, het niet aan hen zou staan dit te beslissen, maar aan de classis. De deputaten kunnen niets anders doen dan waarschuwen, en aan de synode verslag geven. 10e Kortom op sommige plaatsen in Nederland worden geen, op sommige twee of drie, op sommige vier deputaten op de provinciale synode benoemd, die voor een jaar of op zijn hoogst voor twee jaren de particuliere, hun door een uitdrukkelijk en bijzonder mandaat van de synode aangewezen en omschreven zaken bezorgen en uitvoeren, behalve hun tegenwoordigheid bij de examens van de dienaren. Hieruit moet ook niet met de minste schijn door billijke beoordelaars worden afgeleid, in strijd met het gevoelen en de praktijk van de Nederlandse kerken, dat er zou bestaan een nieuwe en bijzondere graad van kerkelijke dienst (onze kerken kennen geen anderen dan die van prediker, ouderling, doctor en diaken) of een macht van regering en rechtspraak, of een waardigheid, of een voorrang en een kerkelijke hoogheid, die een bisschopsambt zou zijn, tenminste daaraan ongeveer gelijk. Volgens dezelfde gevolgtrekking zou men ons kunnen te laste leggen de ambten van tuchtoefenaar, afhouder van sacrament of dienst, scriba, visitator, bevestiger (die iemand in de dienst bevestigt) ziekentrooster, classikale quaestor, smekeling en sollicitant (welke de staat elders noemt meesters van de smeekschriften), examenafnemer, classikale afgevaardigde bij de synode, inspecteur (die over de studenten in de theologie, die beurzen hebben, opzicht heeft), schrijver (die namens de classis of synode een boek schrijft), collectant en uitdeler of bedeler (die een collecte voor ballingen of buitenlandse kerken bezorgt en uitdeelt), spreker op twistgesprekken of conferenties (die met een onrechtzinnig persoon in het openbaar een twistgesprek of een conferentie houdt), begroeter of dankzegger, die namens de kerken vorsten en overheden begroet of dankzegt enz. Want tot deze en gelijke werkzaamheden en zaken wordt gewoonlijk een dienaar of worden enige dienaren door de kerkenraad, de classis of de synode, naar dat de zaak is, herhaaldelijk op bijzondere wijze afgevaardigd. Na zodanige blootlegging van de dingen kan men gemakkelijk opmaken, wat er aan is van de pas vermelde valse beschuldiging van de Groot, en wat van de gevolgtrekking van Franciscus Maso, die steunt op een verhaal van de eerwaarde en met mij zeer bevriende Johannes Dureus over de overzeese kerken, in een boekje te Oxford uitgekomen in het jaar 1641, in het Engels uitgegeven onder de titel: Certa in briefe treatises written by diverse etc. Daarin poogt hij te bewijzen, dat alle gereformeerde kerken, met name degene die zeer ijveren voor de Geneefse en Franse kerkinrichting, inderdaad bisschoppen en de hoofdbestanddelen van de bisschoppelijke macht en van het bisschoppelijk ambt hebben, en zelfs dat wat in het begin van de reformatie zonder het bisschoppelijk ambt of in strijd er mee gedaan is, in het uiterste geval van de noodzakelijkheid, als wanneer de gewone regel niet geldt, gedaan is. De woorden van het genoemde verhaal van Dureus geef ik hier uit het Engels vertaald: Ofschoon de classikale vergaderingen en ook de synoden in Holland zo dikwijls mogelijk gehouden worden, n.l. de eerste alle maanden, de laatste eens in het jaar, zo zijn er echter niet zoveel jaren voorbijgegaan, of zij hebben, door de nood gedrongen, enige andere ambtsdragers aangesteld, aan wie een meer algemene macht en opzicht toevertrouwd is dan aan de overigen (hun collegaís). Zij nu worden genoemd gedelegeerden of deputaten van de synode, van wie de werkkring gedurende zeer weinige jaren duurt. Deze deputaten hebben hun vergaderingen bij vaste en dringende gelegenheden, voornamelijk echter op de voor de provinciale synode vastgestelde tijd, wanneer zij overwegen en te voren overdenken, op welke wijze de zaken en aangelegenheden geschikt, en aan de synoden voorgesteld moeten worden. In de synode zitten zij bovendien op hun eigen bijzondere plaats, en aan hen doet de voorzitter van de synode deze eer aan, dat hij hen in de eerste plaats vraagt, om elke zaak voor de synode in te leiden, en hun oordeel over die zaak eerst bloot te leggen, voordat de stemmen van de leden van de synode gevraagd en opgenomen worden. Men vergelijke dit verhaal met dat, wat door ons reeds gezegd is; en men oordele of de verdediging van Maso tot rechtvaardiging van de dienstopdrachten van de gereformeerde kerken buiten Engeland, door ons moet omhelsd worden. Wij hebben een andere verdediging beproefd in de Desper. Causa Papatus, boek 2, sect. 1, hoofdst. 9 en sect 2, hoofdst. 12, zowel overeenkomstig de waarheid van de zaak als in de geest van de kerken, die op andere wijze niet verdedigd willen worden. Intussen moeten deze en andere verklaringen van onze kerkinrichting ons waarschuwen, dat wij in haar uitvoering op onze hoede zijn, en ons onthouden van de minste schijn van verheffing en alleenheersend-bisschoppelijke, of oligarchische heerschappij. Meer behoedzaam zal ons, naar ik hoop, maken het voorbeeld van Schotland, dat door de gewone deputaten, die namens de nationale synode de gravamina of bezwaren van de kerk aan het parlement voorstelden, binnen weinige jaren gekomen is tot haar onrustwekkend bisschoppelijk stelsel. Waarover men zie Didoclavius in het Altare Damascenum, en de Historia Rerum nuper in Scotia gestarum, uitgegeven in het jaar 1641.

