Opdracht

Aan de recht eerwaarden,

Mijnheer Patrick Johnston, heer burgemeester,

William Hutcheson, John Duncan, Samuel Maclellan, Adam Cleghorn, leden,

Mijnheer Robert Blackwood, oudste van het gilde,

William Jeffrey, schatmeester,

William Wardrobe, diaken-secretaris,

en de overige leden van de Raad van Edinburgh.

Recht eerwaarden,

Het is een grote blijdschap, als eer en bevordering, die voor zo velen de ondergang van hun deugd bewijst te zijn, alleen dient om hun gaven te oefenen en verduidelijken, die anders, tot groot nadeel en schade van het publiek, voor altijd in duisternis begraven zouden zijn. U hebt geen van mijn aanbevelingen nodig. Het is voldoende voor u, om zich er bewust van te zijn voor uzelf, zonder dat ik ze overal in het rond uitbazuin, dat u rechtvaardige en eervolle daden uitgevoerd hebt. Uw ijver, standvastigheid en voorzichtigheid, uw bestendige kalmte, en wijs gedrag in uw openbare besturingen, door elk ding af te wegen, met een billijkheid van gedachten, en rijpe overwegingen, in de weegschaal van de godsdienst, billijkheid, en redelijkheid; uw uitdelende rechtvaardigheid voor degenen die het verdienen, en de geweldig uitgebreide grootheid van uw voorbeeldige gulheid, medelijden, en liefdadigheid voor de armen en behoeftigen, drijven en noodzaken mensen om te zeggen, dat het karakter dat u handhaaft, meer is tot voorspoed en voordeel van de stad, dan van u, en dat het publiek uw bijstand en hulp niet kan missen.

Ik kan uw ijver voor het beplanten van de plaats met een stel geschikte dienaars niet vergeten, en de buitengewone begunstigingen die u dagelijks op hen uitgiet. En ook niet uw grote en onbaatzuchtige zorg, door uw verstandige en eerlijke maatregelen, om verlichting te geven aan de stad, van de grote last waar het onder ligt. En dat inderdaad, en de andere stukken van uw werk, zou een moeilijke onderneming zijn voor iemand die niet gezegend was met een groot en sterk karakter.

Een ander deel van uw karakter, dat ik niet voorbij kan gaan zonder een aparte aandacht, is uw vaste en onwankelbare trouw aan onze goedgunstige Koningin, (een mooi voorbeeld, dat al de koninklijke steden imiteren); een Koningin, die ondanks de teerheid van haar geslacht, en de buitengewone zachtheid van haar stemming, haar zwaard getrokken heeft; dat de Heere der heirscharen gezegend heeft met een wonderbaarlijk succes, tegen een monster van trouweloosheid en vervolging, van wreedheid, eerzucht, en verdrukking; tegen hem die denkt dat zijn troon nooit goed genoeg bevestigd is, zonder dat het drijft in menselijk bloed. En ook niet dat zijn kroon helder schijnt, of met enige luister, tenzij dat het gevernist is met een zee van christelijk bloed. Wat kunnen we denken van de godsdienst en wijsheid van zulken, die hunkeren naar een paapse vorst? En wat kunnen we verwachten van iemand die opgeleid is in al de grondregels en tactieken van een franse tirannie, en geleerd is, door ontelbare voorbeelden, om te grijpen naar een absolute, despotische en onbeheerste macht? Gezegend zij God voor de buitengewone ijver die onze Koningin heeft, en die bij alle gelegenheden blij is zich te verklaren voor de opvolging van haar glorieuze troon in de protestantse linie van haar koninklijke familie. Dit beantwoordt goed haar titel van de Verdediger van het Geloof; wat, zoals het haar voorrecht is in een hoogste hoedanigheid, zo is dit het voorrecht van alle andere ambtenaren, in hun lagere, beperkte en ingekrompen terreinen.