 

Einde.

 

 



[1] Hierover wordt uitgebreider gehandeld in het eerste hoofddeel der Theologie, waar over de kerk gehandeld wordt.

[2] In zijn Institut., hoofdst. 12. 5. 2. v. 8.

[3] Hierover wordt in Deel II der Politica Ecclesiastica gehandeld.

[4] Hierover wordt in Boek II der Pol. Eccl. gesproken

[5] Hierover meer in Boek III.

[6] Over de gevallenen, opnieuw gevallenen, geschorsten en boetelingen wordt in Deel III der Pol. Eccl. uitgebreider gehandeld.

[7] Wat hiervan aan is, zal in Deel II onderzocht worden.

[8] Zij worden vermeld in can. 11 en 14 Concil. Nicen., can. 4 Concil. Ancyr., can. 5 Concil. Neocaesar., can. 5 Concil. Laodic., bij Tertullianus in zijn werk ìde Poenitentieî, by Cyprianus lib. 3, epist. 17. De eersten nog in can. 13 Concil. Agathensis en bij Hieronymus Epist. ad Pammach., bij Augustinus c. 12 libr. de Cura pro mortuis en Homil. 49. Over de Gelovigen (fideles) zie men Tertullianus Praescript. c. 41, Augustinus Serm. 237 de Tempore, en can. 19 Concil. Laodic. Over gevallenen, die de boetetucht ondergaan, en die Úf tot de catechumenen Úf tot de gelovigen behoorden, en over hun trappen, over de wijze van toelating en over hun verzoening, waarbij zij eerst, in boeteklederen aan de kerkdeuren staande, de geestelijken en de gemeente moesten smeken om weer opgenomen te worden (in dit stadium heetten zij met een Grieks woord prosklaionteV); vervolgens weer staande naar het voorlezen van de Schrift en de prediking mochten luisteren, hoewel op een afgezonderde plaats (Gr. akruwmenoi); daarna ook knielend het gebed mochten bijwonen (Gr. upopiptonteV); eindelijk weer aan de gehele dienst mochten deelnemen, behalve aan de communie, waarbij zij alleen staande mochten toezien (Gr. sunestwnteV) en ten laatste door handoplegging van de bisschop en de gehele geestelijkheid, alsmede door de broederkus en het genieten van het Avondmaal de absolutie en verzoening deelachtig werden (Gr. teleiou meteconteV), zie en can. 11, 14, 19 Concil. Nicen., can. 4, 5, 6, 7, 8, 9, 16, 23, 29, 23(?) Conc. Ancyran., can. ult. Concil. Constantinopol. Oecum. 11, can. 19 Concil. Laodic., Gregor. Thaumaturgus Epistol. canonica 11, en Basilius Epistol. can. 3 ad Amphilochium canone 58. Al deze plaatsen moeten besproken worden in Deel II, waarin over de soorten van kerkelijke censuur gehandeld wordt.

[9] Hierover vindt men het een en ander in Photiusí Nomocanon met scholiÎn van Balsamon.

[10] Over deze wordt gehandedl in Deel II.

[11] Hierover zie men Deel III.

[12] De bewegende oorzaken voor de herstelling en weder verzameling van de verstrooide kerk zullen ontvouds worden in Boek III van de Politica Ecclesiastica. Ten dele is dit door ons reeds gedaan in ons geschrift, getiteld: Desper. causa Papatus.

[13] Welke middelen zijn tot instandhouding van de bijzondere kerk, dus om te bewerken, dat haar leden, zolang zij niet naar elders vertrekken of uit het leven scheiden, haar niet verlaten, en dat zij, die heengaan, door anderen geregeld vervangen worden; welke verder de middelen zijn tot haar uitbreiding, dit alles zal in Boek III uiteengezet worden. Men kan ook vergelijken Wilh. Zepper, Boek III der Polit. Ecclesiastic., hoofdst. 5, waar hij handelt over de instandhouding van de kerkstaat, wat hier in zeker opzicht moet toegepast worden.

[14] Can. 2 en 22 Concil. Chalcedon.

[15] Hoe men hierover moet denken, zullen wij Deel III in de verhand. over de classes en synoden bespreken.

[16] Deze isÝ te vinden in zijn Grote Catechismus, in het Italiaans en Engels uitgegeven (of het boek ook in andere talen bestaat, weet ik niet). Men vergelijke onze verhandelingen in het IIe Boek van de Desper. causa Papatus, Afd. 3.

[17] Ten dele een herhaling van deze regel zijn de Bepalingen van de Nassauwse Kerken, die men vindt bij Zepperus in het laatste gedeelte van zijn boek over het kerkrecht.

[18] 3) Hierover meer beneden in het hoofdstuk over de Cathedraalkerken en in Deel II, waar over de graden van de dienaars gehandeld wordt. Hiertoe moeten ook gebracht worden bijzondere ererechten, Canon 2 en 3 van het concilie van Constantinopel, Can. 28 van het Chalc. conc. en Can. 6 en 7 van het conc.Ý van Nicaea.

[19] Hierover zie men Amesius, Medulla, Boek 1 hoofdst. 38 en 39 en in Boek 2 der Pol. Eccl., Verh. over de soorten van kerkelijke Zegen, de Gebeden en Gezangen, tit. over de orgels; bovendien de Commentatoren op Ps. 122 en Deut. 17, benevens de schrijvers over de Joodse staat, boven aangegeven.

[20] Men zie de plaatsbeschrijving van die schuilhoeken in Antonius Bosí werk: Roma Subterranea met bijvoegsels, en in de uitgave van Joh. Severanus van 1650 in het Ital. In dit werk schijnen echter vele zaken deels uit een slechtere tijd opgenomen, deels aan de Roomse kerk van de drie eerste eeuwen ten onrechte toegeschreven te zijn.

[21] Men zie Justinus, Apolog. ad Antonium en van Pliniusí Brieven Boek X aan het slot.

[22] De bijzondere en met de omstandigheden in overeenstemming gebrachte leiding en regering van beide soorten van kerken kan men te weten komen van scheepspredikaties en van die, welke bij het leger zijn, als ook uit sommige Besluiten van Nederlandse synoden. Met deze kan men vergelijken de Boeken over de oefeningen van het geestelijke leven, reeds elders door ons opgegeven, die bestemd zijn om de zeelieden, vreemdelingen en krijgslieden tot een vroom leven op te leiden.

[23] Men zie over de oorsprong, de rechten, het wezen, enz. van de wijkkerken het hierover geschreven werkje van Joh. Filesacus, een Theoloog uit Parijs, en Nicol. le Maistre, Over de goederen en bezittingen van de kerken, Boek II, Hoofdst. 9 en 13. Over de rechten van de wijkopzieners en over de parochiale beneficiÎn kunnen geraadpleegd worden de schrijvers van het canonieke recht en de schrijvers, die Augustinus Barbosa in zijn Verzamelingen uit het Concil. Trident. noemt, vooral de pauselijke bullen en de beslissingen van de kardinalen, die dezelfde Barbosa aangeeft in zijn Verzamelingenen uit het Bullarium en de beslissingen van de kardinalen.

[24] Concil. Chalced. Can. 23 en in de Canons van de Afrikaanse kerk, Can. 52: tw barbarikw parakeitai, d.i. zij grenst aan het land van de barbaren.

[25] [Lees: Jean Morelli.]

[26] Men zie zijn Polit. Ecclesiast. Boek 3. hoofdst. 1, 2, 3 enz.

[27] Deze waarheid vindt men door mij verdedigd in het 3e Boek, 2e Afd. van de Desper. Causa Papatus.

[28] Het het 1e Boek van zijn Medulla, Hoofdstuk 32 ß 13.

[29] Hierover hebben wij uit de Regels van de inquisiteurs en uit andere schrijvers van het canonieke recht een en ander opgetekend in Deel 3, tit. Over de excommunicatie.

[30] Men vergelijke Deel III, waar gehandeld wordt over de Vrijheid van geweten.

[31] Men zie ook het commentaar van Danaeus bij deze plaats.

[32] Hierover wordt gehandeld in de volgende verhandeling over de macht en de regering van de kerken.