Uw eerwaarden hebt een natuurlijk recht op deze preken, die ik wijd aan u. Want die alle, behalve één, waren gepredikt in de stad. De bijzondere banden waardoor ik gebonden ben aan uw eerwaarden, hebben het buiten mijn vermogen gesteld om u enige complimenten te maken, omdat al mijn aanbiedingen neer zullen komen op niets meer dan een eerlijke erkenning, en slechts een gewilligheid in mij tonen om dankbaar te zijn. Dat God uw bestuur mag voortzetten, de zegening en de voorspoed van de plaats, en u mag bewaren om op Hem te vertrouwen, voor het bestuur en de leiding van Zijn onfeilbare Geest, is het gebed van,

recht eerwaarden,

uw meest verplichte dienaar,

in de Heere,

James Webster.

 

Voorwoord aan de lezer

Godsdienst is een grote verborgenheid, zowel in zijn grondbeginsels en leerstukken, als in de plichten en praktijken daarvan. Deze overtreffen niet meer onze kennis en begrip, dan ze de macht van onze willen doen. En zoals Hij Die licht schiep uit duisternis, in onze harten moet schijnen, om ons de kennis van Christus te geven, zo ook Hij, Die de harten neigt tot wat Hij ook wil, moet, door de werking van Zijn genade, hen brengen tot het begrijpen en ontvangen van die Christus.

Omdat de natuur van de ware godsdienst nooit gekend kan worden, zonder de overweging van de betrekking daarvan tot, en de afhankelijkheid van onze Verlosser, zal ik evangelie-heiligheid beschouwen, zoals dat samenhangt met de Middelaar Christus Jezus. Hij is de werkende Oorzaak en Auteur daarvan. Hij heiligt ons door de krachtige en doeltreffende werkingen van Zijn Geest. De gehele voorbereiding tot heiligheid is van Hem. Hij is de voorbeeldige Oorzaak. Heiligheid is een precieze kopie van Christus, het grote en glorierijke Model. Het zucht naar een grote gelijkvormigheid aan ons gezegend Hoofd, en om dichter te komen bij de volheid van de gestalte van Christus. Hij is evenzo de laatste Oorzaak. Al de genaden, en al hun werkingen, komen uit op de eer van de Middelaar, en het tonen van de deugden en glorie van Hem Die ons geroepen heeft. De wet van de Middelaar is de maatstaf en regel daarvan. Het hart ademt dat hartstochtelijk verlangen en die wens uit, o dat mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren! Christus is het grote Voorwerp van heiligheid. In Hem eindigen onze vrees, liefde, vreugde, en hoop, enz. Heiligheid is ook een deel van de erkenning die verschuldigd is aan Christus, voor de grote zegening van de verlossing. En deze verplichting betalen de verlosten opgewekt en dagelijks. Liefde tot Christus is het grote motief tot hun handelingen. En evenzo plaatsen ze hun vertrouwen en geloof in Zijn verdienste en voorspraak, tot aanneming door, en toegang tot God. Op dat gouden altaar offeren ze hun offers. Ze stellen Christus Jezus voor, en zetten Hem altijd voor zich, als de rechtvaardige Rechter, alwetende Getuige, en genadige Beloner van hun heiligheid. Hun grote bedoeling in al hun handelingen, is om een nadere betrekking tot Hem te verkrijgen. Zijn grote en dierbare beloften zijn hun bemoedigingen, en verlevendigen en ondersteunen ze onder al hun moeilijkheden. Een gevoel van deze liefde drijft ze om te doen, te spreken, te verschijnen, en te lijden voor Hem. Ze handelen in een voortdurende, directe, en algemene afhankelijkheid van Hem, voor Zijn vriendelijke invloeden en kracht, om al hun werken daarin en daardoor te werken. En als ze alles gedaan hebben, zetten ze de kroon op Christusí hoofd, en geven Hem al de lof, door al hun heiligheid aan Hem toe te schrijven, en Zijn genade in hen. We mogen, denk ik, stellen dat Christus als het ware een nieuw wezen heeft gekregen, en, zoals de apostel zegt, wordt gevormd in hen. Zodat door onze wedergeboorte niet alleen wij, maar Christus (als ik zo mag spreken) een andere geboorte heeft. Ik denk dat wat gezegd is, ons zal overtuigen van het grote verschil tussen evangelische heiligheid, en de zedenleer die heden zoveel verheven wordt, tot groot nadeel van, en in tegenstand tegen oprechte godsdienst, en ware rechtvaardigheid. De auteurs en ophitsers van loutere zedenleer kleineren de verlichting van de Geest als onnodig, en als geestdrift. Ze lasteren en keuren de krachtige werkingen van Christus op de wil af, als een dwingen en schending van dat vrije geestvermogen. De oefening van de ziel onder een gevoel van zonde, is bij hen slechts een zwaarmoedigheid en methode. En al de verschillende wendingen van de ontwaakte ziel zijn, in hun opinie, slechts afwisselende zorgen, hopen en vrezen, zoals de grillige inbeelding ze grijpt. En wedergeboorte is schijnheilig praten. En gemeenschap met God is de lichtgelovige droom van een misleide en zwakke ziel. Ze spreken openlijk uit dat de geest van een mens niet zo duister is, als om de verlichting van de Geest nodig te hebben om op geestelijke wijze de dingen van God te onderscheiden; en dat de wil niet zo bedorven is, als om kracht nodig te hebben om genadige handelingen uit te voeren. De grote bedorvenheid waarover ze klagen, is de verstoring van de genegenheden. Alsof heel de kwetsing die we van de slang kregen, alleen een kleine vermorzeling van de hiel is, en dat het hoofd en het hart, de hogere delen, bijna compleet, onbedorven en gezond waren. En om de hoofdsteen te plaatsen op dit gebouw van verwarring, wordt door hen de zedenleer, die gewerkt wordt uit hun eigen ingewanden, gemaakt tot hun rechtvaardigheid in rechtvaardigmaking. Zodat door hen het hele evangelie wordt ondermijnd. Want de twee grote pilaren van de nieuwe tempel, zijn het bloed van Christus tot onze rechtvaardigmaking, en Zijn Geest voor onze heiligmaking, Die het ons ingeeft, het bewaart, koestert, vergroot en volmaakt. En deze Beide worden uitgeput en neergeworpen door hen.