[33] Men zie, wat wij schreven in Desp. Causa Papatus, Boek II, Afdeling2, Hoofdst. 7. Hier kan nog aan toegevoegd, dat Priscilla Apollo onderwees, hand. 18 v. 26, en dat in het Oude en Nieuwe Testament enige profetessen zijn geweest. Ook kan men er met het oog op de Roomsen bijvoegen de legende van de pausgezinden over de heilige maagd Maria, de moeder van Christus, van wie zij het verzinsel hebben uitgevonden, dat zij zou zijn de huismoeder, lerares en trooster van alle kerken, ook van die van de Apostelen. Zo Zwarez bij Deel 3, vraag 37, disp. 20 en Corn. ý Lapide bij Hand. 1 v. 14 en 2 v. 4 bladz. 27, waar hij ook spreekt van het apostolaat van Maria Magdalena, die voor de inwoners van Marseille het woord verkondigde.

[34] Zie Buxdorf Synag. Jud., hoofdst. 4.

[35] Hierover zie men Tertullianus de Praescript.: Hoe aanmatigend zijn die ketters vrouwen, die durven leren en misschien ook wel dopen. Zo had Simon Magus zijn Helena, Appelles zijn Philumena, Montanus zijn Prisca en Maximilla en anderen weer anderen, welke Hieronymus (aan Ctesiphon) opnoemt. En hier kan men nog aan toevoegen die alles vermogende maÓtressen, die te Rome een tijd lang de verkiezing van de pausen bezorgden, zoals Baronius ons getuigt, met name Theodore (bij het jaar 908, ß 6 en 7) en Marozia. Ook mag hier niet ongenoemd blijven Machtilda van Gregorius VII, over wie men kan raadplegen Het geheim van de onbillijkheid van Plesseus, met een verdediging van Rivet. Men vergelijke de IVe Gevolgtrekking.

[36] Ook hebben wij dit tot een voorwerp van onze afkeuring gemaakt in Desp. Causa Papatus, Boek 2, Afd. 2, Hoofdst. 7.

[37] Aangaande deze Collyridianen meldt Epiphanius (Haeres. 78 c. 23 en Haer. 79 c. 1 sq. T. I. Opp. ed. Petav. Colon. p. 1054. sq. 1057 sq.) het volgende. Enige vrouwen, die uit ThraciÎ en Boven-ScythiÎ naar ArabiÎ gekomen waren, eerden de Maagd Maria als een God, offerden haar een kleine koek (kolluriV, collyris), hielden bijeenkomsten en brachten haar naam offers, hierin alle maat tebuitengaande en aan Gods eer tekort doende. Zij versierden een wagen of vierhoekige stoel, spreidden linnen daarover uit, plaatsten dan, in een plechtige tijd van het jaar, voor enige dagen het daarvoor bestemde brood er op, offerden het aan de naam van Maria en aten allen daarvan. Naar de naam van deze koek nu gaf Epiphanius haar de naam van Collyridianae. Men zie J. M. Schr–ckh, Christl. Kirchengesch. deel IX, p. 21 vgg.]

[38] Men zie bij Epiphanius, dogma 42 en 79.

[39] Men vergelijke, wat wij over de Cloppen meedelen in Deel 2, onder het opschrift: Over de monniken.

[40] Zie Molannus, Verhand. de Canonicis, boek 3, van hoofdst. 24 tot hoofdst. 44, waar hij niet weinig bijeenbrengt uit de kerkelijke oudheid. De schrijvers van het canonieke recht nemen het onder de titel: Over de niet gewone slaven en hun vrijlating krachtig voor het recht van de slavernij op. Zieook Vivianusí Rationale Juris Canonici.

[41] Zie Zupaeus in het werk Novi juris Canonici Analytica Enarratio, Boek 4. bladz. 428 en vooral ook Bochellusí Decr. Eccl. Gallic., Boek 3, tit. 16.

[42] Zo ook Francisc. Valesiusí Philosophia Sacra, hoofdst. 19 en 20 en Forestus in zijn Observationes Medicinales. Hetzelfde bekent Zypaeus op de aangehaalde plaats en A Lapide bij Levitic. 12, wat men zie.

[43] Nomocan., tit. 3, hoofdst. 18, en tit. 4, hoofdst. 16.

[44] Zo Innocentius III in Antiqua collectione Decretal. 3, Lib. 3 tit. 36, en in het Canonieke recht, Quia, over de reiniging na het baren. Evenzo Lyra, Lorinus, ý Lapide op Levit. 12. Vivianus in zijn Rationale Juris Canonici, Lib. 3, tit. 46, voegt daar nog aan toe, dat, als zij uit een gevoel van eerbied zich enige tijd willen onthouden, haar vromigheid niet is af te keuren en dat de vrouwen uit vromigheid dit kunnen doen, omdat het mensen van een goede zin eigen is, daar schuld te vrezen, waar zij volstrekt niet gevonden wordt.

[45] Aldus doet Laelius Zecchus, over de kerkelijke staat, hoofdst. I.

[46] Men vergelijke de volgende Verh. over de kerkelijke macht.

[47] Zie op verschillende plaatsen barbosae Collectanea ad Bullarium en de Decisiones s.s. congregg. Cardinal. en Caramuel Lobkowits, Verhand. de Praecedentia CisterciÎnsium enz., waar ook nog andere schrijvers over de soorten van kerkelijke voorrang worden opgenoemd.

[48] Monasteria exemta zijn die kloosters, welke aan heet gezag en de rechtspraak van de bisschoppen onttrokken waren en onmiddellijk onder de paus stonden.

[49] Men zie de Scripta adversa door de Sorbonisten van de ene zijde, door Nicolaus le Maistre en de Beschermheren van de Regulieren van de andere zijde voor enige jaren onder de naam van Loemelius uitgegeven; evenzo die grote boekdelen Rodericus over de Regulieren, van Tamburinnus over de Abten, van Renatus Choppinus over de heilige Rechtsbedeling, en nog verscheidene van andere schrijvers, welke werken door ons in Deel 2 (waar gehandeld wordt over de Monnikken) en elders zijn aangeduid. Tenslotte kan men hier nog de redenen bijvoegen, die door ons tegen het monnikenwezen op dezelfde plaats en tegen de broederschappen in de Verhandeling over de indirecte Afgodendienst en in de Verhand. over de Maria-Broederschappen zijn bijgebracht en die beneden in Deel 2 moeten herhaald worden.

[50] Over de parochies en huisgemeenten zullen wij beneden het een en ander zeggen. Over de theologische colleges en scholen zal gesproken worden in de volgende Verhand., waar gehandeld wordt over de Macht en de Regering van de Kerken; verder nog in Deel 2, tit. over de Scholen.

[51] Men vergelijke beneden Boek 4, Verhand. over de Tijdelijke belangen van de Kerk.

[52] Over dit alles hebben wij een en ander in herinnering gebracht onder de titel Over de Tijdelijke belangen van de Kerk en in Deel 2 onder de titels Over het Patronaatrecht en over het Monnikwezen; verder in ons werk Desperate Causa Papatus, Boek 3, Afd. 2, Hoofdst. 30.

[53] Zie ons werk Desper. Causa Papat. Boek 2, Afd. 2, Hoofdst. 21.

[54] Men vergelijke onze uiteenzettingen in Desper. Causa Papatus, Lib. 2, Afd. 2, Hoofdst. 7, 12, 19 en 21, en vooral Boek 3, Afd. 1, Hoofdst. 9.

[55] Hierbij zijn te raadplegen, de Geschiedboeken, waarin de eerste wording en planting van [Hier stopt het origineel].

[56] Zie Deel 2, tit. over de Roeping van de Dienaren, en Boek 2 van het werk Desper. Causa Papatus, Afd. I, Hoofdst. 5, 9 en 10 en Boek 2, Hoofdst. 12, 19 en 21.

[57] Dit hebben wij voor de reformatie en voor de roeping van de gereformeerde dienaren tegen de pausgezinde Formalisten overvloedig aangetoond in Desp. Causa Papatus. Ook kan men Deel 3 Pol. Eccl. der tit. over de Classes en Synoden, vergelijken.

[58] 1 Dit kan men zien bij Possevinus Biblioth. select. Boek 6, bladz. 281 en bij Thomas ý Jesu over het aanbrengen van het heil aan alle volken, ongelovigen, sekten enz., Boek 12, Hoofdst. 1, bladz. 866; evenzo uit de artikelen over de afzwering van de Monniken van Bordeaux over welke Antonius Zadeel, die ze in zijn werken heeft ingevoegd, een afkeurend oordeel heeft uitgesproken.

[59] Men zie hierover, wat uit de oudheid opgetekend is door Ambrosius Vicecomes, Boek 2 over de gebruiken bij de Doop, Hoofdst. 16 en 20; Johannes Stephanus Durantis over de kerkel. Gebruiken, Boek 1, Hoofdst. 19, ß31 verder door Rittershusius aan Salvianus over het Godsbestuur, Boek 6, Bladz. 207. Deze mannen werden voorgelicht door het voorbeeld van de Apostolische kerk, Hand. 19 v. 19.

[60] Zie de Liturgie, toegevoegd aan de Gr.-Lat. Catechs Sylburg.

[61] Hierover zal elders nog iets gezegd worden. Men vergelijke de oude geschriften over de afzwering die zo-even geciteerd zijn.