Een belangrijke oorzaak van het te zichtbare verval van godzaligheid op de huidige dag, is een veronachtzaming en verwaarlozing van Christus, en Hem en Zijn bloed niet te gebruiken tot onze heiligmaking, en ook niet Zijn ambten tot het beginnen en voortzetten van onze heiligmaking. Ik kan met zekerheid zeggen, dat de krachtige en heilzame invloeden van de Heilige Geest niet gekend of gevoeld zijn, waar het leerstuk van toegerekende rechtvaardigheid niet wordt geleerd, en niet wordt geloofd. Hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs? Het Evangelie is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft. (Mag ik u vragen, let op de reden die door de apostel wordt gegeven.) Want, zegt hij, de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. O zalig woord! Christus is het einde der wet, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft. En de wet is een tuchtmeester die leidt tot Christus, ja sommigen bijna geselt tot de dood, voordat ze gedreven kunnen worden tot Christus. Laat dienaars ingaan op Christusí maatregelen, en de vloeken van de wet preken tegen onbekeerde zondaars, en dan Christus en Zijn verbond aanbieden om door hen omhelsd te worden. En dan zullen ze meer succes waarnemen dan ze kunnen verwachten van retorische verhandelingen, doorspekt met aardige kritiek, scherpzinnigheden van de schoolmannen, en uitspraken van de heidense zedenmeesters, en christelijke vaders. Het Woord is krachtig in de hand van Christus. En menselijke kunst maakt het zwaard des Geestes slechts bot. Het is dwaasheid te denken, dat we een diamant kunnen opsmukken, en toevoegen aan de natuurlijke schittering en fonkeling daarvan, door het te bekladden met gewone verf.

Een andere belangrijke oorzaak van de afname van vroomheid is, aan de ene kant, dat de mensen de rechtvaardigmaking en de heiligmaking verwarren, en aan de andere kant, een heidense scheiding van die. Ik oordeel dan dat het niet ondienstig zal zijn voor evangelische heiligheid, om mijn lezer bekend te maken met twee zeer belangrijke waarheden, namelijk het verschil tussen rechtvaardigmaking en heiligmaking; en ondanks dit verschil en onderscheid, hun onafscheidelijke verbinding.