[62] Vergelijk deel 2 van de Uitgelezen Verhandelingen, tit. over de Wedergeboorte en over de Eenvoud en Huichelarij, waar wij dit kenmerk, zoals sommigen menen, dat het bovenbedoelde verhaal zijn zou, als bedrieglijk aanwijzen.

[63] Men vergelijke hiermee, wat elders door ons gezegd is over de borgstelling van de ziel voor iemands leer en voor zijn zaak en over de eed op een publiek formulier of op de belijdenis van de kerk, Deel III van de Uitgel. Verh. tit. over de Eed inzake de Godsdienst.

[64] Men vergelijke de volgende Verhand. over de macht en regering van de kerken.

[65] De hierin belangstellenden kunnen, om enig begrip en enig overzicht van die dingen te krijgen, eens Josephus Vicecomes Over de gebruiken bij de Doop, Boek 2, Hoofdst. 24 vergelijken.

[66] Hierover zie men de Nederlandse Liturgie, tit. over de Bevestiging van ouderlingen.

[67] Men vergelijke Deel 2, waar over de ouderlingen gehandeld wordt en de daar aangehaalde schrijvers.

[68] Nl. in Deel 2, tit. over de ouderlingen.

[69] Over deze ingebeelde wijsheid en eigenwillige godsdienst zie men deel 2, titel over het monnikenwezen.

[70] Zie hetgeen gezegd is bij de voorafgaande vraag.

[71] Zie hierover de geschiedenis van de sacramentariÎrs van Hospinianus.

[72] Zie de verdediging dezer handeling in de akten van de Synode van Dordrecht, de 26e en 29e sessie.

[73] Zie hierover Filesacus, het aangehaalde traktaat en beneden, waar over het patronaatrecht en de kerkgebouwen gehandeld wordt.

[74] i) Zie Lambertinus over het patronaatrecht, deel 1, boek 2, Vraag 5. Zie de aanhalingen van andere schrijvers bij Barbosa over de 2e Canon.

[75] Over deze dingen zie men de onder de nieuwere beroemde leraar van het canonieke recht Augustinus Barbosa, tractatus de Canonicis capp. 31, 32, 33, 34, 40.

[76] Zo tenminste wordt het vastgesteld door de oude leraars van het canonieke recht, Panorin. Johan. Andr. Imola en anderen. Meegedeeld in cap. quoniam de Vita et holiest. cleric. Maar de nieuwere en met hen de S. Congr. Conc. 27 Juni 1627 kennen dit gezag nu alleen aan de paus toe. Zie Barbosa de Canon. c. 2.

[77] Aldus is het bepaald door de S. Congr. Conc. Rit. B. Martii anno 1619 et 25 Februari 1606.

[78] Volgens de bul van Pius IV van het jaar 1561.

[79] Aldus de Gloss,. in c. gratum de postul. praelat. en in c. 1 de Election. Ook de S. Congr. Conc. 26 Aprilis 1621 heeft bepaald, dat de kerk nog kapittelkerk genoemd wordt en haar voorrechten nog geniet, al blijft slechts ÈÈn kanunnik over.

[80] Barbosa c. 19 ß 10.

[81] S. Congr. Rit. 25 Febr. 1606.

[82] S. Congr. Rit. 24 Augusti 1609.

[83] S. Congr. Rit. 27 Jun. 1610.

[84] S. Congr. Rit. 28 Aprilis 1607.

[85] Barbosa c. 1. ß 9. 10. 11. 14. Waar hij bijvoegt, dat niet vereist wordt het samengaan van alle aanwijzingen, maar dat voldoende is, zo enige aanwezig zijn.

[86] Zie over deze beuzelingen Barbosa, het geciteerde kapittel ß 18.

[87] Zo heeft geoordeeld S. Congr. Conc. bij Barbosa t. a. ß 24.

[88] S. Congr. Rit. 23 Martii en 20 April 1602.

[89] Barbosa de Con. c. 1. 49.

[90] Barbosa c. 42 ß 21.

[91] Aldus S. Congr. Concil. 1 Febr. 1631.

[92] Men zie over de verheffing van een parochiekerk tot een kapittelkerk en van deze tot een kathedraalkerk de leraars van het canonieke recht ad Extrav. Salvator, de Praebendis inter commit.

[93] Zie deel 2 over het patronaatrecht.

[94] Vergelijk de Apolog. 2 van Justinus Martyr.

[95] Vergelijk beneden, deel 2, waar over de kanunniken gehandeld wordt.

[96] Zie deel 2 over de kanunniken.

[97] Er komt een uitdrukking voor in het Jus Canonicm c. luminosi 18 qu. 2: de katheter plaatsen, welke de kanttekening uitlegt met "het ambt van rechter uitoefenen" of zoals Albericus de Rosate in zijn woordenboek. zegt, de rechtspraak oefenen en verklaren.

[98] Barbosa t. a. p. zegt: Een kathedrale kerk is derhalve een kerk, waarin behalve het college of kapittel de katheder van een hogere geestelijke of de zetel van een prelaat is. c. statutum, de Recript. in 6 c. ne pro defectu, de Elect.

[99] Dat ze aldus bij de leraars over het canonieke recht genoemd wordt naar de oude schrijf-Ý en spreektrant van de Roomse curie, getuigt Barbosa c. 2 de Canonicis.

[100] Aldus de schrijvers bij Barbosa t. a. p.

[101] Zie de schrijvers en aangehaalde plaatsen bij Barbosa.

[102] Kanttekening c. 2 de poenit. 6.

[103] De Praxi Beneficiorum, titulo de Erectione in Ecclesiam cathedralem.

[104] Instit. Moral. p. 2 Lib. 5 c. 29 qu. 25 et Lib. 6 c. 30 qu. 2 et 4. Barbosa voegt er bij, dat het aan de paus alleen behoort kanunnikdijen in kapittel- en kathedraalkerken in te stellen, bij de handeling van de verheffing.

[105] Aloys. Riec. in Collectan. Decis. p. 6 collectan. 2350. Gambara, Camillus Borrel. Stephan. Gratianus, en anderen bij Barbosa.

[106] Volgens de beslissing van Rota bij Barbosa.

[107] C. quoniain et. cum contingat, de Decimis, op welke plaatsen de leraars en de glosse moeten nagezien worden.

[108] C. ex parte, c. cum liberum, c. cum super, c. in nostra de sepultura.

[109] C. 3 et ult. de Paroch. et cap. Presbyteri, de consecratione dist. 4.

[110] Aldus is het bepaald door de S. Congr. Rit. 19 Augusti 1609.

[111] Volgens c. sedes 15. de Rescription. et. 3. de Sepultura.

[112] S. Congr. Rit. 18 Novemb. 1606 et 25 Junii 1611 et 19 Augusti 1619, wat ook uitgebreid wordt tot alle verrichtingen en handelingen, die in de eigen kapittelkerk moeten uitgeoefend worden. Zie hierover de schrijvers, die onder elkaar van gevoelen verschillen bij Barbosa, hoofdst. 18.

[113] Over deze beuzelachtige en nietige dingen betredende de voorrang kan hij, wie dit lust, nazien, Zerola in Praxi Episcopoli p. 2. in verbo Canonici, en Mich. Ferrus in tract. de Praecedentia Ecclesiastica, en de aanwijzer als het ware van allen Barbosa c. 18.

[114] Glossar. in verbo subdito, c. 2. de poenitentia Lib. 6. en de leraren, geciteerd door Barbosa c. 6. ß 19.

[115] S. Congr. Rit. 28 Nov. 1605.

[116] Aldus bepaalt het de S. Congr. Rit. 12 Martii 1616 en 31 Martii 1618 en de duae Constitutiones Clementis VIII later bevestigd door Gregorius XV, welke men zie bij Barbosa t. a. p.

[117] S. Congr. Rit. 3 Octob. 1618 en 16 Junii 1605.

[118] S. Congr. Rit. 16 Maji 1607 in deel 20.

[119] Zie hierover Quarantam in Summa Bullarii, in Voce Consilium Provinciale, en Barbosa 42 ß 21.

[120] Over de uitzonderingen en beperkingen van deze regel zie men de daarover twistende leraars van het canonieke recht bij Barbosa c. 2 ß 20 en 34 ß 21.

[121] Extrav. ult. de Conc. prael. Johan. 22.

[122] S. Congr. Rit. 28 Nov. 1609.

[123] Aldus heeft het bepaald S. Congr. Rit. 27 Martii 1632.

[124] Waarover men zie de leraren ad c. placuit. 10 qu. 3 et ad c. conquerente, de offic. ordinand. in antiqu.

[125] Barbosa in Collectan. Bullarii, in cathedraticum.

[126] Barbosa in collectan. De gevoelens van de leraren op verscheidene plaatsen van het conc. Trid. ad sess, 6. c. 4

[127] T. a. p. sess. 21, c. 7.

[128] T. a. p.

[129] T. a. p.

[130] T. a. p. sess. 24 c.

[131] Zie bij Vivianus in Rationali Juris Canonici Tib. 1. tit. 6. c. 42.

[132] T. a. p. Clementin. c. 7. p. 131.

[133] T. a. p. 10 c. 3.

[134] T. a. p. tit. 6. Clementin. c. 5. p. 130.

[135] T. a. p. tit. 33. c. 16.

[136] T. a. p. Lib., tit. 5 in Sexto c. 5. p. 38.

[137] Barbosa de Canonicis c. 3. ß 1.