1. Wat het eerste aangaat, let op de volgende bijzonderheden. (1.) Rechtvaardigmaking, wat zijn naam en natuur aangaat, is een wetsterm; geleend van burgerlijke rechtbanken, en tegenovergesteld aan veroordeling. En het is een handeling van een rechter die vrijspreekt, en die zijn vonnis uitspreekt vanaf de troon van genade. Maar heiligmaking is een lichamelijke daad, een werk van een almachtige en scheppende kracht. (2.) Rechtvaardigmaking is een handeling van God buiten ons, dat een relatieve verandering maakt. Heiligmaking is het werk van God in ons, dat een persoonlijke en werkelijke verandering maakt. (3.) Het eerste vloeit voort uit de uitoefening van Christusí priesterlijk ambt, en van het vergieten van Zijn bloed. Het tweede is een daad, en de onmiddellijke uitoefening van Zijn koninklijk ambt. (4.) De eerste doet de schuld weg. De tweede vernietigt de overheersing en macht van de zonde, en doet geleidelijk de besmetting daarvan weg. (5.) Het eerste geeft ons een recht tot het eeuwige leven. De tweede maakt ons geschikt en passend voor, en beweegt ons tot het bezit daarvan. (6.) Het eerste is de toerekening van de rechtvaardigheid van een ander aan ons. De tweede is het ingieten in ons van een goede hebbelijkheid. En daarom is de eerste de vergeving van zonde, en het aannemen van ons als rechtvaardig. Het andere is een doding van het verderf, en een verlevendiging van onze genaden. (7.) De rechtvaardigheid van de rechtvaardigmaking is waarlijk en eigenlijk verdienstelijk voor al het goede dat ons verleend wordt. Het andere verdient in geen denkbare betekenis enige zegening van God. (8.) In de rechtvaardigmaking zijn wij patiënt en voorwerpen, want het is de handeling van God zonder ons. Maar in de werken van rechtvaardigheid, wordt de wil door doeltreffende genade in staat gesteld, om te doen samenvallen en te doen werken met God. (9.) Rechtvaardigmaking en vergeving van zonden is volkomen en compleet in dit leven. Maar heiligmaking is onvolkomen, en laat geleidelijke voortgang toe, en extra trappen. In de eerste wordt Christus vertoond als de glorierijke Zon en Fontein van een volle en onveranderlijke rechtvaardigheid. In de tweede zijn de gelovigen als de maan, die zijn verschillende verschijningen heeft van toenemen en afnemen. Daarom is de rechtvaardigheid van de rechtvaardiging toegerekend aan gelovigen, in aantal één en dezelfde bij hen allen. Christenen van de kleinste maat en rang hebben dezelfde persoonlijke rechtvaardigheid met de heiligen van de eerste grootte en de hoogste vorm. Maar wat het tweede aangaat, elke gelovige heeft zijn eigen bijzondere rechtvaardigheid, verschillend van die van een ander. (10.) De rechtvaardigheid van de rechtvaardigmaking beantwoordt alle eisen van het verbond der werken, en is een volledige genoegdoening aan de goddelijke rechtvaardigheid. Maar onze eigen rechtvaardigheid is een overeenkomst met de goddelijke zuiverheid, een kopie en afschrift van Zijn heiligheid. En daarom, (11.) de eerste rechtvaardigheid betreft meer direct ons schuldig geweten, dat het bloed van de besprenging ontvangt. Maar de tweede rechtvaardigheid betreft en beïnvloedt onmiddellijk al de vermogens die de zonde bedorven had. (12.) Het is ons toegestaan te roemen in, en ons te laten voorstaan op de eerste rechtvaardigheid, zelfs als het doorzocht wordt voor Gods rechtbank. Maar wat de tweede betreft, moeten we uitroepen met de Psalmist, ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn. En, (13.), rechtvaardigmaking is in een ogenblik, in hetzelfde moment als wij eerst geloven. Heiligmaking is een doorgaand werk gedurende de gehele loop van ons leven, en het is slechts volmaakt in heerlijkheid, wanneer Christus Zijn bruid vlekkeloos zal voorstellen aan Zijn Vader.

2. Hoewel ze twee zeer onderscheiden en verschillende zegeningen zijn, hebben we toch ergens anders aangetoond dat ze onafscheidbaar zijn. Maar hier zullen we een nader gezicht en observatie hebben van hun zoete en gezegende verbinding. (1.) Dan zal dit blijken uit de onafscheidbare handeling van Christusí koninklijke en priesterlijke ambten met betrekking tot gelovigen, waardoor Hij zowel de schuld als de smet van de zonde verwijdert. Wanneer Hij alle ongerechtigheid vergeeft, dan voorkomt Hij afvalligheden. Hij vergeeft de mensen hun overtredingen niet, en laat ze onder de overheersing van zonde, om direct opnieuw meer ongerechtigheid te plegen. Christus is ons geworden van God, rechtvaardigheid en heiligmaking. (2.) Dit is volgens Zijn opdracht, om de ongerechtigheid van Jakob weg te doen, zowel als om ons te wassen in Zijn bloed. Ja, Hij kwam door bloed en door water. En deze twee vloeiden uit Zijn doorstoken zijde, om aan de wereld de eenheid van de twee voorrechten van rechtvaardigmaking en heiligmaking te verklaren. (3.) De liefde van God zal ons niet ten dele verplichten, en ons ook niet een onvoldoende en onvolmaakte remedie geven voor onze verkeerdheden: Zijn werk is volmaakt. Zal Hij verlossen van de hel, en heersende zonde in ons toelaten, dat het slechtste stuk van de hel is? Zal Hij ons onderscheiden van duivels, door ons vergeving te geven, en ons toch toelaten geheel bevuild en zwart te zijn zoals zij? (4.) Iemand die gezegend is met zaligmakend geloof, omhelst een gehele Christus, en al Zijn ambten. Hij neemt Hem aan als een Koning, om Zijn wetten in zijn hart te schrijven, zowel als een Priester Die sterft in zijn plaats, wegens het verbreken van de wet. Vandaar, Hand. 26:18, wordt er van ons gezegd dat we geheiligd zijn door het geloof in Christus. (5.) Zoals de eerste Adam, door ongeloof en afwijking van God, niet alleen op zijn en ons hoofd een straf van de dood bracht, maar eveneens alle heiligheid en geestelijk leven verloor; evenzo zal Christus, de tweede Adam, Die kwam op de breuk te herstellen, en onze oorspronkelijk geluk terug te winnen, ons een tweevoudig leven terug moeten geven. (6.) De belofte van vergeving aan gelovigen, en de bevelen tot hun heilige wandel, zijn in het nieuwe verbond samengevoegd en samen getrouwd, en in het besluit van de verkiezing bepaald om effectief te zijn. Dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal: Ik zal rein water op hen sprengen, en zij zullen rein worden, en Ik zal Mijn wet in hun hart schrijven; en Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken. En het nieuwe testament in Zijn bloed is tot de vergeving van zonden. En het eerste sacrament van de doop verzegelt zowel heiligmaking als rechtvaardigmaking, en wordt voor gelovigen gemaakt tot het bad van wedergeboorte. (7.) Christus verdiende de beide zegeningen die ons geschonken worden. En we vinden in de Schrift dat God Zich bezig hield met deze beide aan ons te schenken, als de vruchten van de koop van Zijn Zoon. Jes. 53:10, Hij zal Zijn zaad zien, zowel als velen rechtvaardigen. En Ps. 110:3, Uw volk zal zeer gewillig zijn, zegt de Heere tot de Heere, op den dag Uwer heirkracht. (8.) Niets zal het ontwakend geweten geruststellen, dan deze dubbele zegening. Hen vergeving te schenken, en ze toch weg te zenden als vreemdelingen en vijanden van de Koning in hun harten, door zondige handelingen, zou nooit voldoening schenken. (9.) Te groter de verzekering van een persoon van zijn rechtvaardigmaking is, te hartstochtelijker is zijn verlangen naar heiligmaking. Het geloof aan vergeving is een van de scherpste aansporingen tot heiligheid. Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad. En om dit punt te besluiten, in diezelfde plaats waar alle goede werken buitengesloten worden van enige invloed te hebben op onze krachtdadige roeping en zaligheid, wordt heiligheid bevolen: Tit. 3:8, Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik, dat gij ernstelijk bevestigt, opdat degenen, die aan God geloven, zorg dragen, om goede werken voor te staan; deze dingen zijn het, die goed en nuttig zijn den mensen.