[138] Gelijk te zien is in het Bullarium, en bij Barbosa de Canonicis c. 1. ß 49-50. De lijst van de kathedraalkerken, zowel als van de andere kapittelkerken, die van de reguliere staat tot de seculaire zijn overgegaan zie men hij Chopinus, de Sacra Politia Lib. 1 tit, 3, en bij Aubertus Miraeus de Collegiis Canonic. c. 123.

[139] Dat de meesten zodanig zijn, oordeelt Miraeus t. a. p. c. 122.

[140] Men raadplege hierover het Bullarium en Barbosa in Collectataneis Bullarii in voce ecclesia, en dezelfde in zijn Praxis exigendi Pensiones. VÛÛr Barbosa is uitgegeven door Aubertus Miraeus de Notitia Episcopatuum totius orbis in 8ƒ.

[141] Zie de besluiten van de Gallikaanse kerk van Bochellus, boek 5, titel 8, hoofdst. 72. En van Barbosa de Collectanea Bullarii, en van de Leraars de aantekeningen op het Trentse concilie, waarin over de bisschoppen en kapittels wordt gehandeld.

[142] Glossa in Clem. 1 de sent. Excom. et c. dilectus. de capill. monach.

[143] Zie de 5e en 6e Canon van het Nicees concilie en de 20e van dat van AntiochiÎ en de 28e van dat van Chalcedon. Vergelijk later deel 2 over de Metropolitaanbisschoppen.

[144] Zie de verheffingen tot metropolitaankerk in het Bullarium, waarover hieronder.

[145] Volgens de Const. van Gregorius XIII.

[146] Volgens de bul van Innocentius III, anno 1206.

[147] Volgens de bul van diezelfde paus, anno 1204.

[148] Conc. van Trente, 6e sess. c. 1.

[149] Can. 1 dist. 99.

[150] Hoofdst. si inter episc. 6, quaest. 447.

[151] Capit. pastoralis, de offic. ordinand.

[152] Hoofdst. quoniam. 65 distinct.

[153] Quaranta in Constitut. Pontificum, voc. capituium, et Archiepiscopus.

[154] S. Congr. Episcop. et regular. 31 Maji 1588.

[155] S. Congr. Concil. bij Zeroll. in Praxi Episcop. in voce appellatio. Zie het gehele besluit, bij Quarant. t. a. p. en Barbosa in Collectan. Doctorum, ad Concil. Trident. sess. c. 1.

[156] S. Congreg. Rituum 16 Octob. 1604.

[157] Deze en andere beuzelingen betreffende de voorrangen kan men, zo men lust heeft, zien bij Barbosa in Collectan. Bullarii, in voce. Archiepiscopus.

[158] In de rijkswet van Karel de Grote 780, c. 1.

[159] Const. van Lodewijk de Vrome en Lotharius 826, c. 10, bij Goldastus in Constitution. Imperator. tom 3. p. 258.

[160] T. a. p. hoofdst. 13.

[161] Rijkswet van Karel de Grote, overgenomen uit de rijkswet van Lotharius, bij Goldastus, bladz. 152.

[162] Can. i van het concilie van Efeze.

[163] Aldus Eutychius, de Alexandrijnse patriarch, in de Annal. Arab., die nu in het Latijn zijn uitgegeven, deel 1, Pag. 334. Maar hierover meer in deel 2, alwaar over de patriarchen gehandeld wordt.

[164] Hierachter deel 2, waar over de kanunniken gehandeld wordt, aangehaald.

[165] Zoals te zien is bij Barbosa en andere schrijvers over de kanunniken.

[166] Hierover deel 2, alwaar over de vrijstelling van wonen op de plaats, waar het ambt moet uitgeoefend worden en over de vicariaten zal gehandeld worden.

[167] Zie beneden deel 2, alwaar over de ouderlingen gehandeld wordt.

[168] Utrecht. Vert.

[169] Hierover zie men deel 2, over de classis.

[170] Tholosanus in zijn syntagma Juris. lib. 15 c. 11 zegt: de koloniÎn, van welke vaststaat, dat zij uit de moederstad zijn overgebracht, behoren niet tot het aartsbisdom (n.l. tot dat wat aan die moederstad verbonden is), omdat de koloniÎn ook naar verwijderde rijken en naties worden overgebracht.

[171] Vergelijk, wat wij tegen de Roomsgezinden uitÈÈn hebben gezet in de Desp. Causa Papatus, lib. 3, sect. 1 c. 11 en 3 c. 3.

[172] Hierover zie men de Desper. Caust Papatus, lib. 2 Sect. 1 en 2 en lib. 3 sect. 3.

[173] Vergelijk beneden deel 2, waar over de classes en synoden wordt gehandeld.

[174] Zie de voorrede in die liturgie vooropgesteld.