Het blijft over dat ik enige verontschuldiging maak voor de onvolkomenheden van deze preken. Ze werden genomen uit mijn mond toen ik ze uitsprak voor mijn gemeente, door de pen van iemand, geen geleerde, en die geen Latijn verstaat. Dit stelde ze noodzakelijkerwijs bloot aan de ongemakken van enige verkeerde spelling en interpunctie, (en misschien kunnen me wat Scoticismen ontsnapt zijn in het uitspreken), en aan een losheid en slordigheid van stijl. En inderdaad kunnen ze niet zeer correct zijn. Want ze zijn recht van de preekstoel gebracht naar de drukpers, zonder ze over te schrijven, waarvoor ik geen gezondheid en geen vrije tijd had. Ik moet eveneens toevoegen, dat ik niet besloten was, tot voor kort, om ze te publiceren. Maar enige verstandige en vooraanstaande personen, (van wie de uitspraken een wet voor mij zijn), omdat die oordeelden dat ze zouden kunnen stichten, zelfs in hun alledaagse kleding waarin ze eerst verschenen, was ik overwonnen om ze naar buiten te laten gaan, met alle onvolkomenheden die ermee gepaard gingen. Hoewel ik hoop dat mijn manier natuurlijk zal klinken, mijn overgangen helder en verduidelijkend, en mijn taalgebruik duidelijk en gemakkelijk, (want ik heb altijd gedacht dat de natuurlijk uitdrukking van een heldere gedachte het beste van een rede is); toch dank ik God, ik ken mijzelf te goed om ooit tevreden te zijn met mijn eigen voortbrengselen, of mezelf op prijs te stellen voor enig ding dat ik kan doen. Ik heb zoín schroom in mezelf, en zoín diep ontzag voor deze geleerde eeuw, die onvolkomenheden zal ontdekken die aan de aandacht van toehoorders ontsnapt zijn, dat ik gedwongen ben te erkennen dat mijn lesuren niet zacht smakend genoeg zijn om de kritische smaak te behagen, of om de onverbiddelijke test van de wetenschappers en de geleerden te doorstaan.

Sommigen mogen denken dat ik in de eerste twee preken, over de moeilijkheid van zaligheid, de stof te ver doorgevoerd heb. Maar wat ik naar voren heb gebracht, zal, denk ik, de opvatting van alle orthodoxe godgeleerden blijken te zijn. Wanneer we opzien tot God, en naar wat Hij doet om ons geluk te verzekeren, dan kunnen we niet anders doen dan toegeven en belijden, dat de verwerving daarvan hoogst zeker is. Maar dit sluit de grote moeilijkheden aan onze kant niet uit, die al onze dagen daarmee moeten worstelen. Niemand zal ontkennen, die de 27e van de Handelingen gelezen heeft, vooral het laatste vers daarvan, dat Paulus en zijn gezelschap nauwelijks zalig waren geworden, en, wat alles is dat ik versta van de zin, met grote moeilijkheid zalig waren geworden. Toch waren hun verlossing en ontsnapping besloten, voorzegd, beloofd, en effectief teweeggebracht door God Zelf. Het is mogelijk dat anderen aanmerkingen zullen maken op mijn hoge en verheven uitdrukkingen aangaande Christusí lijden. Ik zou willen dat ze de stijl van zowel oude als recente schrijvers overwegen, ja, de taal van de Schriften daarover. Kan er iets worden gezegd boven wat de Heilige Geest Zelf spreekt, Die bevestigd dat Christus een vloek geworden is voor ons, en zonde voor ons? Ik ga nu niet de betekenis van deze zinnen onderzoeken). En om vrijuit te spreken, wanneer we van de rots van Antinomianisme vandaan blijven, het kruis van Christus is een onderwerp van die natuur, dat elke mogelijkheid van overdrijving uitsluit. Het is onmogelijkheid dat woorden te dicht zouden komen bij de natuur daarvan. En hoe meer waar, treffend en levendig het lijden van onze Heere kan worden beschreven voor ons, hoe meer de aantrekkelijke deugd daarvan voortgezet en bevorderd wordt.

Een andere tegenwerping, die ik voorzie dat tegen mij gemaakt zal worden, is, dat de verhandelingen mager zijn, en slechts de vrucht van mijn eigen opvatting. Helaas, dat ze niet meer direct afstamden van en ingegeven waren door de Geest van God aan mijn eigen hart, opengelegd om Zijn invloeden te ontvangen, en dat ze zozeer gewerkt waren bij de kracht van mijn eigen geest, zou mijn terechte klacht moeten zijn. Maar ik veronderstel dat dit niet de bedoeling van de aanklacht is. Want sommigen denken dat alle verhandelingen onvruchtbaar zijn, als ze niet voortkomen vol van oudheden, en kreunen en zweten onder het onhoudbare gewicht van aanhalingen, genomen van Seneca, Cicero, Thomas Aquino, en Augustinus, en van de rest van de stammen van de heidense schrijver, paapse schoolmannen, en oude vaders. Wat! Wordt er heden zoín beslag gelegd op vindingrijkheid, dat iemand ons niet kan onthalen, zonder dat hij rooft en gapt van de ouden, en leent van de meer recente schrijvers? Waarom mag iemand, die afhankelijk is van God, voortbrengen wat profijtelijk en aangenaam is, zonder er dank voor verschuldigd te zijn aan anderen? Het zal mijn dagelijks gebed zijn, dat God deze waarheden op de geest van de lezer thuis mag brengen, met een sterke hand, en een werkzaamheid van Zijn genade. Ik was u bijna vergeten te vertellen dat er een paar herhalingen in mijn preken zijn, die onvermijdelijk waren door de overeenkomst van de behandelde doelstellingen.

 

 

Bekendmaking

De heer James Webster, de auteur van de volgende preken en verhandelingen, was beroemd in zijn dagen. Hij had terecht het karakter verkregen van een man van uitmuntende vroomheid, een vurig pathetisch prediker, en iemand die energiek opkwam voor evangeliewaarheid, in verzet tegen dwaling. Hij stierf in mei 1720, en werd algemeen betreurd; zodat dat, wat David zei van Abner, terecht werd toegepast op hem: Er is te dezen dage een vorst, ja, een grote gevallen in Israël.

Dit boek is voor het eerst gedrukt in het jaar 1705, in kwarto band, en werd goed ontvangen. Maar nadat het lang uitverkocht was geweest, en er regelmatig naar werd gevraagd, meende men dat een tweede editie noodzakelijk was. Het wordt daarom nu aangeboden aan het publiek, in keurig zakformaat, omdat men oordeelde dat dit een meer nuttig formaat was. Er is zorg voor gedragen om de ontelbare fouten in punctuatie, spelling, enzovoorts, waarvan de vorige editie wemelde, te verbeteren. De algemene koppen, verdelingen en onderverdelingen zijn beter onderscheiden. En titels werden gegeven aan de verschillende preken.

De bewerkers vleien zichzelf daarom, dat het bekende karakter van de eerwaarde auteur, de uitmuntendheid van de verhandelingen, en de juistheid van deze editie, dit kleine boekdeel zal aanbevelen in de publieke achting.

Het is niets anders dan recht om de lezer in kennis te stellen van het feit dat geen van de familieleden van de auteur deze editie heeft gezien voor de publicatie, hoewel het niet buiten hun medeweten om is gebeurd; zodat ze op geen enkele wijze te beschuldigen zijn van enige fouten die ontstaan kunnen zijn bij het drukken. Wij hopen dat deze zeer weinig en onbelangrijk zullen blijken te zijn.